🏠 Home ⬆ Top Je leest nu: Betty en haar brussen

Betty en haar brussen

allerlei teksten en foto’s

Betty zelf


Doopbewijs en briefje

Briefje van kleine Betty aan Moeder (door de juf geschreven?)FOTOs/Briefje-Betty-aan-Moeder.jpg Lieve Moeder
Onze moes
die verjaart
is de liefste op aard
is de liefste uit de stad
Lieve moesje wist u dat

van [uw] Bettie

Extract uit het DoopregisterFOTOs/Doopbewijs-Betty-v-Stokkum.jpg


Briefwisseling met Schade-enquĂȘte-Commissie, 8–14 jan 1942

FOTOs/brief-000.jpg

E.L.M. van Stokkum.
Rotterdam, 8 Januari 1942.
G.W. Burgerplein 3.

Betreft: schade-enquĂȘte nummer: A1702.

Aan de Schade-enquĂȘte-Commissie
Afd. Huisraad, kleeding enz.
te
R o t t e r d a m.

Geachte Heeren,

Hiermede neem ik de vrijheid U dank te zeggen voor het bedrag van f. 80.– hetwelk ik mocht ontvangen ter vergoeding van den geleden schade op 14 Mei 1940. Tevens voor de f. 45.– vergoeding van een zoo goed als nieuwe fiets.

Ik neem aan dat U, evenals een ieder, wel zult begrijpen dat men voor f. 80.– noch voor f. 45.– kleeding en andere benoodigheden of een fiets kan aanschaffen in dezen tijd.

Tot op heden heb ik geduldig gewacht op een nieuwe uitkeering, doch daar deze uitblijft veroorloof ik mij Uwe medewerking te vragen voor een uitkeering waarop ik nu reeds sinds Mei 1940 wacht.

Bij voorbaat zeg ik U dank voor Uwe medewerking en verblijf inmiddels met de meeste

hoogachting,
[getekend: E. v. Stokkum]


FOTOs/brief-001.jpg No. 22
SCHADE-EQUETE-COMMISIE ROTTERDAM

Antwoord op No. 812.
Gelieve in Uw antwoord to vermelden bovenstaand nummer, afdeling en datum.

Rotterdam, 14 Januari 1941.

Den Heer E. L. M. van Stokkum,
G. W. Burgerplein 3,
ROTTERDAM.-

Ingevolge Uw schrijven dd. 8 Januari bericht ik U hiermede, dat ook de destijds door U ingediende schade-aangifte op grond van de herziening der voorheen geldende Regelen voor de tegemoetkoming in de geleden huisraadschade aan een nieuw onderzoek zel worden onderworpen.

Ingeval Uw schade-aanmelding nadere toelichting mocht vereischen zult U tot het geven ervan worden opgeroepen.

Uiteraard valt op dit oogenblik nog niet te zeggen, of en in hoeverre deze herziening eenig voordeel voor U ten gevolge zal hebben.

Indien Uw geval inderdaad voor herziening in aanmerking komt, ontvangt U ter zake bericht.

SCHADE-ENQUETE-COMMISSIE ROTTERDAM
De Insp. D.B., Lid Uitv. Bureau,
in opdracht:
[handtekening]


Stichtelijke brief van Antoon aan Betty, 10 nov 1943

Den Haag 10-11-1943

Beste Betty,

Het houdt niet op met feesten. lijkt het wel. Eerst Norbert, toen Moeder, daarna m’n schoonzus Cock op de 11de en nu is het jouw beurt om op de handen gedragen te worden.

FOTOs/Antoon-aan-Betty-10-11-1943-blz1.jpg Natuurlijk wensen Riet en ik je ook ’t allerbeste toe voor ’t komende levensjaar. Hier denk ik aan veel geluk op aarde, dat je gespaard mag blijven voor oorlogsgeweld, dat je ’n schoone levenstaat zal vinden. Maar ook dat je je verplichtingen tegenover God na zult komen. De verschillende deugden na zult streven en zo verdiensten zult opstapelen (ik zou haast zeggen hamsteren) voor de hemel. Want daar draait alles om.

Je wordt nu weer ’n jaartje ouder en daarmee ook zelfstandiger. De verantwoording van Vader en Moeder vermindert maar die van jou wordt steeds groter.

Dit alles weet je natuurlijk wel, maar ’t is misschien wel goed om je er zo nu en dan nog eens aan te herinneren. Vooral nu je weer ’n minnaar hebt, genaamd “Mohammed” of “sleutelbeen”. Ik hoorde n.l. dat deze niet katholiek is. Je mag hier natuurlijk niet op ingaan. En zo je hiervan zelf nog niet overtuigd bent, laat ’t dan op aanraden van onze Vader de Paus. Deze heeft als leider van de Kerk ’n ervaring van alle mensen op de wereld over ’n tijd van 2000 jaar. En dat is niet mis. Houd je daar dus aan, ook al kost ’t moeite.

Misschien ga ik er te ver op in en is ’t nog lang zover niet met de Ir. Maar laat het dan niet verder komen. Verliefde harten zijn zo moeilijk te scheiden. Spaar hem en jezelf dat leed.

Wat een lange preek van je oudste broer, vind je niet? Maar als Peter moet ik je toch een beetje helpen, en daarom schrijf ik je zo uitvoerig.

Je verjaardag zal wel niet zo feestelijk gevierd worden als die van Moeder; maar ja, die heeft ’t wel verdiend in haar leven. Zij heeft met al haar leed en zorgen recht op zo’n dag. Maar daarom kan jouw verjaardag toch ook vrolijk en blij zijn. En dat hoop ik ook.

Jammer dat je vandaag niet met Nock mee kon komen. Ze vertelde ook dat je a.s. Zaterdag niet mee ging. Nu ja, ie tentoonstelling is voor jou ook niet zo belangrijk.

En als slot nog eens ’n bedankje voor al je bijdragen voor ’t slagen van de feestelijke viering van Moeder. Jullie hebben er heel wat werk voor gedaan.

Nog veel plezier en ’n schone dag.
Met hartelijke groet van Riet en Antoon


Van Leo aan Betty, 23 aug 1944

FOTOs/brief-005.jpg 23 Augustus 1944

Mijn allerliefste!

Je brief in goede gezondheid ontvangen. Mijn gezondheid wordt echter door de allemachtige hitte van de laatste dagen flink op de proef gesteld. Mijn rechter been is onder de knie hevig ontstoken, door een beet van een torretje, dat zich er ingevreten had. In de keet, waar ik nu op het heetst van de dag aan jou, mijn schatje, zit te schrijven, is het smoor heet en ik val haast flauw, doch dank zij mijn vitaliteit hou ik het nog uit om voor die anderhalve klant op mijn post te blijven, anders zou ik nu heerlijk in een zwembad zitten.

Met ons, Trees de jongens, gaat het bijzonder goed. Tonny is een ontzettend ondeugende jongen, haalt allemaal kattekwaat uit en Benny moet je de heele dag achterna loopen met luiers want die poept de geheele dag in zijn broek.

Is het even een mooie Augustus maand? Zelden hebben wij de laatste jaren zulk een mooi aanhoudend weer gehad, maar dat komt zeker omdat de geallieerden dit voor hun omvangrijk offensief noodig hebben.

Nieuws uit R’dam is er niet. Vader trachtte een huis te kopen, gelukkig echter, dat het niet doorgegaan is, want het is een hopeloos ouderwets huis en half rot.

Jouw komst alhier is in orde, ik had toch immers niet geschreven, dat je voor geheele dagen behoefde te komen? Je voorstel is uitstekend.

Heel de invoer en handel ligt stil, er is totaal niets te doen, maar, je weet het, men moet onder gegeven omstandigheden niets van het nietsdoen laten blijken, anders wordt je zoo naar het Grosz Deutschland, het 1000 jarig rijk gesleept, het land wat zeer binnenkort onder de voet zal worden gelopen.

Lief kind. het beste met je. Zorg dat je geen opdonder van die ezel krijgt en hou je taai. Wel te rusten,
Leo

Briefhoofd:
DE NEDERLANDSCHE NATUURSTEENHANDEL P. J. M. VAN STOKKUM

KANTOREN: (Noodgebouw) STATIONSWEG 57-59
STEENHOUWERIJ: DELFTSCHESTRAAT 56a
OPSLAGPLAATSEN: TE ROTTERDAM EN GROESBEEK

Opgerioht 1-2-1910
MONUMENTEN
MARMERWERKEN
SCHOORSTEENMANTELS
BESTRATINGSMATERIAAL
TUINSTEENEN

TELEFOON NUMMER 27519
’s-Avonds bij geen gehoor 36640-42261
Telegram Adres: VANSTOKKUM - ROTTERDAM
Bankier: De Twentsche Bank N.V. - Rotterdam
POSTREKENING NUMMER 8532

ROTTERDAM
Corresp.-adres: G. W. Burgerplein 3


Briefvoet:
Al onze aanbiedingen, verkoopen en leveringen geschieden met inachtneming van de Algemeene verkoopsvoorwaarden van de Nederlandsche Vereeniging van Natuursteenhandelaren vastgesteld op de Algemeene Vergadering van 28 September 1934 en gedeponeerd ter griffie van de Arrondissements Rechtbank te ’s Gravenhage op 2 October 1934 en onder voorbehoud van oorlogsgevolgen.


Van Leo aan Betty en Bernard, 8 juni 1945

FOTOs/brief-002.jpg

Rotterdam, 8 Juni 1945

Beste Bettie en Bernard,

Het is alweer een poosje geleden, dat wij jou zagen, Bettie. Hoe gaat het met jullie, alles best zeker en nog straal verliefd, ach, ach. In mijn gedachten zie ik jullie met zijn tweetjes op een stoel zitten, eten van een bord en van een lepel of vork. Hoe knus en gezellig. Maar de witte broods weken zijn voorbij, dus nu moeten jullie ondertusschen al wat afgekoeld zijn? Bernard, zit er achterheen, jongen, dat ze werkt! Daar moet je nu onder de hand eischen op gaan stellen, want als je daar langer meewacht, denkt ze, dat je het heelemaal niet durft te vragen en voert ze nog minder uit. Heeft ze de bonkaarten al teruggevonden? Ik begrijp niet, hoe ze die nu toch kan kwijtraken of heb jij ze soms als notitieblaadjes gebruikt of voor andere nuttige doeleinden?

Wat een zwambrief is dat, schrijft die vent altijd zoo raar, hoor ik Bernard vragen. Neen hoor, zoo nu en dan als hij een rare bui heeft. Het is vandaag wel geen rare maar een p. bui. Wij piekeren over de toekomst, eigenlijk heelemaal verkeerd, want alles komt toch wel goed, maar je kunt het niet laten
.steeds maar denken aan dan en dan en wat moet er nu geaaan worden, een steenhouwerij ? of niet. Uitbreiden, een nieuw terrein huren? Zou natuursteen nog in voldoende mate geimporteerd kunnen worden, is er van regeeringswege geld genoeg beschikbaar voor dit dure, luxe buitenlandsche artikel. Ja, ja en dan nog de vraag of de heeren principalen het geld er voor over hebben om die steen aan hun huis te hebben of er in. Er wordt toch steeds meer propaganda gemaakt voor huizen, die niet lang behoeven mee te gaan, om de werkeloosheid te voorkomen. Ikzelf denk niet zooveel aan al die dingen, maar Martien en Vader, twee van hetzelfde karakter en die zoo goed samen kunnen kletsen!!! maken elkaar gewoon gek! Je weet best hoe Martien is, Bettie en hoe je Vader!

Martien: “Ik begrijp niet, Vader, dat U nu niet meer naar buiten gaat en zorgt dat U Uw relaties spreekt voor Uw zaak”

Vader, in zijn hol, bezig aan zijn familie stamboomboek: “Wil je maken dat je gaat studeeren, jongen, ze hebben mij gezegd, dat ik maar uit de zaak moest gaan, en nu ik er uit wil moet ik er weer in. Ga jij nu maar werken en steenhouwen leeren en niet met meisies mee, dan wordt je misschien nog wel eens een man, maar zoo komt er niets van in, brutale jongen. Neem een voorbeeld aan. . . . . .”

Martien: “Die r.tkeet, daar kan je niet in werken, je kunt er nauwelijks alleen inzitten. Wij moeten uitbreiden, machines kopen enz. Ik wil trouwen en mijn a.s. echtgenoote wil zien, dat ze met iemand trouwt, die fit heeft. Dus U gaat er achterheen zitten, dat wij een beter terrein krijgen aan spoor en water en een flinke loods erop.”

Vader: “Neen jongen, ik steek er geen cent meer in, nu moeten jullie het maar opknappen”

Martien: “Dan ga ik maar weer naar de ondergrondsche, is me dat hier een beweging. Hakken doe ik niet meer, dat is goed voor steenhouwers, ik ga reizen en een auto kopen, als je met het spoor gaat, moet je immers toch hele stukken lopen, dat kost maar tijd en geld. Een auto kost toch maar een habbekrats. Ik zal aan Leo wel een boekje over de handelsreiziger vragen, dan ben ik zoo volkomen op de hoogte.”

En zoo gaat dat hele avonden door, enfin, binnenkort als jullie eens overkomen, kan je er van genieten.

Hoe is het met Nock? Ga je er nog wel eens heen Bettie? Ik heb haar gevraagd een tijdje hier te komen, maar het is veel beter voor haar om, als er tenminste gasten zijn, in het Bosdhuis te gaan. Na zooiets treurigs moet je afleiding hebben en veel werk.

Gisteren avond stond er in de krant de navolgende advertentie: “Te Huur met recht v.koop GROOT COMPLEX terrein en gebouwen, directe nabijheid v.Rotterdam, bijz. geschikt v. varkens- en kippenfokken waarvoor praktische stallen en hokken aanwezig en/of tuinderij”.

Ik heb er maar op geschreven, dus als het wat wordt, komen jullie binnenkort op visite bij de varkens en kippenfokker van Stokkum Van Stokkum’s Varkens- en Kippenfokkerijbedrijf. Stel je voor, ik voel er wel wat voor, Trees niet, maar vrouwen tellen niet mee, nietwaar Bernard. Een kerel die kippen en varkens kan fokken is altijd nog wel te vinden. Kan het niets voor Jules zijn? Eerst nu maar eens afwachten of ik antwoord krijg en wat het geval voor hun doet of kost.

Er komen hier veel jongens aan uit Duitschland. Het station is aardig versierd met vlaggen enz. Ze krijgen chocolade en biscuit enz. en worden met de auto thuisgebracht, alles is dus netjes geregeld.

De Heer Evert Kraayvanger is benoemd tot adviseur van de Burgemeester, omdat de wethouders afgetreden zijn. Jullie moet met de heer Kraayvanger in relatie blijven.

Bettie, je hebt die brief aan Frans, die ik jou meegaf, toch afgegeven? Ik kreeg nog steeds geen antwoord. Heb je Fien Overmaat nog gesproken? Ben je nog naar dat andere adres geweest?

Beste menschen, ik hou er mee op, anders moet ik dadelijk nog een ander vel papier aanspreken en het is schaars. De hartelijke groeten, ook van Trees en de kinderen,
Leo


Brief van Bernard aan Betty, 1 sept 1947

Bernard is op reis met Leo van Stokkum, broer van Betty. De oorspronkelijke brief was in potlood geschreven en is later door Betty overgetypt en die versie is met OCR letterlijk overgezet.

=+=+=

Comblanchien, 1 Sept. 1947.



..

eindelijk dan eens een rustig oogenblikje voor een brief. Dat komt omdat Leo tijdelijk buiten gevecht is gesteld. Hij is al bijna bezig met z’n testament. Om de 5 minuten heeft hij weeĂ«n. Langzamerhand knapt hij wel wat op, dus ik verwacht dat hij vanavond weer zijn volle rustelooze activiteit kan ontplooien. Nu een kort reisverhaal.
Om kwart over vijf reden we Donderdag uit R’dam. De reis leverde niet zoveel bijzonders op, vooral ook omdat het bij Antwerpen al donker begon te worden. Aan de grens hadden we niet veel last. Alleen klopte een van de nummers van de auto niet, maar dat was niet zoo heel erg.
In donker kwamen we in Soignie (± 30 k.m. ten Z. van Brussel). Leo direct zaken doen, en ik zoo’n klein beetje de reis voor de volgende dag, naar Parijs, uitgekiend. Verschillende gegevens kregen we van een Belgische chauffeur, zooals: hotel, en versch. goede wegen.
Vrijdagochtend naar de groeven. (hardsteen). Ik genoot ervan. Het was zeer interessant. Je kunt er ook goed duizelig worden, want ze graven er kuilen van wel 60 m. diep met loodrechte wanden. En op de bodem loopen dan heel klein de figuurtjes van de arbeiders. Er ontspringen ook bronnen op de bodem, met heerlijk frisch water. Om 12 uur ongeveer vertrokken we, toen alle zaken afgedaan waren. Daarna nog inkopen doen (filmrolleteje enz.) Bij de Fransche grens nog wat manipulaties met geld, benzine innemen en toen over de grens. Weer geen last. Frankrijk! Leo juichte, harder nog dan ik, want hij was nog nooit in Fr. geweest.
Langzamerhand begon het landschap te veranderen, het werd heuvelachtiger en af en toe ook wat bosch. Allemaal loofboomen. Enorme uitgestrekte landerijen aan weerskanten van de weg, die er goed en netjes uitzagen, maar je zag practisch geen mensch aan het werk. Oorlogsverwoestingen zijn zelfs tot hier in Comblanchien niet tegengekomen. Enkele verwoeste huizen uitgezonderd. Alle groote dure auto’s die we tegen kwamen waren van buitenlanders. (Engelschen, Belgen of Nederlanders). De Franschen rijden met kleine karretjes, die meestal nogal gammel zijn ook. We hebben onderweg naar Parijs nog een indruk gekregen van het plaatsje Soisson, met een oude kathedraal waarvan alleen de torens nog maar bestonden. De rest was in de vorige oorlog totaal verwoest.
Daarna Laon. Prachtig boven op een berg gelegen. Ik zat
toevallig net achter het stuur toen we de plaats naderden. De groote kerk lag als een burcht boven op de top (ik schat zoowat 300.m. hoog) en stak overal boven uit. We cirkelden omhoog en Leo in angst voor de auto. Maar alles ging goed en we hebben genoten van het fraaie uitzicht, de kerk en het schilderachtige stadje. Alles moest wel een beetje haastig gebeuren, want Leo moest nog een paar bezoeken afleggen in andere plaatsen, die er achteraf toch bij ingeschoten zijn. Want we wilden graag nog bij daglicht in Parijs zijn omdat je anders heelemaal niet weet waar je blijft. We moesten er nog even zoeken naar het hotel. We hebben dus de auto ergens neergezet en toen te voet gezocht, en gevonden. Maar toen moesten we de auto weer zoeken! Gelukkig vonden we die ook weer terug en zoo was de zaak in orde.
Het hotel was heel behoorlijk en niet al te duur. ’s Avonds zijn we een blik gaan werpen in het Parijs der vreemdelingen. Er was juist kermis ook dus je snapt dat er wat te genieten viel. (om 5 uur naar bed! foei!)
De volgende ochtend (Zaterdag) eerst naar de bank, waar Leo zijn geld moest halen. Gesloten! Daarna benzine bonnen halen. Dit lukte. Toen weer naar het hotel en met de auto de stad in. We hebben van alles gezien: Het Louvre, de OpĂ©ra, de Madeleine, enz. enz. Dat beschrijf ik wel eens als ik weer fijn bij je ben. ’s Avonds gegeten op de Montmartre en in een cabaret geweest! ’s Zondags naar de hoogmis in de hoofdkerk van Parijs, ­­46­­een gothische kathedraal: de Notre Dame, de voorste banken staan minstens nog 30 m. van het altaar af!
Daarna eens gegeten in een echt volksrestaurant en over politiek gepraat met die lui. De communisten schijnen terrein te verliezen. ’s Middags de Eiffeltoren op. Om duizelig te worden! ’s Avonds weer gegeten op Montmartre (voor 500 fr. ieder; dat is fl. 10.­) schandalig hù. Maar wel lekker!
Maandagochtend weer eerst naar de bank. Nu lukte het. Daarna op weg naar Comblanchien. Dat ligt zoo:
FOTOs/kaartje-bij-brief.png
Na Parijs kwamen we door Fontainebleau. Daar is een groot kasteel van een van de Lodewijken. (ik geloof de XIV). Prachtige tuinen. We zijn er niet in geweest, maar wel er omheen! Het landschap werd steeds heuvelachtiger, en tenslotte zelfs bergachtig.
Op een zijwegje ligt Vezelay. Dat is een van de hoofdmomenten voor mij geweest. Een romaansche kathedraal (1300) en nog mooier dan Laon boven op een bergtop gelegen. Ik heb er een heele film verschoten, ik hoop maar dat er een enkele foto gelukt is. Veel tijd hadden we ­­47­­er ook al weer niet, want we moesten nog met licht in Comblanchien zijn. Daar met veel moeite de gezochte groevenmeester gevonden, die ons het besproken hotel gewezen heeft. Het is een echt landelijk dorpshotel. Deze brief schrijf ik uit de, wat men bij ons zou noemen “mooie kamer”, die als eetkamer dient. We eten er aan een ronde tafel van wel 1 mtr. doorsnede. De hotelier is een stokoude vent met groote baard. Hij gaat om 9 uur naar bed en staat om 4 uur ’s ochtends op! We hebben gisteravond (dus Maandag­avond) de hele tijd met hem zitten kletsen en hij was pas om half tien in bed. Wij ook. Het was wel noodig want ik had vuurrooie oogen van vermoeidheid. En nu was die arme Leo ’s ochtends doodziek. Ik gelukkig niet. Vanochtend moesten we naar de groeve om zaken te doen. Leo kon het tenslotte niet meer houden en we zijn terug gegaan. Leo in bed en ik naar de burgemeester om bonnen.
Nu heb ik geluncht (heerlijk: ham, gevulde tomaat, duif, gebakken aardappelen, en fruit, met een liter witte wijn.) We zitten hier in het wijnland! Leo is al weer op en zit nu met 2 gekookte eitjes voor z’n neus wat bij te komen. Dus we zijn weer compleet. Wat er verder gebeurt hangt heelemaal van de zaken af. Leo weet er nog niets van en ik dus helemaal nog niet. Ik zal je wel schrijven zoodra ik iets weet of kan vermoeden
. Het begint juist te regenen
.

-.-.-.-

Comblanchien, 3 Sept. ’47

Vandaag deed Leo zaken bij de groeve, en ben ik in Dijon geweest (circa 30 k.m. Noordelijker). Om 6 uur opgestaan, om 9 uur in Dijon. ’s Avonds weer terug naar Comblanchien, en toen begon ik aan je te schrijven. Nu is het intusschen al weer een dag verder Donderdag 4 Sept., ’s ochtends half negen.
Gisterenavond hebben we (Leo en ik) beraadslaagd over de reis terug. Het was niet zoo heel eenvoudig want het hing allemaal samen met eventueele zaken. Maar in elk geval besloten we om Zaterdagmiddag ongeveer 5 of 6 uur in Nijmegen te zijn. Leo rijdt daarna door naar R’dam. Hoe de route loopt weet ik nog niet. Die moet ik straks nog uitzoeken, we vertrekken hier over een paar uur. De tijd vliegt hier natuurlijk om.
Ik ben benieuwd hoe jij het maakt met de kindertjes. Je ­­48­­tekening door BF van een steengroeve begrijpt wel dat ik nu nog heel wat moet doen voor we hier vertrekken, (o.a. alle bekenden die je opgeschreven hebt een kaartje sturen) zoodat ik nu maar geen uitgebreid verhaal ga doen. Het brood is hier werkelijk heel slecht maar we stellen het best met eten. De koeken zijn zoojuist op. Je had toch maar een pracht­ trommeltje voor ons klaar gemaakt!

 tot Zaterdag dus
. tekening door BF van een steengroeveFOTOs/steengroeve.jpg



Norbert van Stokkum (1 nov 1917 – 30 jan 1945)

FOTOs/NorbertVanStokkum-grotePasfoto.jpg

1941: Sport- en Jiu Jitsu instituut Norbert van Stokkum

FOTOs/Sportschool-1.jpg FOTOs/Sportschool-3.jpg FOTOs/Sportschool-4.jpg

Norbert op Ereveld Loenen

uit: De gelderlander, 23 sept 2004. Het detail “Norbert” staat hiernaastFOTOs/DeGelderlander-23-09-2004-verzetstrijders.jpg Detail van foto hiernaastFOTOs/DeGelderlander-23-09-2004-detail-Norbert.jpg

Folder Ereveld Loenen

FOTOs/NorbertVanStokkum-ereveldLoenen-folder-000.jpg FOTOs/NorbertVanStokkum-ereveldLoenen-folder-001.jpg FOTOs/NorbertVanStokkum-ereveldLoenen-folder-002.jpg FOTOs/NorbertVanStokkum-ereveldLoenen-folder-003.jpg FOTOs/NorbertVanStokkum-ereveldLoenen-plek-E353.png

De zenuwslopende aprildagen van 1945 vanuit kamp Buchenwald.

Eerst volgt hier een brief van Antoon aan zijn brussen.

Beste broers en zussen,

Begin april kreeg ik een brief van onze nicht Trees Trel-Wessels uit Laren (dochter van oom Frans & tante Rie Vessels). Trees liet mij weten: “In onze plaatselijke krant [uit circa 2001] staat een groot artikel over iemand die 3 jaar in concentratiekamp Buchenwald verbleef en zijn bevrijding daaruit omschrijft.” Trees wist dat mijn broer Norbert daar ook gevangen zat en schreef mij o.a.: “Omdat ik moeilijk kan inschatten hoe jij het verhaal van die Bert v.d. Heijden zult ondergaan, wilde ik het stuk niet zonder meer naar je opsturen. Mocht je het willen hebben, laat het dan even weten.”

Jullie begrijpen wel, dat ik veel belangstelling voor dat artikel had en het opgevraagd en gekregen heb.

Tot mijn grote verbazing las ik, dat die Bert, net als Norbert, tot de verplegers in Buchenwald behoorde.

Norbert zal zijn bevrijding uit Buchenwald, op gelijke wijze meegemaakt hebben. Ik denk dat ook jullie interesse voor het dagboekverhaal hebben. Omdat het verhaal twee volledige krant-pagina’s beslaat, heb ik het in gedeelten, op Familieboek-papier, gecopieerd.

Tijdens zijn speurwerk vernam Vader van een Belgiese arts, dat Norbert destijds zijn assistent-verpleger was en na zijn bevrijding dienst deed tijdens een transport ex-gevangenen naar Nederland. Tijdens die reis is Norbert aan typhus overleden en in ’n dorp, waar de trein stopte, werd begraven.

Tijdens het lezen van Berts verhaal bedacht ik, dat Norbert dit verslag geschreven zou kunnen hebben.

Notitie Betty:
Norbert is overleden op 30 januari 1945, en heeft dit dus niet meegemaakt.

Nadat Vader de begraafplaats van Norbert achterhaald had, wist hij te bereiken, dat Norbert’s stoffelijk overschot herbegraven is in Loenen.

Helaas heeft Vader niet kunnen achterhalen waar Peter Canis gestorven en begraven is. Hij kreeg verschillende, tegenstrijdige, gegevens, die in het Familieboek opgenomen zijn.

Vandaag, bevrijdingsdag, schrijf ik jullie deze brief bij het dagboekverhaal van Bert, omdat het een mooie aanvulling is van het verhaal dat ik jullie eerder stuurde, over Norberts vervoer naar Buchenwald.

En ik besluit deze brief met veel dank aan Trees; zonder haar inzet hadden wij Bert’s dagboek-verhaal nooit onder ogen gekregen. Daarom stuur ik Trees een copie van deze brief en de door mij gemaakte copieĂ«n van de krant.


Politiek gevangene nummer 909

Gebeurt het vandaag, de dood of de bevrijding?

Gijsbertus Nelis van der Heijden werd geboren op 20 maart 1918 te Amsterdam. Hij werd Bert genoemd, en door zijn familie, op z’n Amsterdams, Bep. Zijn vader was rijtuigschilder, later werd hij omgeschoold tot tramconducteur. Bert volgde de AGS (algemene grafische school) en werd machinezetter. Het gezin verhuisde vlak voor de oorlog naar Naarden.

Bert van der Heijden beschreef zenuwslopende aprildagen van 1945 vanuit kamp Buchenwald.

FOTOs/Bert-vd-Heijden.jpg

Bert van der Heijden vervulde zijn dienstplicht in 1938, en vocht op de Utrechtse Heuvelrug in mei 1940. Al gauw na de overgave raakte hij betrokken bij een verzetsgroep. Zijn schuilnaam was Bernard Koch, naar de straat in Amsterdam waar hij vroeger gewoond had. De groep slaagde erin de brandstofdepots van vliegveld Soesterberg op te blazen. lemand van de groep werd opgepakt en sloeg door. Van der Heijdens vader had kort daarvoor een beroerte gekregen, en was erg ziek. Omdat Bert bang was dat de Duitsers zijn ouders zƍuden aanpakken, koos hij ervoor om niet onder te duiken. Op 20 juni 1942 werd hij door de SD ‘s nachts van huis gehaald. De leiders van de verzetsgroep werden gefusilleerd. Van der Heijden werd naar de Weteringschans in Amsterdam gebracht, en daar mishandeld. Willy Lages, de oorlogsmisdadiger die later in Breda gevangen heeft gezeten, deed daar aan mee. Van der Heijden werd onder meer van een trap gegooid. Hij werd naar kamp Amersfoort gebracht en van daaruit op transport gezet naar Buchenwald als politiek gevangene, nummer 909. Tijdens de voettocht van het station naar het kamp Buchenwald stond de plaatselijke bevolking langs de weg om de gevangenen uit te schelden en te bespugen. Het kamp bestond al sinds begin jaren dertig, en zoals in de kampen gebruikelijk was, was er een structuur ontstaan van blokoudsten. In andere kampen waren maar hier waren het nog enigszins dat vaak criminelen en sadisten, redelijke communisten, die onderling de zaak regelden. Zij bepaalden wie welke werkzaamheden kreeg. Van der Heijden was ook communist. Hij werd eerst de ’persoonlijke bediende’ van de blokoudste van het blok waarin hij zat. Deze man heette Eugen Waller. Eugen droeg hem op om zijn laarzen te poetsen. Van der Heijden smeerde het hele potje schoensmeer op de laarzen, hij wilde geen slaafje worden. Eugen moest om de ‘blonde Hollander’ lachen, hij mocht hem wel.

De Naarder werd in de steengroeve aan het werk gezet. Het was de bedoeling dat de mensen daar dood gingen door extreem zwaar werk. Maar tijdens een appĂšl werden er mannen gevraagd die buizen konden isoleren. Van der Heijden stapte naar voren.

Hij had dat nog nooit gedaan, maar alles was beter dan de steengroeve. Met veel lef deed hij alsof, en het werkte. Hij deed vaak dingen die anderen niet durfden, en meestal pakte het goed uit. Van der Heijden had geen vrouw of kinderen, en het kon hem niet zoveel schelen of hij gevaar liep. Ook zijn Instelling om niet alleen aan zichzelf te denken maar ook voor anderen te zorgen en eten te delen hielp mee aan zijn overleven. De blokoudsten hadden daar ontzag voor. En hij had het geluk van een laag kampnummer: de onofficiële kampbeheerders hebben hem diverse keren van de transportlijst naar een vernietigingskamp afgehaald, omdat ze ervan uitgingen dat mensen met lage nummers tot hun eigen groep van politieke gevangenen van het eerste uur behoorden. Bert van der Heijden werd betrapt bij een luisterbeurt naar de illegaal verkregen radio, omdat degene die op de uitkijk stond, hem niet waarschuwde. De blokoudste zorgde er later voor dat die man op de transportlijst terecht kwam. Van der Heijden zelf had het daar moeilijk mee, hij voelde zich medeverantwoordelijk voor de dood van de man in kwestie. Hij vluchtte naar de tyfusbarak, waar de Duitsers niet indurfden, en werd verpleger. Hij leerde het vak van arts, verpleegde mensen en assisteerde bij operaties. Van der Heijden was bijzonder handig in het aftappen van vocht bij pleuritispatienten, via een punctie. Hij nam een bijna totaal verlamde Rus onder zijn hoede: hij voerde hem, en sleepte hem op zijn rug mee onder de douche. De man redde het tot de bevrijding. Van der Heijden kreeg zelf geen vlektyfus, naar eigen zeggen omdat hij zich elke dag ondanks de kou helemaal met koud water afschrobde. Zo kregen de luizen, die de ziekte overbrengen, geen kans. Zijn kennis van vlektyfus kwam van pas toen bij de terugtocht uit het kamp in Eindhoven iemand hoge koorts kreeg. De nonnen in het ziekenhuis wisten niet wat het was. Van der Heijden kwam erbij, en wees op de vlekken op de voetzoelen van de man: vlektyfus. Hij wist ook wat er gedaan moest worden: veel vocht geven. De man kreeg limonade en overleefde de ziekte. Na de oorlog slaagde Van der Heijden erin door hard werken zijn ervaringen te verdrinken.

Hij trouwde, kreeg twee dochters en ging met zijn gezin in Hilversum wonen. Hij verdiende de kost als machinezetter bij de Gooi- en Eemlander, en later als filiaalchef bij loonzetterij Koot en Hinnen in Hilversum. Toen hij met vervroegd pensioen ging, stortte hij in. Van der Heijden kwam in contact met professor Bastiaans maar durfde de omstreden LSD-therapie niet aan. Met alcohol en medicijnen hield hij zich op de been. Hij vocht elke nacht met Duitsers. Bert van der Heijden overleed op 76-jarige leeftijd in 1994.

De Hilversumse machinezetter Bert van der Heijden verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna drie jaar in het concentratiekamp Buchenwald. Hij was ziekenverzorger in de tyfusbarak toen de geallieeerden het kamp wisten te bevrijden. Bert van der Heijden hield tijdens de zenuwslopende aprildagen van 1945 een dagboek bij. Zijn dochter Esmé bood het ducument uit Buchenwald van haarin 1994 overleden vader aan de krant aan.

FOTOs/foto-FebStaking.jpg

31 maart

De werk-commando’s uit Weimar komen vroeger dan anders terug.

1-2 april

Pasen. Allerlei geruchten gaan rond in het kamp. Amerikaanse troepen zijn dicht in de buurt, evacuatieparolen enz.

3 april

De commando’s rukken uit, behalve de bergingstroepen en de buitencommando’s. De parolen over evacuatie houden aan. Rede van de SS-Kampcommandant in de zogenaamde Kinohal: *‘Rijks-Duitsers! Panzer-kolonnen zijn in ThĂŒringen binnengedrongen. Ik heb gehoord dat een geheime zender in het kamp is. Zij is in handen van de buitenlandse gevangenen. Zij hebben aan de Engelsen om wapens gevraagd ter vernietiging van de Duitse gevangenen die zich op het ogenblik van de bevrijding in het kamp zouden bevinden. Dit moet verhinderd worden. Ik verzoek dus de Rijks-Duitsers het niet zo ver te laten komen, maar in te grijpen waar nodig is. De orde moet gehandhaafd blijven”.* Zolang het mogelijk was, zou de Kampcommandant de Rijks-Duitsers bij de ordehandhaving terzijde staan, als het moest zelfs met behulp van de SS. Als alles aldus tot een goed einde werd gebracht en de vijand werd teruggeslagen, zou dat tot hun spoedige invrijheidstelling bijdragen.
Verder deelt de SS-Kampcommandant mede dat hij uit Berlijn de opdracht had gekregen, dat in geval de vijand tot Weimar mocht doordringen, hij het kamp ongeschonden moest overgeven.
Am me nooit niet!! Na deze ’prachtige’ demagogische rede, die natuurlijk als een zoethoudertje is bedoeld, heerst in het kamp bij de massa een optimische stemming. Geen mishandelingen zouden meer plaatsvinden. Alles moest een ordelijk en streng gedisciplineerd verloop hebben als men de schijnheiligen moordenaar maar geloofde. Alles bij elkaar een handige poging om tweedracht te zaaien en uitbreekpogingen de kop in te drukken. Spoedig zou het ware gezicht van de schurken ten opzichte van alle gevangenen bekend worden.
De massa sprak al van een bewijs van vertrouwen omdat de commandant helemaal alleen in z’n auto was gekomen, dus volkomen te vertrouwen was. Maar een goed opmerker kon al op een afstand zien dat hij zich lang niet op z’n gemak voelde en het zweet stond hem dik op z’n grote, ronde boevenkop.

Nachtploegen rukken niet meer uit.

De posten op de torens rond het kamp worden verdubbeld. Met machinegeweren en ‘panzer-vuisten’ staan de SS-boeven op de torens en daartussen om de 10 meter te posten met geweer. Daaromheen weer een ketting van posten met geweren en de beruchte honden. Alle commando’s moeten om 4 uur in de namiddag binnen züjn.

4 april

FOTOs/2RM.jpg Commando’s die vanuit Buchenwald in de provincie en in de omliggende grote fabrieken gingen werken, komen naar het moederkamp terug. Hele lange rijen, in lompen gehulde wezens, wandelende geraamten. Mensen kunnen zij niet meer genoemd worden. Verwilderde gezichten en met bloedoorlopen ogen. EĂ©n toonbeeld van ellende. Als zij het kamp binnenstrompelen, komen wij tot de ontdekking dat er zich ook groepen vrouwen onder bevinden. Het is de eerste keer dat wij vrouwen in zebra-kleding zien. In het kamp stijgt met het uur de spanning. Er broeit wat. Maar wat is het? We raden en gissen, misschien zus misschien zo. Plots klinkt door de radio het uitdrukkelijke bevel: Alle Juden sofort nach dem AppĂšlplatz! Geen Jood komt tevoorschijn. Tweede oproep, noch dreigender dan de eerste keer. Maar weer geen sterveling te zien. Blokoudsten en kamppolitie steken al evenmin een hand uit om mee te werken de Joden bij elkaar te drijven. De onrust wordt steeds groter. Wat zal het antwoord van de SS op deze uitdaging zijn? Nu, na het bevel dat alle Joden bij elkaar moeten komen, begint men in bredere kringen te twijfelen aan de oprechtheid van de SS. Maar er gebeurt, tot grote verwondering van ons, niets. ’s Avonds wordt er gewoon, alsof er geen vuiltje aan de lucht is, voor appĂšl geblazen en marcheert ieder blok stuk voor stuk naar de appĂšlplaats. Het is het laatste generaalsappĂšl.

5 april

Als ‘s morgens om 6 uur blokappùl wordt gehouden en alle gevangenen op de appùlplaats zijn aangetreden, worden de toegangen tot de blokstraten afgesloten en klinkt gelijk het bevel:’Alle Joden uittreden’. Nu is er voor het overgrote deel der Joden geen ontkomen meer aan. Toch glippen er nog verschillende mee naar beneden, als de ‘bloks’ weer het kamp ingaan. De rest wordt naar de DAW-barakken gevoerd.

’s Middags wordt er bekend gemaakt dat 46 prominente gevangenen door de Gestapo worden opgeroepen. Vermoedelijk zijn het alle mensen die vooraanstaande posten in het kamp hebben en dus al teveel van de fraaie praktijken van de SS weten en moeten verdwijnen. Natuurlijk gaan de 46 man niet naar boven. De algemene opinie is dat zij niet moeten gaan en maar afwachten wat de SS zal doen. Desnoods zullen we ons tot het uiterste verzetten, want wie geeft ons de garantie dat die 46 man de laatsten zijn?

De blokoudsten en kamppolitie krijgen opdracht te gaan zoeken. Deputatie naar de commandant met de boodschap dat, wil hij deze mensen hebben, hij ze zelf maar moet komen halen.

Commando K 98 uit Weimar komt het kamp binnen. Zij hebben de reis gemaakt in twee dagen met 120 man in één wagon (afstand ongeveer 8 kilometer).

6 april

Aankomst S3 transport. Circa 400 man zijn onderweg vermoord, omdat ze te zwak waren om verder te gaan. Ooggetuigen vertellen: Als iemand niet verder kon, werd hij naar de kant van de weg gesleept en daar of door de begeleidende posten of door de Hitlerjeugd doodgeschoten. Het waren kinderen van 8 tot 12 jaar en hun moeders stonden erbij met lachende gezichten en zichtbaar trots op hun kroost.

De dag verloopt weer onder grote spanning.

Om 11 uur ’s avonds komen plotseling een aantal SS-artsen op de eerste bloks. Keuring op zieken en invaliden; de gezonde gevangenen gaan, gist men, op transport. Als de keuring is afgesloten komt de mededeling: De goedgekeurden moeten zich klaarmaken voor evacuering. Alles staat in één klap op z’n kop. Dit is dus de eerste poging van de SS om het kamp leeg te maken. Het lijkt wel of de mensen nu opeens niet meer zo prikkelbaar en zenuwachtig meer zijn.

Ach, we weten het nu toch wel heel zeker wat ons te wachten staat: We hebben het toch van de andere duizenden gevangenen gehoord, we hebben zelf toch de wagons met lijken uitgeladen! Evacueren onder deze omstandigheden betekent de dood!! En blijven betekent niets anders, namelijk verbrand worden of vergast. We staan er gekleurd op.

We gaan midden in de nacht nog gauw het één en ander inpakken. Van slapen komt toch niets meer. De galgenhumor viert hoogtij, want de één wil voor de ander niet weten hoe rot het ervoor staat. Foto’s verscheurd, brieven verbrand, alles wordt klaargemaakt voor het einde. Wanneer zal het komen? Dit is nog het enige waarover wordt gedacht en gepraat.

7 april

10.000 gevangenen op transport. Het zijn meest mensen van de laatste transporten die binnen zijn gekomen. Nu, na enkele dagen van rust, gaan de stakkerds weer het onbekende tegemoet, die hun de dood zal brengen.

Steeds weer luchtalarm. Om het kwartier verschijnt er hier en daar een groepje jagers en vliegen de moffen de schuilkelders en het kamp binnen. Ze zien groen van angst. Toch is het voor ons nog te weinig luchtalarm. Het moest de hele dag luchtgevaar zijn, dan ging de tijd voorbij en elk uur is uitstel van executie. ’k Geloof niet, dat er ergens in de wereld een stukje lucht zo intens bekeken en afgezocht is naar vliegtuigen als boven de bloedberg.

8 april

De blokoudsten moeten op de zogenaamde schrijfstube komen, waar zij instructies krijgen over het verdere verloop van de evacuatie. Na verloop van enige tijd komen zij terug met de mededeling dat hun is opgedragen om de bloks direct klaar te maken voor transport. Maar we komen daarna te weten, als de nieuwsgierigen een beetje zijn weggetrokken dat zij, de blokoudsten en lagerleiding, besloten hebben om het transport zoveel mogelijk te saboteren, want elke gevangene die buiten de poort komt, is volgens de kampleiding klaar voor ‘hemelvaarttransport’.
12 uur ’s middags. Er wordt gefloten voor appùl. Niemand verschijnt. Als op commando heeft iedereen begrepen dat dit de grote krachtproef wordt tegen de beulen. De SS-kampcommandant vraagt in eigen persoon – tekenend voor de situatie, anders horen of zagen we hem bijna nooit – door de radio waarom er niet wordt aangetreden. Erich, de kampoudste, stelt z’n leven in de waagschaal door naar de toren te stappen en daar de heren iets op de mouw te spelden, omtrent pakken en klaarmaken voor het transport.

FOTOs/embleem.jpg Of de SS het gelooft of niet, we hebben tenminste weer even lucht gekregen. Er komt weer luchtalarm. Er wordt hevig gebombardeerd in onze directe omgeving op treinen en auto’s, stations en vliegvelden. Kortom, op alles wat maar beweegt of van enige waarde kan zijn voor de Duitse verdediging. De hevige explosies klinken ons als muziek in de oren. Maar alles bij elkaar is het volgens ons nog veel te weinig. We begrijpen wel dat dit pas het voorspel is, na het bombarderen komen de tanks. Maar waar blijven die dan? Waarom komen ze nu niet? Tienduizenden gevangenen staan op het punt vermoord te worden, maar ’t kan voorkomen worden als de Amerikanen snel genoeg oprukken. Zuster Anna, zie gij nog niets komen???
Twee Amerikaanse vliegtuigen cirkelen op geringe hoogte boven het kamp. Het zijn verkenners en we kunnen vanuit de barakken heel goed de witte sterren op de romp en vleugels zien. Brandwachten sluiten de straten van het kamp af. Het is doodstil in het kamp. Plots schettert het door de radio dat de blokoudsten onmiddellijk naar de schrijfstube moeten komen. Daar wordt dan door de kampleiding der gevangenen besloten dat we niet het hele kamp aan vernietiging mogen blootstellen door het bevel van de SS niet op te volgen. We moeten een paarduizend man opofferen en alles rekken en zo plooien dat het lijkt of er met man en macht aan de transporten wordt gewerkt. In werkelijkheid wordt er weinig of niets gedaan.
Het bevel komt door de radio dat het eerste transport sofort naar boven moet worden gebracht. Gaat niet door, aangezien de gevangenen nog niet gegeten hebben. Weer even uitstel. Het bevel wordt na verloop van een goed half uur herhaald. Het kwik stijgt en de wijzer gaat met sprongetjes naar de rode streep. Als de gevangenen niet onmiddellijk verschijnen, zullen SSbandieten ze komen halen.
Eindelijk gaat dan met veel strubbelingen een groep naar boven. Maar telkens, telkens weer rennen de gevangenen terug naar hun barakken en begint het spel opnieuw: bloks ontruimen, aantreden, opmarcheren. Wilde vlucht terug. Dan komt de SS het kamp in om eens even te helpen. Zij beginnen de eerste bloks leeg te schieten en te slaan. Nog grotere wanorde. Alles rent, vlucht door de ramen en gaten op zolders en daken.

Op de appĂšlplaats staan in carrĂ© circa 500 zwaar gewapende SS’ers. Na verloop van korte tijd gaan nu de eerste groepjes gevangenen al onder de poort door naar buiten. Zij worden naar enige barakken gevoerd, vlak naast de kazernes van de SS en brengen daar de nacht onder strenge bewaking door. Onder deze groepen bevinden zich procentsgewijs veel Hollanders. Enkele tientallen van hen kunnen gedurende de nacht door middel van armbanden van de kamppolitie weer uit deze barakken worden gehaald. Een paar Hollanders die dienst doen bij de kamppolitie, gaan op controle deze barakken in en nemen telkens twee of drie man mee naar het kamp terug. Deze mensen worden voorzien van armbanden, waarop te lezen staat, dat zij bij deze dienst horen.

Gelukkig gaat de tijd met al dit gesol van mensen nogal vlug en valt de avond in. In het donker is het onbegonnen werk voor de SS om de gevangenen bij elkaar te zoeken en is weer een dag van wachten verstreken. Hoe lang zou deze wedren met de tijd duren?

9 april

De gevangenen van gisteren die in de barakken overnacht hebben, worden weggevoerd in de richting van Weimar. Het evacueren wordt een paar uur onderbroken omdat er ongeveer 2000 gevangenen van commando Bellsrode het kamp worden binnengeslagen en geschopt.

Terwijl ’t overal een chaos is en nergens meer wordt gewerkt, gaat ons werk, het verplegen van zieke tbc- en vlektyfusgevangenen gewoon door. Overdag de mensen nalopen en ’s nachts houden we om beurten de wacht. We durven niet te gaan slapen, omdat er gegronde reden bestaat dat de SS in de nacht een overval zal doen op het hospitaal en dit met alles wat er in en om is met de grond gelijk wil maken om zo de ergste bewijzen van hun misdaden te doen verdwijnen. De zenuwspanning wordt hierdoor nog meer vergroot. Als dit nog lang duurt, worden we allemaal gek.

10 april

Er wordi bekendgemaakt dat vandaag het hele kamp leeg moet zijn. Nu is ’t bijeenschrapen van de transporten weer in handen van de gevangenen. En hetzelfde spel van gisteren wordt weer voortgezet. Alles gaat nog langzamer en overal is vertraging. Gelukkig wordt dit alles nog weer onderbroken door ettelijke malen gillen van de sirene voor luchtgevaari. Ook nu komen Amerikaanse verkenners boven het kamp en houden de hoop op redding levend. Om half één ’s middags gaat pas het eerste transport onder de toren door, waaronder de Russische krijgsgevangenen.
Half vijf gaat het tweede en misschien voor vandaag het laatste. Aan d∂ poort staan verscheidene oude SS-bandieten die de transporters stuk voor stuk bekijken en zo moeten voorkomen dat zich onder hen misschien één van de 46 gezochte gevangenen bevindt die trachten te ontkomen.
Weer wordt het avond en nog steeds geen Amerikaanse tank te zien, dus zijn we nog steeds onder het bereik van de moordzucht van de gehate SS. Weer een slapeloze nacht. Ik geloof de tiende al. Je raakt de tel kwijt en je begint de eerste gevolgen van deze zenuwslopende dagen aan de mensen te merken. Het zijn automaten geworden en ze hebben nergens geen idee meer in als alleen het ene grote, allesomvattende: Hoe komer we eruit?
Nu hebben we deze nacht telefoonwacht. Dit is alleen voor degenen bestemd, die nog het best in vorm zijn, want één minuut wegdoezelen betekent misschien de dood van 3000 medegevangenen. De wacht hestaat hierin, dat bij aankomst van SS’ers bij de toegangspoort van het hospitaal onmiddellijk door middel van een verborgen alarminstallatie het gehele hospitaal wordt gealarmeerd. Bij het hek staat een klein houten huisje voor de zogenaamde deurwachter. Achter het venster, hetgeen door een oude deken verduisterd is en waarin een klein gaatje zit, moet worden gepost. De hele nacht door steeds met het oog voor dat gaatje. Als er onraad komt, moet op een knopje dat onder de vensterbank zit worden gedrukt. Het wordt een eindeloze nacht. Steeds zie je iets naderbij komen en hoor je duidelijk het stampen van de zware spijkerlaarzen van de SS’ers. Maar telkens blijkt het verbeelding te zijn.

Alweer een nacht gewonnen. Gebeurt het vandaag? Wat? De dood of de bevrijding?!

Om het geheel nog wat meer cachet te geven, komt plotseling het bericht binnen dat we in de vroege ochtend een hevige knal kunnen verwachten. De SS heeft het plan de beruchte Reithalle op te blazen. In deze hal hebben honderden, misschien wel duizenden gevangenen het leven gelaten. Het was de oefenhal van de SS om, hetzij met pistool, hetzij met machinegeweer, de gevangenen als schietschijven te gebruiken. De met bloed bespatte muren en de honderden kogelgaten in de wanden en zoldering spreken een te duidelijke taal, dus moest het hele gebouw eraan geloven. De verwachte explosie blijft door onbekende oorzaken uit.

11 april

FOTOs/909.jpg Er wordt weer en nu met klem bekendgemaakt dat om 12 uur het gehele kamp leeg moet zijn. Hoe moeten we het nu klaarspelen om daaraan te ontkomen? Luchtalarm brengt ook nu als redder in de hoogste nood, enige kostbare uren oponthoud. Artillerievuur en het knerpen van zware machinegeweren komt steeds dichterbij. Maar wat duurt het toch lang. Waarom schieten ze nu niet wat vlugger op? Ze komen vast te laat. Waarom vliegen ze niet geregeld boven het kamp? Dan kan de SS tenminste niets beginnen. Begrijpen die Amerikanen dan helemaal niets van onze positie? Zullen ze nog op tijd komen, of gaan we in zicht van de bevrijding de pijp nog uit?

Alles is tot berstens toe geladen. Verschillende patiënten krijgen het, ondanks onze geruststellende woorden, met de zenuwen te kwaad. Ook dat komt er nog bij. Even voor 12 uur, als alles buiten loopt, rent of staat, gaat plots weer de sirene. Geen luchtalarm. Wat dan? Hij loeit ongeveer 5 minuten aan één stuk door. Je wordt er gek van. Wat zullen we nu weer hebben? Is dit het teken voor de SS om ons met tanks en vlammenwerpers te lijf te gaan? We gissen maar. Eindelijk komt er de mededeling dat dit het sein voor de SS is dat de vijand op enkele kilometers afstand genaderd is. Vlak daarna klinkt het door de radio: Alle SS en andere troepen moeten direct het kamp verlaten en zich moeten voorbereiden op gevechtsacties.
De kamppolitie en brandwachten vegen de straten van het kamp schoon, alles is in de barakken. Het schieten komt nu snel naderbij. Het gaat erom spannen. Door de blokoudsten wordt mondeling de mededeling doorgegeven dat we de mensen ten koste van alles rustig moeten houden en de mensen van de illegale stoottroepen zich elk ogenblik moeten klaarhouden om in te grijpen. Wat komt er nu?? Zal de SS de moed en de tijd vooral nog hebben om het kamp met ongeveer 21.000 mensen te liquideren? Het is nu: d’r op of d’r onder! Aan de onderkant van de berg en zijkant van het kamp, bij de SS-varkensstal, wordt op enige kilometers in het dal een klein dorp, waar schijnbaar nogal weerstand wordt geboden door de SS, in brand geschoten door Amerikaanse tanks. We kunnen dit zien vanuit onze barak. Dus ze stoten toch door. We kunnen wel de brandende huizen en de rookkolommen zien, maar de tanks nog niet. We horen het gieren en het inslaan van granaten. Zware motoren kunnen we, als er even een ogenblik stilte is, horen brommen. Ja, nu is het ons duidelijk, het zal geen uren meer duren of we hebben de uitslag: DOOD of LEVEND?? Alles is stil in het kamp. Onnatuurlijk stil. Er is niemand te zien. Iedereen duikt als bij instinct weg voor het naderend onheil.

De tijd gaat tergend langzaam voorbij.

2.15 uur. EĂ©n van de posten op de toren tegenover onze barak is bezig z’n uniform uĂ­t en een burgerpakje aan te trekken. Dat is typerend voor het SS-geboefte. Als zij tegenover gevangenen staan die zich niet kunnen verweren, zijn ze heldhaftig, maar nu het tegen gelijkwaardige tegenstanders gaat, nemen ze de vlucht. Een minuut of tien daarna zien we achter de versperring een grote groep SS’ers bepakt en beladen met wapenen tussen de bomen verdwijnen. Steeds intenser wordt het vuren en het spreidt zich nu over de hele breedte van het kamp uit. Een Amerikaanse verkenner komt in grote cirkels vliegend laag over de boomtoppen scherend naderbij.

3 uur. De posten van de torens verdwijnen één voor één het bos in.


Nu kunnen de Amerikanen niet ver meer zijn. Het schieten wordt nu zo hevig, dat we besluiten de zieken op de grond te leggen, onder en naast de bedden. We hebben voor de muur, uit welke richting steeds kogels door de wand van de barak vliegen, twee grote kisten met zand gezet, die zo nog enige bescherming bieden. Daarachter liggen in dekens gewikkeld de twee Joodse kinderen die sedert enige weken bij ons in de zaal zijn ondergedoken. We hebben de handen meer dan vol om al die halfdode en overspannen mensen in bedwang te houden en met de uiterste krachtsinspanning lukt het ons inderdaad om te voorkomen dat de mensen niet in wilde paniek de zaal afrennen. Nog even volhouden!
Daar horen we ineens het kletteren van stalen kettingen en we zien op een open plek in het bos drie grote grijze gevaarten zich een weg tussen de bomen banen. Bomen en struiken zijn geen beletsel, het wordt als gras vertrapt. En dan zijn wij vanuit de barak getuige van een staaltje echte cowboylef. Op de tanks hangen en zitten een aantal Amerikaanse soldaten. Rondom hen hevig afweervuur van de SS’ers. Alsof het hun helemaal niet interesseert, kauwen ze rustig hun gum en roken nonchalant een sigaret. Onder één arm hebben ze een stengun en met de andere houden zij zich vast aan het hevig slingerende en stampende voertuig. Pas als een hagel van projectielen hun kant opkomt, duiken zij in een kuil of achter een boom, jagen een serie kogels in de richting van de schuilplaats of stelling van de moffen. Houdt het vuren van die kant op, dan klimmen ze weer op de tank en rijden gewoon door. Op tien meter afstand van de prikkeldraadversperring gekomen, maakt de voorste tank een scherpe bocht en de andere volgen hem het bos weer in.

3.30 uur: Het grote ogenblik is daar. De stoottroepen rennen op het prikkeldraad af. Gat erin en op de torens aan. Aan gevaar wordt niet gedacht. Kogels vliegen als sneeuwvlokken om ons heen. Geen krimp. Nu kunnen we daadwerkelijk optreden tegen de beulen. In enkele tellen is het prikkeldraad met de meegebrachte tangen, die omwikkeld zijn met gummi tegen de stroom, doorgeknipt, plank erover en op de torens aan. De SS’ers die nog niet de benen hebben genomen, komen met opgeheven armen hun wapens brengen. EĂ©n is er zelfs nog bezig het zware machinegeweer dat boven op de ballustrade staat van het voetstuk te schroeven en komt het dan netjes en bereidwillig brengen.

Het mankeert er nog maar aan dat ze voor ons de gehate armgroet brengen, anders was het volmaakt geweest. Zij worden als gevangenen door de ex-gevangenen het kamp binnengebracht.

Het wordt een feesttocht. Alles wat maar lopen kan, vliegt naar buiten om deze merkwaardige processie te aanschouwen. Het gaat buitengewoon ordelijk en disciplinair. Geen van de gevangen moffen wordt geslagen. Alleen maar gehoond. De mensen die wapens te pakken hebben gekregen, leveren ze op een centraal punt in.
Om 4 uur is de kampleiding bij de hoofdpoort bijeen en onder geweldig enthousiasme wordt een witte vlag in de vorm van een slaapzak in de vlaggenstok gehesen. Het is als een symbool. Het ogenblik waar we jaren op geleefd en naar gesnakt hebben is dan daar: WIJ ZIJN VRIJ!!!

Er heerst in het kamp een geweldige bedrijvigheid. Overal ex-gevangenen met gevangenen en wapens. De vergelijking van schapen die ter slachtbank geleid worden, gaat goed op met betrekking tot de gevangen nazi-helden. Ze lopen met gebogen hoofden en uit hun hele houding spreekt verslagenheid en lafheid. Angst om hetgeen hen te wachten staat.

4.30 uur. De kampoudste houdt zijn eerste rede voor de radio. Z’n stem is schor van ontroering, hij feliciteert ons met onze bevrijding en maant ons om de houding die wij tot dusver betoond hebben zo te houden, dat is het beste voor de afwikkeling van zaken. Omstreeks 5 uur komt de eerste Amerikaanse verkenningswagen het kamp binnen. Het valt op hoe terughoudend de toon en houding is van deze soldaten. Misschien verwacht men hier in het kamp een stel boeven of gedegenereerde mensen te vinden. Maar als ze ons nader leren kennen valt het ze aanmerkelijk mee.
Comité’s worden gevormd. Nationaal en internationaal. De orde, tucht en discipline is in de strijd bewaard gebleven. Dit is voor een groot gedeelte te danken aan de kampleiding. Daarom alle lof en waardering voor deze mensen die merendeels zelf al tien of meer jaren gevangen zaten. Zij hebben door hun beleid en voorbeeld en vaak met inzet van hun leven ons een moordpartij bespaard door de SS.

21.000 Mensen hebben de verschrikkingen van de nazi’s in Buchenwald overleefd. In het kamp heerst een buitengewone stemming en waar men kijkt ziet men vlaggen waaien. Waar die zo gauw vandaan komen is een raadsel, maar ze zijn er!

12 april

Om 8 uur’s morgens het eerste appùl in vrijheid.

19 april

Dodenherdenking op de appĂšlplaats.

Alle overlevenden zweren dat zij tot hun laatste ademtocht tegen het fascisme zullen blijven vechten in welke gedaante het zich ook mag voordoen, om zo hun kameraden, die in de strijd tegen de fascistische horden ten onder zijn gegaan, te wreken. Op de appÚlplaats is in een paar dagen tijd een machtig gedenkteken verrezen. Daarop met grote cijfers het aantal mensen dat naar schatting in Buchenwald is gesneuveld. Het moeten er 51.000 zijn geweest. Volgens mij is dit veel te weinig. Want volgens controleerbare gegevens is dit aantal reeds ver overschreden in het laatste half jaar, toen de kampen die in de gebieden lagen die door de geallieerde strijdkrachten werden bedreigd, moesten worden ontruimd. Vele duizenden gevangenen zijn toen onderweg op transport overleden. Daar komen nog enkele tienduizenden doden bij van de laatste week vóór de bevrijding. Gevangenen die met de evacuatietransporten op weg naar Weimar zijn vermoord.

De afgelopen dagen hebben geregeld grote groepen van de bevolking uit de omgeving van het kamp onder leiding van de Amerikanen het kamp moeten bezichtigen. Zij konden met eigen ogen aanschouwen wat er in het kamp was gebeurd en welke methoden de SS toepaste om de gevangenen van het leven te beroven. Er lagen bij het crematorium nog metershoge stapels ontzielde lichamen, die de SS niet meer heeft kunnen wegwerken.

Alles werd met de nodige ontzetting bekeken, maar steevast klonk dan weer het bekende ‘Das haben wir nicht gewĂŒst’. Wat een pertinente leugen is, want tientallen burgers werkten al jarenlang in en om het kamp en zij wisten dus heel goed wat zich in het kamp afspeelde. En dit waren toch ook dezelfde burgers die, als er een gevangene ontsnapt was, hem voor het aanbrengloon van 10 mark weer aan de SS uitleverden en zo het doodvonnis over de vluchteling uitspraken!

1 mei

Grote mei-viering. Indrukwekkende opmars van alle in het kamp aanwezige volkeren met hun nationale vlaggen. Er wordt gedefileerd langs een groep Amerikaanse, Russische en Engelse hoge officieren. Bij elk vaandel dat werd voorbij gedragen brachten zij de militaire groet.

Het meest ontroerende ogenblik is, als de muziek de Internationale speelt en de kinderen, die bij de bevrijding nog in het kamp waren, langs het monument stappen. Elke peuter heeft een vlaggetje in de kleuren van zijn land in de hand en groet daarmede parmantig de officieren, fier rechtop stappend en met een gezicht als willen zij zeggen: Dat hadden jullie van ons zeker niet gedacht hĂš, maar we zijn er ook nog!

4 Mei

Berichten over capitulatie van de Duitse legers in Holland. Grote vreugde onder de Hollanders.

5 mei

’s Avonds om kwart over acht hebben we, staande op de appùlplaats van Buchenwald, geluisterd naar de uitzending van Radio-Oranje. Plechtige herdenking der bevrijding van de Duitse barbaren. FOTOs/groepsfoto.jpg



Memoires Jules van Stokkum over de oorlogsjaren

Hoofdstuk 1: “Mijn Jeugd”. 31-12-2000

(Opmerkingen en aanvullingen door Joop zijn tussen haakjes geplaatst)
Vertaling en bewerking voor publicatie: Joop van Stokkum 30-09-2001.

Gedeelte uit de Memoires van Julius Aloysius Maria van Stokkum

Voor het “Bevrijdingsmuseum” is een gedeelte uit de memoires van Jules van Stokkum geselecteerd dat interessant kan zijn voor de bezoekers van het museum, die zelf de oorlog en bevrijding van Groesbeek hebben meegemaakt of hun nabestaanden en belangstellenden.

Net voor de oorlog.


Na de kerstvakantie in 1939, toen ik weer naar kostschool ging, nam ik mijn postzegelverzameling mee naar kostschool. Iemand stal toen de éérste zegels van Nederland uit mijn verzameling. Die waren zeer veel waard, daarom nam ik de verzameling weer mee terug naar huis met de Paasvakantie.
Dat was net voordat de oorlog uitbrak in 1940. Bij het bombardement van Rotterdam (13 mei 1940) werd ons huis met de natuursteenhandel en werkplaats aan de Stationsweg getroffen, evenals de andere huizen in de straat en
 alle postzegels waren verloren!
Op 10 mei 1940 brak de Wereldoorlog uit. Ik was nog steeds op kostschool en wist niet dat Rotterdam op de 13° gebombardeerd werd en wij alles kwijt waren. De communicatie was nog niet zo geweldig toen.
De (oudere) broers hadden het grote tapijt gered waarin een gat gebrand was. Ena redde de suikerpot met de lepel er nog in. Ook hadden ze de halskettingen met natuurstenen kralen uit de monsterzaal gered. Mijn familie werd in een andere wijk van Rotterdam, in de Jacob Catsstraat, ondergebracht. Ik wist dat toen nog niet zoals ik eerder al had vermeld. Dit schreef mijn vader later.
Daarom zei ik tegen de directeur dat ik naar mijn broer Antoon in Den Haag wilde gaan, van wie ik het adres wel had. Ik vertrok dus direct naar Den Haag.
Ik had heel wat tijd nodig om in Den Haag te komen. Ik moest veel lopen en kreeg van verschillende mensen een lift. Uiteindelijk was ik er na 11⁄2 dag.
Ik kwam aan toen mijn broer en zijn vrouw niet thuis waren. Ik ging dus voor de voordeur zitten totdat een buurman me vroeg om binnen te komen. Ik sliep er die nacht. De volgende dag kwamen Antoon en Riet thuis. Een dag later gingen we per fiets naar Rotterdam. Ik zat bij de één achterop en mijn koffer bij de ander op de bagagedrager. Op weg naar Rotterdam zag ik veel kapotte Duitse vliegtuigen op de grond. De Nederlandse luchtmacht had ze neergeschoten en er waren veel gebombardeerde huizen. Ik kon mijn ogen niet geloven. Het was verschrikkelijk. Ik kan me helemaal niet meer herinneren hoe het er vroeger uitzag.
We kwamen aan op de Rochussenstraat (Rotterdam) waar mijn ouders toen woonden. Het was direct aan de haven waar de Duitsers rijnaken aan het ombouwen waren tot “landingsvaartuigen” om er een “Invasie tegen Engeland” mee te beginnen. [Een rijnaak is een lange, brede platte boot die diep in het water ligt. Hij werd alléén gebouwd voor gebruik op de rivier.]
Intussen hadden mijn broers puin geruimd van het woonhuis en de zaak en vaders brandkast, die nog drie dagen na de brand roodgloeiend was, uit het puin gehaald. Ze moesten hem afkoelen voordat ze hem konden openen. Nadat de brandkast geopend was, bleken de meeste papieren etc. nog intact behalve die dicht tegen de wand zaten. Nadat het puin opgeruimd was, werd er een houten huis (de Keet) gebouwd op de plaats van het woonhuis met bedrijf, dat als kantoor gebruikt werd. Er werd een voetpad gemaakt vanaf de Stationsweg naar de Delftsestraat, dat het “Van Stokkumstraatje” genoemd werd.
Naast het kantoor vestigde Frans een “Brandhouthandel” omdat de Duitsers alle kolen naar Duitsland hadden afgevoerd. De mensen hadden dit hout dus hard nodig.
Evenzo roofden de Duitsers veel levensmiddelen en zuivelproducten. Er gingen lange colonnes militaire voertuigen met die gestolen producten naar Duitsland.
Mijn zusjes Ria en Betty begonnen een “Jeugdhotel” in Groesbeek op de Hoge Hoenderberg. In het vakantiehuis “Het Boshuis” sliepen de meisjes en in de “Kamphut” de jongens. Ze noemden het: jeugdhotel “Die Hoghe Hoenderberg”.
Tijdens de vakanties ging ik erheen. De meisjes leerden me dansen. Ik vond dansen erg leuk.
Na het eten hielp ik met het afdrogen van borden en bestek. Er moesten ook een aantal jongens en meisjes aardappelen schillen.
Omdat we in Rotterdam alles verloren hadden, kregen mijn ouders bonnen van de overheid om gratis voedsel te verkrijgen. Dat was nog op de Rochussentraat. Ena en ik moesten elke dag naar een instantie gaan waar we gratis voedsel kregen voor die bonnen. Ieder van ons kreeg een klein stukje brood en moeder zette er een naamkaartje op. Er was géén boter of iets anders om op het brood te doen. Dus alléén kaal brood!
Ook haalden we melk, aardappelen, groente en soms kregen we kip. Ik ging in Rotterdam weer naar school tot de grote vakantie. Dit was mijn 2e school in de éérste klas MULO. In die tijd woonden we in de Rochussenstraat. De Engelsen en Amerikanen bombardeerden alle havens, inclusief de haven waaraan wij woonden. Mijn ouders werden er zo bang dat ze een huis huurden in Groesbeek, Nijmeegsebaan 82 (Heilig Landstichting), waarnaar wij op 4 augustus verhuisden, juist voordat ik in mijn rechter wijsvinger sneed. Iedereen dacht dat ik gewond geraakt was tijdens een nachtelijk bombardement door de geallieerden.
Wij, Ena, Emile, Joop en ik, gingen met mijn ouders mee. De rest van het gezin bleef in de Rochussenstraat in Rotterdam. In september moesten wij, de jongens, weer naar school in Nijmegen en Ena bleef thuis. Ondertussen vonden we een groter huis aan het G. W. Burgerplein nr. 3 in Rotterdam.
Leo en de rest van de kinderen die nog in Rotterdam waren, trokken er oktober 1940 in. Het Jeugdhotel was ’s winters gesloten zodat de oudere meisjes ook thuis waren.
Vanaf augustus 1940 tot oktober 1941 woonden we in Groesbeek en gingen in Nijmegen naar school. Daarna veranderde vader van gedachte en we gingen weer terug naar Rotterdam. Wij, Emile en ik moesten weer naar een andere school in Rotterdam. Joop ging kort daarna weer naar Nijmegen op school en woonde dat schooljaar bij de familie van Gastel in het huis dat wij verlaten hadden. De heer van Gastel, de vader van Nora en dus schoonvader van Norbert, is bij een geallieerd bombardement op Rotterdam omgekomen, toen hij voor de deur stond. Het gezin van Gastel vertrok kort hierna naar Groesbeek.
In die tijd gaf Norbert les in “Jiujitsu”. Een schoolvriend van mij en ik kregen les in onze achtertuin. Deze lessen duurden maar kort omdat hij toen naar Nijmegen ging en er een sportschool vestigde.
Peter, die de H.B.S. gehaald had, ging naar de “Technische Hoge School” in Delft die nu Universiteit Delft heet. In twee jaar tijd werd hij civiel ingenieur. Voor hij klaar was, sloot hij zich soms weken in z’n kamer op om te studeren en slaagde cum laude! Omdat hij niet wilde tekenen voor de Kultuurkamer, ging Peter op reis naar Spanje, ik denk in 1941 of 1942, maar onderweg werd hij door de Duitsers opgepakt in Frankrijk. Ze stopten hem in de gevangenis van Bordeaux. Hij ontsnapte uit Bordeaux. Hij had een Duits officiersuniform aan en reisde als “Duits militair” door Frankrijk terug naar huis. Iedereen, vooral moeder, was blij hem weer te zien.
Door al het veranderen van school ging ik niet over. In oktober 1942 zei ik tegen mijn ouders dat ik wilde stoppen en boer wilde worden.
Op 27 oktober ging ik naar Bakel in Noord-Brabant. De boerderij waar ik kwam, heette “De Kinderen Joosten”. De boerderij werd zo genoemd omdat de ouders van de bewoners gestorven waren.
Op de boerderij leerde ik koeien melken, ploegen, de dieren voederen, de mest ruimen bij de koeien, etc. Iedere week moesten we graan dorsen. We hielden een paar zakken graan achter voor onszelf en moesten dat verstoppen. Al dat graan moest naar de Duitsers, de inspecteurs zorgden ervoor dat er niets achter bleef. Dat gebeurde ook met de melk, we moesten wat achterhouden om boter van te maken. Alles moest voor de Duitsers verborgen worden zoals ham, spek, worst en eieren, noem maar op.
Eens waren mijn broer Peter en zijn vriend op de boerderij geweest. Ze waren op weg naar Spanje en hadden een schuilplaats nodig. Ze kregen te eten en sliepen in mijn dubbelbed. Ik sliep in het hooi op zolder. De volgende morgen gingen ze weer verder naar Spanje.
Op een weekend in maart 1943 fietste ik naar Groesbeek om mijn ouders te bezoeken die in het “Boshuis” waren. Mijn vader wist een boer in Groesbeek die hulp zocht. Hij betaalde fl.1.- per week. Op zondag hoefde er niet gewerkt te worden. Ik rekende uit dat dit fl.4,50 méér was dan in Bakel. Dus ging ik erheen en kreeg de baan. Ik ging dezelfde dag terug naar Bakel, pakte mijn koffer, zei de “Kinderen Joosten” gedag en de volgende dag ging ik weer naar Groesbeek. In dat weekend was dat 240 km fietsen!
Ik begon op maandagmorgen op de boerderij aan de Granenburgsestraat in de Horst in de gemeente Groesbeek [nl. “Heintje van het leie dak”].
Gedurende de tijd dat ik op deze boerderij was, werd mijn broer Martien opgepakt door de Duitsers en moest gaan werken in een fabriek in Duitsland. De fabriek werd vaak gebombardeerd. Martien had geluk en kon wegkomen en ging terug naar huis. Hij ging bij de “Ondergrondse”. Op ’n keer moest hij vier belangrijke verzetsstrijders bevrijden. Ze waren met een paar mensen en doodden enkele Duitse soldaten. De verzetsstrijders werden wel bevrijd!
In 1983 werd Martien gedecoreerd en kreeg een gouden ereteken voor moed en inzet, n.l., een medaille van verdienste in “De Orde van Oranje Nassau”, verstrekt door Juliana, koningin van Nederland. Ik heb een foto waarop hij de medaille draagt.
In de eerste week van september 1943, toen ik 17 jaar was, ging ik naar Boxtel, Breukelsestraat 78. Daar bezocht ik een landbouwschool maar ik werd in november ziek. De hospita belde de dokter. Deze zei dat ik naar huis kon gaan. De dokter had me toen niet eens gezien maar ik ging naar huis.
In Boxtel waren we met vijf jongens in huis, twee jongens sliepen in één bed, twee in een ander bed en er sliep één jongen alléén in een bed, allemaal op één kamer! Mijn ouders betaalden fl.75 kostgeld. De reis naar huis was verschrikkelijk, ik was zo ziek als een hond. In de trein waren géén ramen of ze waren kapot. Ik had hoge koorts.
In Rotterdam moest ik met de tram naar het G.W. Burgerplein. Ik vroeg aan de bestuurder mij te waarschuwen wanneer ik er zou zijn, omdat ik zo slaperig van de koorts was. Dit deed hij. Toen ik thuis kwam, liet Ena direct de dokter komen omdat ze dacht dat ik dood zou gaan. Zo’n hoge koorts had ik. De dokter kwam die avond. Toen hij zijn neus om de deur stak, rook hij al dat ik difterie had wat ook gevaarlijk was voor de andere kinderen. De dokter haalde extra medicijnen. Hij gaf me 60 cc “paardenserum”. De volgende morgen kwamen mijn ouders thuis. De dokter adviseerde een priester te laten komen. Ik kreeg het H. Oliesel toegediend. Op een avond vroeg ik in mijn onderbewustzijn, alsmaar om bier. Mijn moeder zei dat tegen de dokter. Hij kende iemand die drie flesjes bier gaf. Ik kreeg bier, het slijm kwam los in mijn keel. Ik kreeg weer lucht en kwam bij kennis.
Mijn moeder en Ena hebben daarna twaalf weken op mij gepast. Ze moesten een witte jas en een neusbescherming dragen omdat er gevaar voor besmetting was.
Na twaalf weken deed de dokter een onderzoek om te zien of ik nog wel difterie had. Al die twaalf weken moest ik op mijn kamer blijven. Na het onderzoek werd “besloten” dat ik weer beter was en ik mocht weer naar buiten en terug naar school. De dokter zei me dat ik mijn hele leven lang drager van difterie zou zijn en dat ik nóóit meer “Paardenserum” mocht hebben daar dit dodelijk was.
Omdat de school (in Boxtel) gesloten werd, ging ik naar Frans in het “Boshuis”. Hij was een kelder naast het huis aan het bouwen en ik hielp hem er mee. We dekten de kelder af met oude houten spoorbielzen, zand, gras enz. De kelder was goed gecamoufleerd zodat de Duitsers hem niet zouden vinden. In de kelder van het Boshuis maakten we een deuropening zodat we erin konden. We maakten er een kast met scharnieren voor de opening zodat hij goed voor de Duitsers verstopt was.
Toen de Amerikanen kwamen, moest Frans evacueren en ging naar Nora, de vrouw van Norbert. Ze had een baby, een jongen, die zijn vader nooit gekend heeft, daar die in het concentratiekamp was met mijn broer Peter.
Vader, die op de Hoghe Hoenderberg was, en Frans zouden op een dag naar Rotterdam gaan, vader nam een “vroege” trein en Frans zou later gaan en ging naar Nora om op de volgende trein te wachten. De geallieerden bombardeerden ondertussen per ongeluk Nijmegen (net nadat vader’s trein wegreed). Dat was op een maandag in februari 1944. Het station werd geraakt en veel mensen die in de treinen waren, werden gedood omdat de stroomdraden op de trein vielen en de mensen zo geĂ«lektrocuteerd werden. Ik was in het Boshuis en ging naar het uitkijktorentje op het dak en zag de bommen uit de vliegtuigen op Nijmegen vallen. Later hoorde ik, dat de geallieerden ook Arnhem en Enschede op dezelfde dag per ongeluk gebombardeerd hadden. Nijmegen echter werd het zwaarst getroffen. De binnenstad was zwaar beschadigd.
Mijn broers Norbert en Peter waren bij de “Ondergrondse” en waren betrokken bij het terugbrengen van mensen naar Engeland, o.a. geallieerde piloten. Dit deden ze meer dan twee jaar. Ze reisden met 26 andere mensen om via Spanje naar Engeland te komen. Ze moesten in Parijs overnachten. Een van hen verraadde hen. Zowel Franse als Nederlandse ondergrondse mensen vertelden later over dit verraad aan mijn ouders. De Duitsers pakten iedereen op. Dat was 3 juni 1943. Ze werden allen in een concentratiekamp geïnterneerd.
Een broer (Norbert) stierf in “Buchenwald”. Later bleek hij, op transport, in de trein aan tyfus overleden te zijn. De ander, Peter, stierf (waarschijnlijk) in Dachau.
Mijn ouders kregen slechts één brief van Norbert waar niet veel in stond. We zagen hem nooit meer terug. In het kamp had hij gewerkt als Rode Kruis hulp. Mijn ouders werd gezegd, dat Peter gedurende een mars van 25 km, naakt en barrevoets, gestorven zou zijn. Kampbewoners moesten naar het kamp “Dora” lopen en tijdens deze mars stierven veel van de kampbewoners, onder wie Peter, denken we.
Zover als ik me kan herinneren ging mijn zus Betty vroeg in 1944 naar Nijmegen. Mijn jongste broer Joop ging die zomer naar Overasselt. Hij woonde bij familie Kuppevelt, die een zuivelfabriek had. Hij was daar omdat er in Rotterdam nauwelijks te eten was. Hij had het er goed. Eind augustus ging hij weer terug naar Rotterdam. Betty bleef in Nijmegen en trouwde met Bernard Fokkinga tijdens de hongerwinter. Nijmegen was toen al bevrijd. De Amerikanen waren toen in Nijmegen.
Vroeg in maart 1944 ging ik terug naar “Heintje van het leie dak” te Groesbeek. Toen ik naast de spoorlijn aan het ploegen was, kwam Lam Muskens naar me toe en vroeg me of ik bij hem wilde komen werken. Op zondagmorgen moest ik de koeien melken, de rest van de dag was ik dan vrij en door de weeks verder al het werk doen wat op een boerderij moest worden gedaan.
Dezelfde dag pakte ik mijn koffer, wandelde over de spoorrails naar de boerderij van de Familie Muskens. Ik kreeg een kamer op zolder met een kleerkast, een stoel om mijn kleren op te hangen en een heel goed bed. Nadat ik er al een paar weken was, liep ik op de trap tegen een jongen op. Mij werd verteld dat dit “Nerus” was, Lam’s broer en dat hij zich schuil hield voor de Duitsers. Na onze ontmoeting voelde Nerus zich veilig in huis omdat hij me kon vertrouwen. Hij ging nooit naar buiten, behalve als het donker was. Lam had een zusje Marietje, een broer Fons en een broer Heint. Heint was in een klooster te Delft en wilde priester worden.

Vanwege het feit dat de Duitsers iedere keer in de buurt kwamen om mensen te zoeken om ze in Duitsland te werk te stellen, bouwden we op het achterterrein een schuilkelder, waarin vier mensen konden slapen. We sliepen er altijd wanneer we hoorden dat de Duitsers in de buurt naar mensen aan het zoeken waren.
Na hetgeen mijn andere broers was overkomen, gaven mijn ouders me wat geld, dat ik alleen mocht gebruiken in een noodsituatie of bij gevaar. Moeke Muskens maakte een zakje met een ritssluiting en een band eraan om hem om mijn nek te hangen. Ik deed er het geld in en een foto van een meisje, dat toen mijn vriendin was. Op ’n keer toen we in de bunker sliepen en het zakje me hinderde bij het inslapen, legde ik het op een schap in de schuilkelder en vergat het mee te nemen bij het eruit gaan.
Lam had een radio verstopt op zolder. We luisterden via de Engelse zender naar het nieuws over de oorlog. Na het nieuws kwam er muziek.
Op een middag kwam er een jonge man, die een slaapplaats en iets te eten wilde hebben. We dachten dat hij zich voor de Duitsers schuil hield, we gaven hem te eten en hij mocht op de hooizolder slapen naast mijn kamer. De volgende morgen, toen ik terugkwam van het koeien melken, was hij alweer weg. Die middag na even gerust en geslapen te hebben, merkte ik dat hij mijn polshorloge gestolen had!
Op 6 juni 1944 begon de invasie op de stranden van Normandië in Frankrijk maar wij in Groesbeek merkten daar weinig van. We hoorden het op de radio die op zolder stond. Ook vernamen we dat het maar heel langzaam opschoot. De Duitsers hier in Nederland waren wel zenuwachtig. Dat is alles wat we ervan wisten.
Op 5 september 1944, “Dolle dinsdag” zoals die genoemd werd, werden de Duitsers wel erg zenuwachtig en gingen op de vlucht. Ze kwamen lopend, op de fiets en met oude legervoertuigen waarop een “houtgasgenerator” gemonteerd was, om hout te stoken. De motoren liepen op gas. Ze lieten hun wapens achter. Sommigen gingen te voet terug naar Duitsland.
Wij waren natuurlijk blij en dachten dat de oorlog zo goed als over was. We gingen naar de schuilkelder en haalden er twee flessen Cognac, die Frans mij eerder gegeven had, om de bevrijding te vieren. Het was jammer dat we later hoorden dat de Duitsers zich gehergroepeerd hadden. Ze kwamen een week later op volle sterkte weer terug.
De buurman van mijn ouders in Rotterdam die lid was van de NSB had ook de kuierlatten genomen en vluchtte naar Duitsland.
Zo hadden we dus moeilijke weken totdat op 17 september 1944 om 2 uur ’s middags Amerikaanse parachutisten naar beneden sprongen en terechtkwamen op de velden en akkers van o.a. Muskens. Ook “Gliders” [zweefvliegtuigen gemaakt uit een aluminium frame en bekleed met canvas], die gesleept werden door motorvliegtuigen, landden op onze velden. Die morgen kwam ik uit de kerk en liep in het veld toen ik door een Engels vliegtuig werd beschoten en durfde me niet meer te bewegen. Ik lag daar vier uur voordat ik weer naar huis kon.
Rond twee uur hoorden we veel vliegtuigen overvliegen. Vanwege mijn eerdere ervaring buiten, gingen Lam en ik naar de hooizolder en keken door de hooideur naar buiten. De hele lucht was vol vliegtuigen en plotseling sprongen er duizenden parachutisten naar beneden. Tegelijkertijd zagen we “Gliders” rondom in het veld landen. Dit tafereel zal ik nooit meer vergeten. Nadat alles en iedereen beneden was, ging ik naar buiten, het veld in en ontmoette de eerste Amerikaanse soldaten. Ik sprak met hen in gebroken Engels en kreeg sigaretten van hen. De soldaten zeiden dat ik weer snel naar binnen moest omdat het de komende uren erg gevaarlijk zou worden. Op weg terug naar de boerderij, kwam ik twee Duitsers tegen die me vroegen of ik de Amerikanen had gezien. Ik had geen keus en zei “Ja” en ik wees naar de heuvel achter me. Ze knikten en zeiden me dat ik naar binnen moest gaan. Dat deed ik. Binnen vertelde ik van die Amerikanen en de twee Duitsers in de buurt van onze boerderij. We gingen met z’n allen de kelder in en bleven daar een poosje. Later gingen we weer naar boven voor een boterham en een kop koffie. Kort daarna werd het donker en we hoorden op de keukendeur kloppen.
Nerus deed open. Een Amerikaanse soldaat vroeg hem de weg naar een zeker punt op de kaart die hij Nerus voor hield. Nerus gaf aan op de kaart hoe hij er moest komen. De soldaat bedankte en gaf hem wat sigaretten en ging weg. Een uur later kwam er een Duitse soldaat, die vroeg of we Amerikanen hadden gezien. Deze keer zeiden we “Nee” en hij verdween.
De hele nacht gebeurde er verder niets meer. De volgende morgen zes uur ging ik als altijd de koeien melken en toen ik met mijn twee emmers over de spoorrails naar de koeien liep, zag ik een Amerikaanse soldaat in de greppel naast de rails. Ik ging verder en melkte de koeien. Toen ik weer terug kwam, vroeg de soldaat in de greppel me wat melk, hetgeen ik hem gaf.
Enkele uren later brak de hel los. We gingen met z’n allen naar de kelder en bleven daar de hele dag. Er werd overal om de boerderij heen geschoten. ’s Nachts hoorden we dat er Duitse soldaten op het erf van de boerderij waren en het schieten ging de hele nacht door. De volgende morgen, toen het helemaal stil was, gingen we ontbijten. Nerus ging naar buiten en zag een dode Duitse soldaat vlak voor de keuken liggen. Gedurende die maandagmorgen was het vrij rustig, maar ’s middags kwamen de Duitse soldaten in grote getale weer terug door het veld richting Groesbeek. Lam en ik zaten weer op de hooizolder en zagen de Duitse troepen gaan. Iedere keer floot een officier op een fluitje en de soldaten lieten zich vallen en kropen verder richting Groesbeek onder hevig vuur van de Amerikanen die in Groesbeek gelegerd waren. Na een tijdje werd het te gevaarlijk voor ons en gingen we terug de kelder in. Toen ik onderweg naar beneden was, keek ik uit het raam en zag de Amerikaanse soldaat in de greppel naast het spoor, die een handgranaat wilde gooien. Hij werd echter beschoten, de handgranaat ontplofte in zijn hand en hij stierf. Ik dacht dat het dezelfde soldaat was die ik die morgen te drinken had gegeven.
Diezelfde avond ging onze boerderij in vlammen op en we moesten via de koeienstal vluchten. Er lagen tenminste drie dode Duitse soldaten tussen de dode varkens. We renden naar de naburige boerderij die niet in brand stond. Daar was niemand thuis. We gingen hun schuilkelder in. Moeke en Marietje gingen naar de volgende boerderij en wij bleven de nacht in deze kelder omdat de oorlog om ons heen gewoon doorging.
Wij zagen vanuit de schuilplaats van de buren onze boerderij nasmeulen. Dinsdag, de volgende dag, was het weer rustig. Lam en ik gingen naar de buren waar moeke was. We kregen sandwiches, óók voor Fons en Nerus, die nog in die andere schuilplaats van de buren waren. Toen we onderweg waren, terug naar onze schuilplaats, werden we van twee kanten beschoten. Aan één zijde werd gestopt met schieten. We dachten dat dit de Amerikanen waren en kropen dus die kant uit. Maar helaas, we kropen de verkeerde kant uit. Het waren de Duitsers, dat zagen we te laat. De Duitsers namen ons mee de kelder in. We moesten daar wachten tot de volgende morgen. Woensdag, volgende ochtend, lieten ze ons even uit om te gaan plassen. Toen we buiten waren, was het erg mistig en we konden daarom ontsnappen door hard weg te lopen in de richting “De Horst”. We stopten bij bakkerij “Omens” op De Horst. Op weg naar De Horst, vond ik mijn tasje terug dat ik was vergeten mee te nemen uit onze schuilplaats. Alleen een foto zat er nog in. Het geld was weg.
We bleven bij de Omens in de kelder. We waren er met z’n elven, de Omens zelf, vijf kinderen, twee ondergedoken jongens en wij. Allemaal in een kleine kelder met een betonnen vloer, bedekt met stro en dekens. Gedurende de nacht bakte de bakker brood. Lam, ik en twee jongens molken al de koeien zover als we die in het donker vinden konden, sneden de poten van de dode koeien af en brachten die naar de het huis van de bakker. Na het broodbakken, legde de bakker het vlees in de oven om het te bakken, nadat we de poten eerst gevild hadden. De volgende morgen brachten we met vier man brood en vlees naar het nabije klooster. Op een avond hadden we 50 liter melk verzameld in twee bussen toen er een granaat viel. Een granaatscherf raakte de bussen. Al de melk liep die avond weg.
In dat klooster waren ongeveer 700 mensen uit de omgeving die er schuilden in de kelders. Lam, de twee jongens, de bakker en ik hielden hen op de been door er elke dag voedsel heen te brengen.
Op ’n dag, toen ik een flink stuk vlees droeg, vielen er granaten om ons heen. Ik sprong in een gierput en zat onder de stront en stonk als de ziekte. Toen ik er uit kroop, ging ik een huis in, pakte kleren uit een kast, kleedde me om en ging weer verder naar het klooster met het vlees. [Tussen haakjes; de kleren die ik “leende”, waren erg mooi. Ze behoorden toe aan een Nederlander, die voedsel inspecteerde voor de Duitsers.] Later werd ik geĂ«vacueerd vanuit “De Horst” naar Zutphen, waar ook de eigenaar van de kleren was. Ik moest ze uitdoen en aan hem teruggeven. Hij gaf me andere, oudere kleren om te dragen.
We bleven in de kelder tot 21 oktober 1944. In die tijd vielen er overal granaten en overal was geweervuur om ons heen. Op een avond hoorden we een Duitse soldaat om zijn moeder schreeuwen. “Mutti, Mutti” Het duurde een hele tijd. Het was afschuwelijk om te horen.
Op een nacht viel er een granaat op het huis van de bakker. Gelukkig kwam hij via de “spouw” van de zijmuur terecht in een houten deurkozijn. [Een spouw is de ruimte tussen de stenen buitenwand en binnenwand van een muur, die in totaal ±27 cm dik is.] Tot onze verbazing explodeerde de granaat niet.
De Duitsers maakten een bunker en hadden een groot kanon naast het huis van de bakker. Op een avond vielen de granaten vlakbij. De volgende morgen zagen we een soldaat de bunker uitkomen, met een verband om zijn hoofd. We vroegen hem of hij geraakt was. “Nee”, zei hij, “Ik stootte mijn kop tegen de balk boven de ingang.” Hij moest zo hard rennen om de bunker in te komen en stootte zodoende zijn hoofd.
’s Nachts waren we deeg aan het mengen met blote voeten omdat er geen elektriciteit was. We hoorden granaten vallen en renden de kelder in met het deeg nog aan onze voeten. We haalden het deeg eraf en deden het weer terug in de deegkuip toen we weer boven waren. Toen we op een avond in de kelder waren, kwam een Duitse soldaat binnen met het geweer in de aanslag en nam heel onze voorraad aan vlees, fruit enz mee.
Ik hoorde een verhaal van een gebeurtenis op het klooster een dag tevoren.
Tijdens de nacht ging een oude man naar de WC op de eerste verdieping, granaten vielen op het klooster en explodeerden in het gebouw. Hij kreeg een hartaanval en stierf. Op hetzelfde moment verloor een jongen zijn arm en werd aan het hoofd gewond en stierf later.
In het klooster was een demente man, die de nonnen aan hun kleren en voeten trok en de hele dag het “Gloria” en het “Credo” uit de r.k. mis zong. Om te voorkomen dat hij de nonnen aan hun kleren trok, werd hij met elektriciteitsdraad aan een ladder vastgebonden. Hij kon nog wel zingen, maar hij kon niemand meer wat doen. Een dag later, nadat we voedsel hadden gebracht, zat ik op de keldervloer en een meisje zat naast me op een bank. Plotseling vielen er weer granaten. Het meisje werd gewond aan haar been door granaatscherven. Het bloed spoot er uit. Maar ze merkte het helemaal niet, tot ik bloed op mijn bloes kreeg en het haar zei.
De nonnen vroegen ons om hun dingen van waarde zoals goud, zilver enz. te begraven. We groeven een groot gat in de tuin, zetten planken tegen de zijkanten van het gat en stopten de dingen van waarde in het gat en terwijl we dat deden, vielen er weer granaten overal, op het klooster en in de tuin. Twee mensen met de handen vol met zaken van waarde werden geraakt. Ze stierven ter plekke.

Er waren veel gewonden die dag. Lam en ik hadden geluk omdat we net binnen waren toen dit gebeurde! We begroeven de twee mannen in de tuin. Na de bevrijding was het klooster totaal verwoest.
Uiteindelijk, op 21 oktober 1944, werden alle mensen van “De Horst” en het klooster geĂ«vacueerd naar Duitsland. Gedurende die avond moesten we 10 km lopen naar “Kranenburg”. We moesten ook die gekke kerel, die nog steeds op de ladder vastgebonden zat, meedragen. Tijdens onze mars vielen er iedere keer granaten en doken we iedere keer in een greppel om te schuilen. Maar lieten de man op straat liggen. We bereikten tenslotte Kranenburg en werden in de kerk ondergebracht om te overnachten.
De volgende dag stopten de Duitsers ons in vrachtwagens en brachten ons door “Emmerich”, dat nog steeds in brand stond, naar ” ’s Heerenberg” over de Nederlandse grens. Twee uur nadat we Kranenburg verlaten hadden, werd Kranenburg verwoest en de kerk brandde tot de grond af.
In ’s Heerenberg werden we door het Nederlandse Rode Kruis opgevangen. We moesten al onze kleren uitdoen om gedesinfecteerd te worden. Iedereen deed dat. Ik had honderden luizen omdat ik steeds in het hooi had geslapen. We werden helemaal met DDT behandeld om de luizen te doden die nog op ons lichaam zaten. Onze kleren werden gewassen, die we later terug kregen. We kregen te eten en sliepen die nacht in een school. De volgende morgen moesten we naar Zutphen lopen, waarnaar we geĂ«vacueerd werden. Dat was 80 km. Ik verliet de groep bij een boerderij van Holtzhuis in het dorp Vierakker. Bij Holtzhuis ontmoette ik die voedselinspecteur van de Duitsers, wiens kleren ik aan had. Lam stopte bij een andere boerderij.
Tijdens de voetreis moest ik een kruiwagen duwen met twee kinderen erop en nog wat spullen die helemaal naar Zutphen gebracht moesten worden.
Tijdens ons oponthoud in Vierakker hielpen we verscheidene boeren met het aardappelen rooien. We ploegden de velden om ze klaar te krijgen voor de winterzaden. Iedere dag dat ik werkte, kreeg ik fl.2.50. ’s Avonds kaartten we of deden soms andere spelletjes.
Op de boerderij van Holtzhuis waren ook een jonkheer en jonkvrouw. Ze sliepen er allen. De jongedame in een bedstee, een ingebouwde diepe kast met een matras en kastdeuren, zodat hij overdag aan het zicht onttrokken was. Het plafond van de bedstee was laag. Boven de bedstee was een open ruimte en als je boven op zolder was, kon je van boven in de open ruimte kijken boven de bedstee. In die ruimte was stro. In dit stro sliep ik. De zoons van de boer zeiden lachend, dat ik boven op de jongedame sliep.
We hoorden dat er in Rotterdam erg honger geleden werd. Lam en ik gingen toen van de ene boerderij naar de andere om voedsel te verzamelen. We hadden ±80 kg voedsel bij elkaar verzameld, waaronder spek, ham, worst, eieren, boter, erwten, brood enz. In de laatste week van november 1944, laadden we alles op de fiets en reden ermee naar Rotterdam over allerlei smalle en slechte weggetjes om te voorkomen dat de Duitsers ons zagen. We zouden al het voedsel kunnen kwijtraken als ze ons gepakt zouden hebben. Een keer hadden ze ons te pakken en namen ons mee naar het bureau van de plaatselijke “Ortskommandant”. Lam gaf op slimme wijze een verklaring en zei dat we op de fietsen spullen hadden die de Duitsers in Rotterdam nodig hadden. Gelukkig voor ons geloofden ze Lam en we konden verder gaan. Halverwege Rotterdam overnachtten we bij hele goede vrienden van Lam. De volgende dag kwamen we in de loop van de middag aan op het G. W.Burgerplein. Mijn ouders waren heel blij ons te zien, maar waren nog blijer met al dat eten. We sliepen een nacht bij mijn ouders. Daarna ging Lam naar zijn broer die in een klooster woonde en voor priester studeerde. Dit klooster was in Delft.
Dezelfde dag dat Lam vertrok, ging ik terug naar Vierakker en verzamelde enkele dagen weer voedsel. Op 5 december 1944 had ik ±45kg, laadde het op mijn fiets en roeide ermee over de “IJssel”, de boer trok de boot met een touw terug en ik ging naar Rotterdam. Ik bleef een nacht bij dezelfde vrienden als voorheen. De volgende morgen, op weg naar Rotterdam, hadden Duitsers mensen gevangengenomen die ze ter plekke executeerden. De reden hiervoor was dat de Engelsen het Duitse hoofdkwartier, waar Seiss Inquart verbleef, hadden gebombardeerd zonder hem te treffen.
De “Ondergrondse” had via de radio aan de Engelsen doorgegeven dat Seiss Inquart er was. De hele dag had ik in de greppel naast de weg gelegen en zag dat de mensen doodgeschoten werden. Later hoorde ik dat de Duitsers daar 180 mensen op die plek hadden gedood! Die dag waarop al die mensen geĂ«xecuteerd werden, zal ik nooit vergeten. Het was heel verschrikkelijk dit te zien, dat kan ik je wel zeggen. Ik bleef de hele nacht in die greppel en ik was helemaal doornat.
De volgende dag, zo nat als ik was, ging ik verder naar Rotterdam waar ik diezelfde dag aankwam. Mijn ouders waren weer blij mij en het eten te zien. Ik bleef slechts drie dagen thuis en ging toen weer naar Vierakker. Toen ik door Zutphen reed, was de weg buiten de stad overstroomd. Ik moest door ± 60cm water fietsen om bij de boerderij in Vierakker te komen.
Op de hoek van de zijweg stond een Duitse truck die volgeladen was. De soldaten waren in de boerderij. Ik kroop op de truck en opende het zeildoek aan de bovenkant. In de truck vond ik allerlei kleren en leren laarzen, broeken en truien. Ik stal een paar laarzen, een broek en een trui. Op de boerderij zag ik dat de laarzen verschillend van uiterlijk waren, maar wel dezelfde maat. In ieder geval droeg ik ze.
Ik verzamelde weer voedsel voor de volgende trip naar Rotterdam. Ik had niet veel tijd nodig voor ik weer een hoop voedsel had. Een boer gaf me een grote hoeveelheid spek die samen met het andere eten te zwaar voor mijn fiets zou zijn. Tussen haakjes, mijn fiets had géén luchtbanden, maar stroken autobanden, die strak om de velgen gespannen waren. Daarom was het zo moeilijk en zwaar om op de slechte wegen te fietsen. De boer stelde voor om het spek via het Rode Kruis te versturen. Hij verpakte het in een sterke gesloten doos en gaf het mee aan de chauffeur die van wanten wist. De chauffeur zei me dat hij er goed voor zou zorgen en dat het veilig bij mijn ouders terecht zou komen.
Op 23 december reed ik naar Rotterdam en overnachtte op hetzelfde adres waar ik dat eerder deed. De volgende dag ging ik verder maar mijn fiets begaf het en ik moest nog 8 km afleggen. Ik pakte mijn fiets op en droeg hem met het eten en al en liep er mee naar huis. Ik was heel bang dat de Duitsers me het eten zouden afpakken omdat het een heldere dag was. Ik had geluk, er gebeurde niets. Ik kwam moe thuis op 25 december 1944. Het was Kerstmis en ik kon niet op een beter tijdstip thuiskomen. Mijn ouders en iedereen waren heel gelukkig. We hadden een fijn kerstdiner met goed eten en vader opende een fles wijn om die dag te vieren.
Vanwege mijn kapotte fiets moest ik langer thuis blijven. Ik at maar weinig omdat ik bang was dat ik te veel zou nemen van de anderen, die het harder nodig hadden. Ik was 20 pond lichter geworden in de tijd dat ik thuis was. Gedurende die tijd dat ik thuis was, werd het spek door het Rode Kruis afgeleverd. Er was geen stukje spek uit! Ik sliep al die tijd in de huiskamer op de bank. Op een morgen om 6 uur hoorde ik auto’s voor de deur stoppen en toen ik uit het raam keek, zag ik Duitse soldaten. Acht soldaten kwamen naar ons huis. Ik pakte mijn lakens en dekens en rende zo snel ik kon naar boven. Ik haalde Martien uit z’n bed en wij verstopten ons in een ruimte bij de deur naar het dak. De soldaten bonkten op de deur. Ena deed na veel getreuzel open. Drie van hen kwamen binnen die op zoek gingen naar Martien. Ze lieten een foto van Martien zien aan mijn ouders. Ze zeiden dat Martien ontsnapt was uit een fabriek in Duitsland waar hij verondersteld werd te werken (Junker vliegtuigenfabriek). Ze doorzochten het hele huis van boven tot onder maar vonden ons niet. (Een van hen, een officier, zei tegen mijn moeder “Zeg uw zoon dat hij zo snel mogelijk moet verdwijnen”. Een andere man, Eddie van Baarle, van de “Ondergrondse” net als Martien, werd die dezelfde dag opgepakt en geĂ«xecuteerd.)
Later vertelden de buren, boven het NSB huis, ons dat ze met nog twee soldaten op het dak waren en dat er soldaten achter- en opzij van het huis waren.
Er was géén elektriciteit meer. Martien had een standaard onder het achterwiel van een fiets gemaakt en een dynamo op het wiel gezet en een leiding naar een lamp boven de tafel. Als we op de fiets “reden” hadden we een lichtje boven tafel. We moesten om beurten “fietsen” anders zou het voor een persoon te vermoeiend zijn. Niemand kon ons lichtje zien, daar er voor alle ramen (papieren) verduisteringsgordijnen waren. (We maakten ook “carbidlampjes” van blikjes en hard wordende mastiek uit de zaak. De lampjes waren de schroefdraad van zaklantaarnlampjes, gevuld met die mastiek. Hierin was een dun spleetje waardoor het carbid gas kwam. Dit staken we aan. Het gaf dan een fel klein lichtje. Dit carbid kochten we van iemand die vader kende.) Emile en ik braken in bij de buurman via een kelderraampje.
Dit was een “N.S.B.er” die op 5 september naar Duitsland was gevlucht. Binnen vonden we veel kachelhout en kolen (antraciet).
We hadden een kleine plattebuiskachel in de woonkamer, maar niet genoeg hout en kolen om te stoken. We vonden juten zakken die we met kolen vulden. We hadden ± 20 volle zakken die we bij de voordeur neerzetten. Dan konden we deze ’s avonds, als het donker was, ophalen. Toen we hiermee halverwege waren, ging de voordeur open en kwamen er familieleden van de N.S.B-.ers binnen. Die mensen waren blij dat hun oom kolen en hout bij de voordeur had neergezet. Intussen hadden wij ons ergens verstopt in de kelder.
We waren achteraf blij dat we maar de helft bij de voordeur hadden staan. Die mensen keken niet meer in de kelder voor nog meer en namen voor lief dat wat bij de voordeur stond, alles was. Gelukje voor ons!
Nadat de familie weg was, hebben we de rest bij de voordeur gezet om ’s avonds op te halen.
De volgende dag gingen we weer terug naar de buurman omdat we gemerkt hadden dat daar stroom was. Ik nam een elektrische boor mee en boorde een gat naar onze kelder. Met een elektriciteitskabel maakte ik een verbinding tussen hun en onze meterkast. We hadden nu stroom. Omdat vader bang was dat iemand het zou merken, mochten we alleen licht in de woonkamer en in de keuken maken.
(Een poosje later was er alléén maar stroom als de Duitsers in de buurt razzia’s hielden. We waren dus gewaarschuwd!)
Vader drong erop aan dat ik een zak kolen naar mijn oom bracht. Ik nam dus een kleine fiets uit de kelder en ging naar mijn oom. Ik was bang dat de Duitsers me zouden opmerken, maar er gebeurde niets en ik kwam veilig bij hem aan. Mijn tante gaf me wat te drinken en ik ging naar huis. Onderweg zag ik dat de Duitsers bezig waren iedere man op te pakken die ze tegenkwamen. Ik schuilde in een portiek en zag een kleine jongen met iets in zijn hand, die naar de rij Nederlandse mannen ging. Toen hij te dicht bij de rij kwam, schoten de Duitsers hem dood. Ik stond te bibberen van angst.
Achter ons huis was een park met smalle voetpaden die aangelegd waren met kolengruis en kolenafval. Veel mensen kwamen hier en groeven met kleine schepjes die paden helemaal op om de kooltjes eruit te halen. Die stookten ze dan in hun kachels.
We zagen ook veel mensen die vuilnisbakken openden om te zien of er iets in lag dat te eten was. De meeste mensen (ook wij) kookten “suikerbieten” en aten de pulp op. Soms ging wat ervan over was, in de vuilnisbak. Dat aten de mensen, die de vuilnisbakken afstroopten, weer op.

Ena en ik gingen per fiets veel naar de boeren om eten te vragen. Op ’n keer zei een boer dat we net zoveel suikerbieten mochten hebben als we mee konden nemen. Maar de bieten lagen onder water. Ena en ik gingen hoe dan ook het water in, dat ±60cm diep was. We laadden zoveel mogelijk op onze fietsen. We namen ze mee naar huis. We kookten ze op de plattebuiskachel, maakten er pulp van en trokken er siroop van.
Veel mensen aten ook bloembollen, ook die uit eigen tuin.
Er was in het westen van Holland niets meer te eten, omdat de Duitsers zelf óók niets meer hadden.
Iedere nacht vlogen er geallieerde vliegtuigen over Rotterdam naar Duitsland en de Duitsers schoten er dan op. Het was altijd gevaarlijk voor de burgerbevolking, want als een vliegtuig geraakt werd, lieten de piloten hun bommen ergens in het wilde weg vallen. Dit gebeurde vaak en er zijn zo heel wat mensen omgekomen. De Duitsers hadden al eerder de HBS aan de overkant bezet. Op een avond toen er geen maanlicht was, gapte ik daar een Duitse fiets, die ik mee naar huis nam. Dit was in de laatste week van januari 1945. Op 7 februari besloten Ena en ik naar Vierakker te gaan om meer voedsel te halen. We zeiden niets tegen onze ouders en we gingen 8 februari ’s morgens 4.30 uur op pad. Ena verloor een moer van haar voorwielas. Het werd te gevaarlijk om op haar fiets verder te gaan. Naast de weg zagen we een Duitse militaire post met luchtdoelgeschut. We gingen er naar toe. De soldaten waren erg vriendelijk tegen Ena. We kregen een boterham met vlees. Terwijl we aan het eten waren, maakte een van de soldaten Ena haar fiets. We gingen daarna weer op weg. Ik was al die tijd bang dat ze mij zouden pakken, omdat ik de Duitse laarzen, broek en trui droeg, die ik eerder uit die Duitse truck had gestolen. Maar alles liep op rolletjes. Toen we die avond in Vierakker aankwamen, kregen we goed te eten. We barstten van de honger en gingen daarna slapen. De volgende dag gingen we voedsel verzamelen hetgeen twee dagen duurde om genoeg te hebben voor de terugreis van Ena. We wisten dat Ena niet terug kon via Zutphen omdat op de brug Duitsers waren die alles in beslag zouden nemen van mensen die er overheen zouden komen. De boer adviseerde ons haar ’s nachts naar de IJssel, bij Zutphen te brengen en haar dan met een roeiboot over te zetten. De volgende morgen om 6 uur laadden we Ena met haar fiets in een roeiboot, maakten een touw aan de boot en roeiden haar naar de overzijde. Ena stapte met haar fiets uit de boot, de boer trok de boot met het touw weer snel terug. Ena zei me later, dat het haar twee dagen gekost had om weer in Rotterdam te komen en dat ze verder geen problemen had gehad. In de nabijheid van Vierakker hadden de Duitsers in die winter een startbaan voor “V-l’s” gemaakt. Dit is een soort vliegende bom. Deze “V-1’s” werden afgevuurd op Engeland en naar het zuiden, BelgiĂ« en Frankrijk. Ze brachten veel schade toe aan alles wat getroffen werd. Soms dwaalden ze af en vielen dan in Nederland. Een van die V-1’s viel op het huis van mijn zus Ria en haar man Burt in Waalwijk dat totaal verwoest werd. (Zij bleven gelukkig ongedeerd.)
Veel later vernam ik dat het bevrijdingsleger, dat in de winter werd opgehouden, weer optrok en op weg was naar Duitsland. Dit was dezelfde dag dat we van Rotterdam naar Vierakker gingen, n.l. op 8 februari 1945. De Canadezen waren onderweg naar het noorden en het oosten van Nederland. De provincies Noord- en Zuid Holland, Utrecht en Zeeland waren nog steeds bezet. In deze provincies werd veel honger geleden, vooral in de grote steden. Deze tijd werd later ook de “HONGERWINTER” genoemd. Alléén al in Rotterdam stierven 14.000 mensen van de honger! In Amsterdam en Utrecht was het even erg. Ook in deze steden stierven 16 ĂĄ 17.000 mensen. Vanuit Engeland kwamen nu ook de voedseldroppings op gang. De vliegtuigen kwamen bijna elke dag heel laag overvliegen, wanneer ze voedsel dropten. Veel mensen stierven door honger-oedeem want hun gestel kon dit goede voedsel niet meer verdragen.
Tijdens de maand maart 1945, toen ik aan het ploegen was op de boerderij in Vierakker, kwam een goederentrein langs, ongeveer 300 m van mij vandaan. Plotseling kwam er een “Spitfire- jager” zo laag over, dat ik hem zou kunnen aanraken. Het ging zo snel, dat ik hem nauwelijks gehoord had. Hij schoot op de trein en weg was hij weer. Hij raakte de locomotief, die kapot ging en de trein kwam tot stilstand. Ik zag intussen dat de trein vol met gevangenen zat, die uit de wagons probeerden te vluchten. De mensen kwamen allemaal mijn kant uit en de Duitsers begonnen op hen te schieten, de kogels vlogen over mijn hoofd toen ik me op de grond liet vallen. Veel gevangenen werden gedood.
De Zondag daarna, nadat de mensen de kerk verlaten hadden en in grote getale naar huis gingen, kwam er heel laag een Spitfire-jager over die begon te schieten. Niemand raakte gewond. Het leek wel een waarschuwing dat de mensen niet meer op straat moesten komen.
Vroeg in de morgen van 2 april, bevrijdden de Canadezen onze streken. Dit ging gepaard met veel oorlogsgeweld, veel schieten en bombarderen, terwijl wij allen de kelder in vluchtten. Vanuit het kelderraampje zag ik een Canadese soldaat die met een vlammenwerper een bunker aan de rivieroever bestookte. De Duitse soldaten kwamen, sommigen brandend, de bunker uit rennen. In de namiddag werd het stiller. De oorlog rond Zutphen was voorbij.
Toen ik buiten kwam en naar de “IJssel” liep, zag ik één dode Canadese soldaat liggen en veel Duitsers waarvan sommigen totaal verbrand waren. In Zutphen had het leger mensen nodig die Duitse sluipschutters wilden opruimen. Ik meldde me aan als vrijwilliger en werd aangenomen. Ik moest 24 uur op wacht staan en dan had ik 24 uur vrij. Ik kreeg fl.24.- per dag. Een dag na de bevrijding waren de Duitsers hier en daar nog aan het schieten. Toen we op wacht stonden, schoot een Duitser op mij en mijn maat. We keken rond en we zagen een venster van waaruit geschoten werd. Ik mikte, schoot, waarna ik een kreet hoorde. We gingen kijken in dat huis en vonden in de kelder van het huis waaruit geschoten werd, een jonge Duitse officier die dood was.

Daarna controleerde mijn maat zijn geweer en bemerkte dat er géén patronen meer in zaten. We waren er allebei erg van overstuur.
Op 5 april 1945 trokken de Nederlandse troepen Zutphen binnen. Op kop van de legereenheid reed een jeep waarin prins Bernard zat, gekleed in een legeruniform. De mensen in Zutphen werden helemaal gek. Ze dansten, gooiden bloemen en juichten. Waar die bloemen ineens vandaan kwamen, weet ik nu nog niet. Het leger hield me slechts 14 dagen in dienst, waarna ik terug ging naar Holtzhuis, waar ik nog een poosje bleef. Op 8 mei ging ik per fiets terug naar Groesbeek. Toen ik de familie Muskens vond in Welling’s huis viel Moeke flauw, toen ze me zag. Dit omdat ze gezien had, dat er op Lam en mij geschoten was, toen we de boerderij uitgingen om Nerus en Fons brood te brengen. Al die tijd, sinds 19 september, dacht ze dat we dood waren. Het eerste wat Moeke vroeg toen ze bijkwam, was waar Lam was en of hij nog leefde. Ik zei haar dat alles in orde was en dat Lam bij Heint in het klooster in Delft was. Lam kwam twee weken later terug.
Ik ging terug naar de plaats waar de boerderij van Muskens had gestaan. Alles lag in puin. De dode soldaten lagen er nog steeds sinds september 1944. Ik liep rond in de velden en vond een klein houten kistje naast de veldweg onder een laagje grond verstopt. Toen ik het onderzocht, dacht ik dat het een “boobytrap” was. Ik legde het kistje in een diep gat waar de boerderij had gestaan en gooide er een baksteen op. Ja hoor, het kistje ontplofte. Het was dus een boobytrap. Toen ik op weg naar huis was, vertelde mij een oude boer die ik tegenkwam, dat hij een been verloren had op dezelfde plek waar ik die kleine boobytrap gevonden had. Men vertelde me ook dat het hele gebied daar één Duits mijnenveld was.
Het ruimen van het mijnenveld kostte me ±4 maanden en ik ruimde ongeveer 2000 boobytraps en 300 antitankmijnen. Ook vond ik een paar geweren, een Amerikaanse en twee Canadese geweren, een Duits machinegeweer en een Canadese brengun. Ook vond ik een dode Amerikaanse soldaat die ik in het mijnenveld begroef waar ik hem gevonden had.
In de maand september 1945 werd een “Noodwoning” met aanpandige schuur gebouwd op het erf van de familie Muskens. Hij werd geplaatst op een wei naast de plaats waar het huis had gestaan en ongeveer 15 m vanaf de spoorlijn van Nijmegen naar Kranenburg in Duitsland.
Op deze spoorlijn reden alléén ’s nachts goederentreinen. De noodwoning was gebouwd met een 1⁄2 steens muur, +10 cm, met een betonnen vloer. Wanneer de trein voorbij kwam, schudde het huisje op zijn grondvesten. Je was gelijk klaar wakker door dat verschrikkelijke lawaai van de trein.
Midden juli 1945 bracht het Engelse leger Duitse gevangenen om mijnen te ruimen op hun eigen mijnenvelden die ze in september 1944 hadden aangelegd. Iedere zaterdagmorgen bliezen ze de mijnen en boobytraps, die ze geruimd hadden, op. Ze bliezen de mijnen altijd op dezelfde plaats op. Na een poosje was het gat dat ontstond, ongeveer 15 meter diep.
’s Zaterdags deden ze dat niet. Op een zaterdag kwamen drie broers met paard en wagen naar het gat vol mijnen. Twee van hen daalden er in af om te kijken of er iets was dat ze konden gebruiken als souvenir. Ze moesten wel iets stoms gedaan hebben omdat het hele zooitje de lucht in ging. De jongens werden in stukken gereten. De derde jongen vluchtte met paard en wagen richting Groesbeek. Hij had geluk dat er verder geen mijnen in die omgeving lagen. Op die dag stond ik bij de Wellings onder de douche en hoorde de explosie waarvan ik vermoedde dat die van die grote kuil met mijnen was, die dicht in de buurt van onze boerderij was. Ik kleedde me snel aan en Lam en ik sprongen op de fiets en gingen in ijltempo naar de plek waar het gebeurde. De politie en andere mensen waren al op weg naar onze boerderij. Wij moesten hen de weg wijzen door het mijnenveld om bij de plek des onheils te komen. We moesten met z’n allen naar de twee jongens zoeken, maar we vonden slechts delen van een hoofd, een stuk van een arm en een stuk borst. Verder vonden we niets meer van de twee jongens.
Eind augustus of begin september begon ik met het ploegen van het (geruimde) deel van het mijnenveld dat aan Muskens toebehoorde en de rest van de akkers. Slechts twee boobytraps waren omhoog gekomen op het veld dat ik geruimd had. Ik liet het paard ongeveer 10 meter vóór de ploeg lopen en ik liep ongeveer 10 meter achter de ploeg. De twee boobytraps explodeerden echter niet.
Het enige gedeelte van het veld dat ik niet kon ploegen, was het pad dat de tanks gemaakt hadden toen ze richting Duitsland reden. De grond was te hard geworden voor de ploeg.

Opmerking:
Toen Groesbeek bevrijd was en de oorlog was beëindigd [rond begin april- mei 1945], ging Frans terug naar het Boshuis en zag dat alles kapot was. Deuren, bedden, alles wat de Canadezen voor schuilplaatsen konden gebruiken, was weg. Het huis was helemaal leeg.
De muren en plafonds waren helemaal zwart van het roet. Dit werd veroorzaakt door het stoken van met zand en benzine of olie gevulde blikken. Met deze z.g. “kachels” verwarmden ze alle kamers.
Er was maar één badkamer met WC in huis. Dat vonden ze niet genoeg. Ze maakten een houten stellage boven het keldergat en haalden de trap weg om op te stoken. Ze gebruikten de stellage om in de kelder te poepen. Ook gooiden ze etensresten, brood, blikjes enz. de kelder in. Het stonk er dan ook vreselijk toen Frans terugkwam.
En dit was dan het hoofdkwartier van de Canadese officieren met staf!
Het kostte Frans en mij (Jules) minstens twee weken om al die stinkende rotzooi met een kruiwagen er uit te halen en alles weer schoon te maken.



Leo als Prins Carnaval 1963, gezin Emile x Ankh, 1963 & 2005

Leo als Prins Carnaval, Venlo 1963FOTOs/19630000-carnavalVenlo-Leo.jpg

Gezin Emile x Ankh:

dec 1963FOTOs/19631200_Emile_Ankh-Ivo-Milian.jpg 25 sept 2005FOTOs/20050925_Emile_Ankh-familie.jpg

Groepsfoto Antoon-x-Riet 35 jaar, 5 september 1974

FOTOs/19740905-Antoon-x-Riet-35jaar-1.jpg FOTOs/19740905-Antoon-x-Riet-35jaar-3.jpg FOTOs/19740905-Antoon-x-Riet-35jaar-2.jpg


Verzetsherdenkingskruis voor Martien van Stokkum, 16 april 1982

Burgemeester van Mook en Middelaar

Aan
De heer en mevr. B. Fokkinga-van Stokkum
Alijda van Spangensingel 11
Rotterdam N.

Onderwerp: Uitnodiging.

MOOK, 16 april 1982

Het is mij een genoegen u mede te delen, dat aan de heer M.J.M. van Stokkum, Mozartstraat 2 te Molenhoek, voor zijn werk in het verzet tijdens de oorlog 1940-1945 het Verzetsherdenkingskruis is toegekend.

De uitreiking van deze onderscheiding aan de heer van Stokkum zal door mij geschieden op vrijdag 7 mei a.s. om 16.00 uur in het gemeentehuis.

Ik zal het zeer op prijs stellen indien u bij deze plechtigheid aanwezig wilt zijn.

De burgemeester van Mook en Middelaar,

P.W.A.M. Thijssen.


Brussen-rij 1983

FOTOs/19830904-Brussenrij.jpg


Brief bij FAMILIEBOEK-aanvullingen, 1987

door Antoon van Stokkum, Nijmegen, 11 mei 1987

Beste broers en zusters, zwagers en schoonzusters,

FOTOs/Voorblad-Familieboek-000.jpg Eindelijk ben ik ertoe gekomen, om aan vaders verzoek : het vermenigvuldigen van bladen die in het door hem aan ieder van ons verstrekte FAMILIEBOEK ontbreken, te voldoen.

Hiermee, en met het herdrukken van de meest slechte doorslagen, ben ik ruim 3 maanden konstant bezig geweest. Vergeleken met de vele jaren die vader dag (en nacht, soms) aan zijn hobby besteed heeft, is dat niet veel.

Omdat onderstaande aantekeningen niet in het Familieboek thuis horen, vermeld ik die per brief.

  1. De te vervangen bladen kunnen vernietigd worden, nadat eventueel daarop voorkomende foto’s verplaatst zijn en/of daarop door vader gemaakte aantekeningen overgenomen zijn.
  2. De kosten voor vervaardiging van 4000 st. op kwarto-formaat gesneden en van gaten en ronde hoeken voorzien papier, alsmede voor het bedrukken van 3000 vel (meest aan 2 zijden) en de koop het van de vervolg-mappen, zijn voldaan door afschrijving van/restbedrag van de erfenis, waarover wij nog beschikken.
  3. Voor belangstellenden bevinden zich in de Archiefkast nog enkele foto’s van voor-ouders en ons gezin, die in het Familieboek kunnen worden opgenomen.
  4. Wie zelf over foto’s beschikt die ik als “copie” opnam, kan die over de gecopiĂ«erde foto’s plakken.

Voor overige informatie, zie VOORWOORD II, blz. 3-a.
Graag verneem ik t.z.t. of ieder FAMILIEBOEK nu kompleet is. Succes ermee, en hartelijk gegroet,

Antoon van Stokkum,
Meijhorst 20-46
6537 GB Nijmegen
tel: 080 - 44 03 02


Brief van Antoon met verslag van zijn verjaardag, 1987

Beste Leo & Trees, Frans & Bep, Jules & Nelly,

Nu mijn 75-jarige verjaardag achter de rug is, stuur ik jullie een kort verslag ervan.
Alle van Stokkums en Nijzen, met echtgenoot, waren aanwezig, van 16 tot ca 22,30 uur.
Een welkomst-woordje door de jarige schoot erbij in, omdat Ria Vrij snel het woord nam:

Ik wil even ’n woordje tot Antoon zeggen.

Vorige week liep ik door Maastricht, langs de Pastoriemuur, waarin een heel klein Antonius-kapelletje is.
Ik wist, dat daarin een beeld van St. Antonius staat.
Het kapelletje is zĂł klein, dat, toen ik erin stond, het eigenlijk helemaal vol was.
’n Klein kapelletje, met één bidstoeltje, ’n boeketje en ’n lichtje.
Antonius staat daar met het kindje Jezus op z’n linker arm - met in z’n rechterhand een broodje, dat hij naar beneden, aan een bedelaar geeft, die half gekleed is.

Ik stond daar ’n beetje te mijmeren en moest toen aan jou denken. Eigenlijk heeft Antoon z’n patroon-heilige goed na-geleefd, want, wat zal er in de loop van de jaren wel niet door zijn rechterhand verdwenen zijn naar mensen waarvan hij, en ook Riet, dacht dat nodig was om anderen gelukkig te maken.
Toen ik daar zo stond dacht ik aan het verschil in geven. Toen, zo van bĂ©ven naar benĂ©den - vernederend. Het geven van jullie is zo on-opvallend mogelijk - ’n beetje verontschuldigend. Ik weet daarvan mee te praten.
Jullie maken het de mensen die ontvangen, die je goed willen doen, heel gemakkelijk. Dat werkt opbeurend - bevrijdend.

Dat viel me, al mijmerend, op. Er zullen nog wel meer eigenschappen van je naar voren komen, vandaag. Toch is er nog iets, wat ik even wil zeggen. Wat mij altijd weer opvalt is, dat wat Antoon met z’n woorden zegt, ook in z’n leven tot uitdrukking komt - dat z’n woorden en z’n leven-zelf één geheel vormen. Dáș„t vind ik een van de mooiste eigenschappen, hetgeen maar van weinig mensen gezegd kan worden.

Ik herinner mij dat vader, op z’n 80-ste verjaardag, zittend in ’n rolstoel, ’n brief kreeg van ’n grote concurrent. Daarin stond, dat vader in z’n leven gewoekerd had met z’n talenten. Vader was daar erg gelukkig mee. En ik denk, dat je dat van Antoon ook kunt zeggen; dat hij ontzettend gewoekerd heeft met z’n talenten.

Antoon, ik wens je, voor je verdere levens-jaren een heel goede gezondheid en daarbij een groeiend vermogen om ĂŽĂŽk te genieten van alles wat nog mogelijk wordt.

Met het weer troffen wij het niet - we moesten binnen blijven. We hadden net stoelen genoeg voor de 19 aanwezigen. Doortje, de zus van Nelly, die ons die dag hielp, niet mee-geteld.

Kort nadat Ria uitgesproken was, nam Gerard het woord.

Ook ik zou graag iets willen zeggen.

Je hebt ons uitgenodigd hier naartoe te komen, en daar hebben we graag gevolg aan gegeven, omdat 75 jaar toch wel een bijzonder lange periode is.
Met 25 jaar schiet je al wat op in ’t leven.
Na 50 jaar kan je wat terug-zien op wat het leven bracht; aan goeds - aan slechts.
Op 75-jarige leeftijd kun je, omkijkend zien, wat het leven voor je was en wat het gebracht heeft.
Ik heb hierover iets, in dichtvorm, op papier gezet.

Als oudste kind van Piet en Betsie kwam jij in 1912 hier op d’aard
en hierdoor werd voor jou het leven van zorgen zeker niet gespaard.
Want jij moest de eerste, zo-niet de allerbeste zijn.
Op broers en zussen moest jij altijd letten, ook al was dat niet zo fijn.
Want al had jij dan de oudste rechten, van plichten kreeg je ook jouw deel.
Voor jezelf moest je blijven vechten, wat moeite kostte vaak en veel.
Maar je kende altijd weer je plichten zo dikwijls als het werd gevraagd.
Jouw hulpvaardigheid en goedheid, die waren immer onversaagd.
Geen verjaardag of partijtje van broer of zus of neef of nicht
kon ongemerkt aan jou voorbijgaan, zonder een bericht.
Altijd stuurde jij, dat was zeker, goede wensen en-zo-voort,
met daar-aan dan ook steeds verbonden, eventjes een ernstig woord.
Nu word je weer een dagje ouder en voelt de druk der dagen wel
en moet je het wat kalmer aan doen met je zorgen voor dat stel.
Wij willen je nu graag bedanken voor alles wat je voor ons deed,
en hopen dat nog vele jaren, wij mogen delen, lief en leed.
En dat je samen met je Riet, nog heel lang van het leven geniet,

en dus zingen wij: lang zal hij leven !

Toen we uit-gezongen waren, vervolgde Gerard:

Tijdens onze reis, van Maastricht hiernaartoe, met ons drieen (Ria, Ena en Gerard) zijn we even “voor ’t goede doel” in Kevelaer langs gegaan (waar de Paus kortgeleden was) en daar hebben we dit voor jou mee gebracht (een 20 cm groot hart van koek met als opschrift : Gruss aus Kevelaer) dat mij werd omgehangen (als Paus-fan, maar niet heus). Grote hilariteit!

Even later vroeg Betty het woord: De tekst van het refrein wordt door Gerard voor-gezongen. Melodie: Daar kwam ’nen boer uit Zwitserland. Ka-de, ka-dol-le-ke, kĂ©-da.

Antoon was de eerste van een groot gezin Dat was een goed begin En voorbeeld geven was een hele toer hij dacht : het helpt geen ene moer Maar Antoon, kijk eens om je heen Wij zijn toch engelen van top tot teen.

En dan vervolgt Betty:

Antoon en Riet dat is een byzonder stel
dat weet ik wel, toch wll ik kiet nu even terzijde buigen
om speciaal over Antoon te getuigen.
3/4 eeuw is hij op dee’s aard
en zeker een hulde waard.

Als oudste van een jong gezin
was hot een ideaal begin.
Opa’s en Oma aaiden over zijn bol
ooms en tantes bezorgde hij veel lol.

refr.

Al spoedig lag er een ander in de wieg
en ik geloof niet dat ik lieg,
óók Antoon was trots op zijn zusje,
hij gaf haar héél voorzichtig een kusje.

Ze konden al gauw samen spelen,
plezier en pijntjes delen.
Maar de ooievaar kwam de rust verstoren
want “broertje” werd geboren.

refr.

Die jongen dik en gezond
kroop al gauw in het rond,
en alle dingen voor de oudsten “heilig”
waren voor het broertje niet veilig.

Antoon en Ria, ze zullen het beamen,
voor “broertje” moesten ze zich vaak schamen.
Hij gooide zand in de soep
terwijl de kok stond te zwoegen,
in de taxi maakte hij een troep
door daar worteltjes in te spoegen.

refr.

Dansen en schaatsen, het is haast niet te geloven,
waren tijdens zijn jeugd uit den boze!
Op straat spelen was “ordinair”
en veel andere dingen “vulgair”.

Er zijn nog “10” broertjes en zusjes gekomen
daar zal ik nu niet te véél over bomen.
Joop en Emile, die sloten de rij,
wat was er een drukte in de brouwerij.

refr.

Kusjes geven, zoals in het prille begin,
schoot er geleidelijk aan bij in.
Ach wat waren ze onschuldig en iel,
die kleine Joop en Emile.
Antoon beschermde ze tegen die grote knullen
die soms zo bitter weinig duldden.

Er kwamen ook andere zorgen
die bleven voor hem niet verborgen.
Vader tobde over geld en het kantoor,
Moeder bromde: “ze gaan allemaal op het verkeerde spoor”!

refr.

Daar plotseling, met daverend geweld
kwam hij op zijn “stoomfiets” aangesneld.
Claxoneren, gasgeven en gierend remmen,
ons enthousiasme was niet te temmen.

Accordeon spelen voor de K.M.T.S.V.
we mochten naar het kampvuur met hem mee.
Boekjes stencelen op de tekenzaal,
hij maakte het mee, allemaal.

refr.

Op volksdansen heeft hij zijn hart verloren,
dĂĄĂĄr is zijn grote liefde geboren.
Een meisje, handig, lief en heel mooi haar,
ik vond haar prachtig, dat is heus waar.

Een naaimachine was hun eerste koop,
de uitzet begon met een laken en een sloop.
Er werd hartstochtelijk gerekend,
de meubels zelf getekend.

refr.

En wéér was er een pril begin.
Het flatje, ach, het was zo naar hun zin.
De zon op ’t balcon, de sterren in de gang,
bij het maanlicht: wang aan wang.

De oorlog kwam hun dromen wreed verstoren,
doch, daar willen we vandaag niets over horen.
En de ooievaar, dat nare beest,
is nooit eens langs geweest.
Dat gaf teleurstelling en verdriet,
zowel voor Antoon als voor Riet.
Hun idealen, die bleven bestaan,
dĂĄĂĄr zijn ze mee aan het werk gegaan.

refr.

Er volgden jaren van geluk en voorspoed,
Waalwijk, Cantecleer, het ging hen goed.
Broers en zussen vlogen uit,
zowel naar noord, alswel naar zuid.
Petekinderen werden aan hen toevertrouwd,
Vader en Moeder werden oud.

En ondanks hun drukke bestaan
hebben Antoon en Riet veel voor hen gedaan.
Ze luisterden aandachtig, leefden mee
ja, niets was teveel voor die twee.

refr.

Cantecleer liep als een trein,
dat was natuurlijk fijn.
Maar de “idealen” kwamen in het nauw
dĂĄt was niet wat Antoon wou!
En op een mooie dag
ik denk, dat ik het zeggen mag,
baalde Antoon van al dat werk
hij preekte liever in de kerk!
Dus: Cantecleer verkocht,
een huisje gezocht.
De draaimolen moest erin
Oh, dat was een moeilijk begin.

refr.

Ze wonen nu ideaal
dat weten we allemaal.
Zorgen gingen hun deur niet voorbij,
maar zeuren of klagen?
’t is er niet bij.

“Aardse wensen?
Ach kom toch mensen,
ik heb alles wat mijn hartje begeert”
dĂĄt is wat Antoon steeds beweert.
Toch, vanaf het verre verleden
tot op de dag van heden
is er een wensje, de moeite waard
en “niet” van stoffelijke aard.
Met zijn ouders durfde hij zoiets niet te bespreken
want dat waren toen “brutale” streken.

Antoon zelf, vindt zijn voornaam een lichte last,
die niet helemaal bij hem past.
Daarom zullen we je vandaag “her”dopen
en hopen
dat je met deze “nieuwe” naam
nog vele jaren met Riet mag gaan
in Werkzaam-Geluk en Vrede!

Hierna hing Emile mij een rond plaketje om, waarop de tekst :

11 mei 1987
TOON 75

(Ik had verteld, dat ik ANTOON niet zo’n mooie naam vond, maar die niet wilde veranderen, omdat mijn ouders mij zo genoemd hadden)

FOTOs/Antoon-75jaar-etc-004__page_0_Picture_7.jpg

Na een borreluurtje boden wij de aanwezigen een koud-buffet aan. Toen Betty en Bernard aanstalte maakte om te vertrekken (zij moesten nog naar Rotterdam - Ria, Ena & Gerard bleven slapen bij Joop & Corry) bedankte ik de aanwezigen als volgt:

Tot slot van mijn verjaardag-viering wil ik graag een paar woordjes zeggen.
Eerlijk gezegd, had ik niet veel zin om mijn verjaar-dag - de 75-ste - te vieren. Ik voelde wel, dat ik er niet onderuit kon, om mijn dankbaarheid te tonen voor het 3/4 eeuw in leven mogen zijn. Riet zei ’n paar maal dat ik een welkomstwoordje moest voorbereiden omdat ik zo moeilijk voor-de-vuist-weg spreek. Ook dáár had ik weinig zin in. Wat moet ik zeggen ? Dus stelde ik het alsmaar uit. Tot vanmorgen 7 uur toen bedacht ik: Veel, zo-niet álles, hangt af van “toevalligheden”.

Jullie hebben mij vandaag wel veel pluimen toebedeeld, maar De Ă©nige verdienste die mij aangerekend zou kunnen worden is misschien, de wijze waarop ik heb ingespeeld op “toevalligheden” zoals:

Toevallig zag vader kort na mijn geboorte, nadat 2 artsen mij dood- verklaard hadden, dat ik nog leefde, en doopte hij mij snel boven de wastafel. Onmiddellijk leefde ik weer op van schrik ? van het koude water?

Toevallig logeerde ik steeds bij tante Anna en oom Martien als ik ’n zusje of ’n broertje kreeg, waardoor ik de ooievaar iedere keer mis liep.

Toevallig had moeder een neef, directeur van Dekkerswald, waar ik op 6-jarige leeftijd, een half jaar kon kuren, na een long-ontste- king.

En toen ik jaren later TB had en een jaar aan zee moest kuren, woonden voornoemde oom en tante toevallig in Kijkduin. Voor de 2e keer miste ik een school-jaar.

Toevallig hoorde oom Frans dat ik op 14-jarige leeftijd nog in de 4e klas zat en zei hij dat kĂĄn toch niet!
Toevallig had vader een chef-tekenaar die mij tekenles en meetkunde. kon bijbrengen en konden mijn ouders privé-lessen betalen in nederlands en rekenen.

Is het toeval ? dat vader een vriend had die direkteur was van een vaktekenschool, waardoor ik, zonder lagere school, aangenomen kon worden.

Ook de directeur van de M.T.S. was toevallig een vriend van vader, zodat ik ook daar een streepje voor had.
Als lid van de kath. M.T.S. vereniging, de KMTSV, vroeg men mij toevallig om daarvan secretaris te worden.
Toevallig kende vader een architect die mij als volontair in dienst wilde nemen wel tegen betaling van f 25,- per 3 maanden.

Toevallig hoorde vader dat de KMTSV graag over een kampeer-gelegen- heid wilde beschikken en bood hij grond en financiën aan, als ik het ontwerp mocht maken. De KAMPHUT werd mijn éérste uitgevoerde bouwwerk.

Toevallig vroeg Karel Blom mij, of ik wilde deelnemen aan volks-dans-cursus hij kwam jongens tekort. Het werd mijn eerste kennismaking met meisjes.

En héél toevallig ontmoette ik Riet op deze cursus!

Toevallig overleefde ik de oorlog, anders dan mijn broers Norbert en Peter.

Toevallig had ik in Waalwijk een zus en zwager wonen, die mij woonruimte aanboden, om mij aldaar, na de oorlog, als architect te kunnen vestigen.

Toevallig logeerde Riet met de vrouw van onze huisarts in een bungalow met volledig pension, dat mij op het idee bracht, een bungalowpark te beginnen.

Nadat de gemeenteraad van Groesbeek besloten had dat ergens in de gemeente een bungalowpark zou moeten komen, diende ik “toevallig” kort daarop, een verzoekschrift daartoe in!

Toevallig hadden wij geen kinderen en was Riet bereid om medewerking te verlenen om zo’n bedrijf op poten te zetten en te runnen, anders was dat niet gelukt.

Toevallig vonden wij, toen de tijd daar was, een koper voor Cante-cleer.

En weer toevallig wees een vriend ons op dit huis, in een wijk, waar wij beslist niet wilden zoeken, en waar wij nu heerlijk wonen.

Intussen gebeurde er veel meer.

Toevallig vroeg pater Gianotten ofm van de Bosjeskerk te R’dam, dat mijn parochiekerk niet was, mij, om ná pater Borromeus de Greeve, namens 200 jongeren, het woord te voeren over de nood-toestand in Franco-Spanje. Het werd mijn eerste preek - 50 jaar geleden.

Toevallig hoorden wij van onze kok, Koos Korstjens, veel lof over een jongeren-koor in de Dennenstraat-parochie-kerk - daar bleven wij kerken.

Toevallig vroeg een pater mij deel te nemen aan een liturchiegroep en voor huisbezoek - en later voor preek-beurten.

En is het toeval, dat ik veel gevoel heb voor beelden en beeld-spraak? Daardoor kwamen veel posters over samen-kerk-zijn, open-brieven, wenskaarten e.d. tot stand.

Toevallig leerde een dominee mij kennen en attendeerde hij mij op mijn bijbelkennis en profetische gaven.

Toevallig adviseerde een pastoraal-werker mij: schrijf een verhaal over je 50-jarige inzet voor Kerk en Maatschappij. Het werd de Bundel: “’n Ander gezicht van de Kerk”.

ZĂł kan ik doorgaan.

Ik geloof, dat het in ’t leven aan-komt op: gehoor geven aan door God geplande ? of voorziene ? of toegelaten ? toevalligheden, en dat het de kunst is, daarop zo goed mogelijk in-te-spelen. Dat heb ik geprobeerd - meer niet - geholpen door de Geest.

Dat jullie hier zijn is géén toevalligheid. Jullie zijn genodigd én gekomen, t.g.v. mijn 75-ste verjaar-dag. Ik ben dankbaar, deze leef-TIJD bereikt te mogen hebben én dankbaar voor jullie komst en de wijze van mede-leven.

En zo deden de van-morgen gemaakte aantekeningen voor een vóórwoord toevallig dienst als dÀnk-woord als afsluiting van een zeer geslaagde, fijne, verjaar-dag!

Allemaal bedankt!

Antoon

En onder het motto “beter een slechte copie dan helemaal geen”, nog deze twee foto’s:

FOTOs/Antoon-75jaar-etc-fotos-1.jpg FOTOs/Antoon-75jaar-etc-fotos-2.jpg


Brief van Frans over het FAMILIEBOEK, 15 sept 1987

Gedeelte uit ’n brief van Frans, over het FAMILIEBOEK, gedateerd 15-9-’87

Beste Antoon.

Vorige week heb ik het Familieboek vernieuwd, aangevuld en geordend. Ik begrijp nu beter dat je daar een enorme klus aan gehad hebt, waarvoor ik je hiermede nog eens extra wil bedanken.

Van deze gelegenheid heb ik gebruik gemaakt om het Familieboek van A. tot Z. te lezen en te bestuderen, want Vader schrijft over zeer interessante zaken, zoals vermeld in de Inhoudspogave, o.a. de No. 7-8-9-56 over zijn Natuursteenbedrijf, No. 60n over de H.Hoenderberg en de Panoramaberg en de vakanties aldear.

Van No. 11 t/m 52 en 56 over familienamen – Stambomen-boeken – Familiealbums – Familieboeken en boekjes. Generatie-overzichten: alles zeer interessant beschreven en ook zeer wetenswaard. Maar het kost wel veel tijd en inspanning om het goed te volgen.

No 53 over Jeugd-herinneringen – reis-herinneringen en over Vrijstelling Antoon, Alfons, Frans en Leo (van Militaire dienet). No 55 over Norbert en Peter (dat was een openbaring voor me). No 56 Verloving Voorouders en Ouders. No 58/60 Overzichten, verlucht door Vader en Antoon, met vele foto’s – tekeningen, bidplaatjes – uitknipsels en gedichten.

Vader heeft ons beslist iete moois nagelaten – mooier dan b.v. een KUNSTWERK van GOYA – en ook van meer bijvende waarde dan GELD.

En ik kan jou, Antoon, daarom niet genoeg danken, dat je me, door het vele verrichte copiewerk, geanimeerd hebt om daar achter te komen. Nu weten wij meer van onze Voor-ouders dan van onze neven en nichten.

Aldus Frans, ca 10 jaar voor zijn overlijden.


Verjaardagsbrief van Jules aan Frans, 25 aug 1996

Grave, 25 augustus 1996

Beste Frans,

Het is nogal eens voorgekomen dat ik jou met je verjaardag veel te laat schreef, het goede moment om tot actie over te gaan en de pen ter hand te nemen liet ik voorbij gaan sowieso is tot actie te komen voor mij lastig, daarvoor heb ik een lange aanloop nodig. Nu weet ik dat je binnenkort 80 jaar jonger wordt en daarom maak ik gebruik van de zondagsrust om je bij deze alvast geluk te wensen met deze bijzondere gebeurtenis in leeftijd die zonder meer respect afdwingt. Je bent de vierde al van ons grote gezin die dit bereikt. En hoe. Je lange leven, daar mag je daar mag men nu van spreken, is zeker niet gemakkelijk geweest. Mijn vroegste herinneringen aan jou zijn dat je ernstig, bijna ascetisch, keek. Dat laatste woord kende ik natuurlijk nog niet. Maar je was ook geestig, maakte grappen waar broers en zussen en de ouders om lachten, vooral als ze zelf geen startoffer waren van je spitse opmerkingen. Ik herinner me dat je op een speelse manier onze hulp Tony plaagde en haar zelfs beneden in de tuinkamer kietelde, dat vond ik als peuter die erbij stond heel erg. Wat later had ik het voorrecht om de slaapkamer met je te delen. Soms deed ik net alsof ik sliep en zag je ijverig pennen aan een heel indrukwekkend bureau met veel laatjes. Je volgde een schoonschrift cursus geloof ik. Of waren het toen al liefdesbrieven waar je zo je best op deed? Wist ik veel?

Voordat je in bed stapte, bad je op je, knieĂ«n nog wel, de hele rozenkrans. Als bij al die 50 weesgegroetjes het woord “schoot” kwam, boog je heel devoot je hoofd. Mooi om te zien. Ook kon je verschrikkelijk kwaad worden. Dan werd je wit van drift. De reden waarom ontging mij, maar ik maakte mij uit de voeten, bang dat er klappen zouden vallen. Later hoorde ik dat dit niet sporadisch voorkwam bij ons thuis.

Ik zag je eens oefenen met een dienblad met van alles erop, want je was van plan om Hofmeester te worden. Dat was na de periode van de uitvindingen. Ik herinner me een vernuftig apparaatje om aan het rijwiel te bevestigen, waarvoor weet ik niet meer. En wat was dat ook weer met bakeliet, die donkerbruine kunststof, daar was je geloof ik vertegenwoordiger voor. Je ziet een kleine jongen kan al die indrukken nauwelijks vatten. In de oorlogsjaren maakte ik je mee als ik op de Hoenderberg mocht logeren. Je liep altijd in een wit zomerkostuum en trok veel aandacht van het vrouwelijk schoon om je heen. Er waren veel meer meisjes dan jongens op vakantie, in die tijd. Ik geloof dat ik wel een beetje trots was op jou dat je al die aandacht kreeg. Soms zag ik je heel lang ernstig voor je uitkijken, dat maakt de indruk op me, dat waren vast heel diepzinnige gedachten! Toen ik weer eens op de Hoenderberg kwam, liet je me trots de geheime kelder zien en de jeneverstokerij. Via een gang onder de grond kwam je in het hondenhok uit. Fantastisch, wat je daar allemaal klaar speelde. Je had een ezel die steeds wegliep. Dan kwam een boer haar/hem terugbrengen en moest je zijn onkosten vergoeden. De jeugdjaren die ik in Groesbeek mocht doorbrengen, behoren tot de beste jaren in mijn leven. Nu ik dit allemaal zo opschrijf, denk ik ook aan die week die ik op jouw kosten in de Lijsterbes mocht doorbrengen. Dat was toen ik op de Academie zat en jij en Beppie op vakantie waren. Het dienstmeisje kwam toen speciaal voor mij koken. Prachtig dat je dit zo voor mij geregeld hebt. Laatst was ik op de Hoenderberg en heb er bij het kruis gestaan en het huisje gezien. Het is er nog precies zoals vroeger, daar beneden

Maar intussen zijn er veel jaren verstreken. Jullie zijn naar Mallorca gegaan en het contact is minder geworden. Een keer heb ik jullie bezocht, In dat mooie huis, en ik heb je auto geleend en rondgereden. Van mijn plan om weer eens naar Mallorca te gaan is niets gekomen, tot nu toe.

Langer dan een jaar leef je nu zonder Bep en moet je het doen met de herinneringen aan haar. Hopelijk hebben die jou de kracht gegeven om verder te gaan, de tijd die je nog gegeven is. Hoe lang? Zo lang als je er zelf nog van kan genieten, hoop ik voor jou, Frans. In redelijke gezondheid, dat wel. Dat de kinderen en kleinkinderen je nog lang die levensvreugde mogen geven die je verdient. En de dagelijkse dingen om je heen, waar je mee kan leven en naar kijken. Ik hoop dat je een mooie verjaardag zult hebben en besluit met veel groeten,

je broer Emile


VAKANTIE-HERINNERING, door Antoon, dec 2000

herinnering aan de reizen per Jan-Plezier van het gezin van Stokkum-Vogels in de jaren van 1920 t/m 1930 van Nijmegen naar Groesbeek. Antoon van Stokkum, de oudste van 13, december 2000

Bijgaande afbeelding in De Gelderlander van 6 november 2000 doet mij denken aan de vakanties in de jaren ‘twintig’ v.d. vorige eeuw, als ons gezin, vanuit Rotterdam naar Groesbeek reisde waar wij de grote vakanties doorbrachten.

FOTOs/koets.jpg

Vooraf liet vader 2 coupé’s reserveren in de stoomtrein van Rotterdam naar Nijmegen voor zijn gezin met 13 kinderen, ’n kinderjuf en ’n dienstbode.

Bij het station Nijmegen stond de Jan-Plezier van de heer Braam gereed om ons naar zijn hotel Gelria in Groesbeek te vervoeren.

Voorbij hotel Sionshof, onder aan de toen sterkere helling, stopte de koets. Daar moesten alle kinderen (behalve de 2 jongsten) uitstappen, omdat (volgens vader) de twee paarden de volle kar niet de stijle grindweg konden optrekken.

Verderop, bij Groesbeek, de Stekkenberg afdalend kwam ’n stoet kinderen achter de Jan-Plezier aan-hollen, bedelend om ’n centje.

Werd daarop niet ingegaan, dan gooiden de kinderen steentjes naar ons.

Vader wist dat dit zou gebeuren. Daarom vulde hij in R’dam ’n zak van zijn colbert met centen. De Stekkenberg afdalende, strooide vader dan als ’n Sinterklaas-in-burger.


Groepsfoto bij “Antoon 90 jaar” en “Riet 85 jaar”, 2002

FOTOs/20020604-groepsfoto-Antoon90-Riet85.jpg


Vrijwilligers in beeld – een plaatselijk artikel over Antoon en Riet, 2002

FOTOs/Antoon-75jaar-etc-007-fotos.jpg

Een negentiger
Antoon van Stokkum

FOTOs/Antoon-75jaar-etc-008__page_0_Picture_5.jpg Op zondag twee juni was er een Jubelmee-viering voor Antoon van Stokkum, die onlangs 90 is geworden en voor zijn vrouw Riet, die in augustus 85 wordt. Al dertig jaar lang houdt Antoon van Stokkum zich bezig met het thuis bezoeken van parochianen en nog steeds doet hij dit vol enthousiasme.

Het begon allemaal in de Dennenstraatparochie, waar hij lid was van het parochiebestuur. Ouderen vertelden daar dikwijls dat zij het jaarlijkse huisbezoek door pastoor of kapelaan erg misten.

Ze voelden zich hierdoor minder bij de kerkgemeenschap betrokken en wie, door ouderdom en ziekte, niet meer naar de kerk kon, verloor het contact met de parochie voorgoed.

Antoon van Stokkum stelde toen voor om deze huisbezoeken door andere kerkbetrokkenen te laten doen. De pastors vonden dat een goed idee en gaven hem toen vijf namen en adressen om als proef mee te beginnen. Al snel ervoer Antoon dat het een of meerdere keren per jaar bezoeken van (vooral) oudere mensen erg op prijs werd gesteld. Toen hij en zijn vrouw twintig jaar geleden naar Dukenburg verhuisden, vroeg Antoon dan ook meteen aan pastor Theo van Grunsven of hij het bezoeken van parochianen hier mocht voortzetten. En ook hier waren, en zijn nog steeds, veel mensen blij met de bezoeken. Helaas reageert niet iedereen (meteen) enthousiast. Sommige mensen hebben geen behoefte aan een gesprek en bij sommige andere mensen moet hij wel vier keer langsgaan voor de mensen echt tijd voor hem hebben of bereid zijn tijd voor hem te maken. Achteraf blijkt wel vaak dat juist op deze adressen de zinnigste gesprekken plaatsvinden.

Antoon van Stokkum geniet van de gesprekken die hij met de mensen voert en de mensen genieten van het praten met hem. De gesprekken verlopen steeds weer anders. Sommige mensen vertellen hele verhalen uit zichzelf, blij om hun hart te kunnen luchten, terwijl andere mensen wat afwachtender zijn. Soms probeert hij vragenderwijs kerk, geloof of godsdienst ter sprake te brengen.

Voor parochianen die door ouderdom of ziekte nooit meer naar de kerk kunnen, verzorgt hij dan Communie-aan-huis-diensten.

Als hij mensen heeft bezocht stuurt hij hen vaak ook nog een wens als ze jarig zijn. Het is zijn gewoonte om familie en kennissen uitgebreide felicitaties te sturen. Aan de hand van een te kiezen afbeelding, schrijft hij dan een verhaal in beeldspraak, hopend dat de jarige daardoor geraakt wordt. Op deze wijze schreef hij ook brieven aan de paus en aan kardinaal Simonis.

Door de vele bezoekjes en gesprekken leert Antoon natuurlijk veel mensen goed kennen. Als iemand komt te overlijden die hij jarenlang heeft bezocht, spreekt hij tijdens de uitvaartdienst ook vaak de Gedachtenis uit.

Mariska Menken

Antoon ontwierp Kerst- en Vredeswensen, waarvoor zijn nicht Milian een bijpassende tekening maakte:

toen en nu: MENSEN ONDERWEG NAAR VREDE EN GEBORGEN-ZIJN; hoe lang nog? 
was er voor Jozef en Maria geen plaats in de Herberg
 nog is er voor Vluchtelingen geen onderdak in de Wereld!FOTOs/Antoon-75jaar-etc-008__page_0_Picture_15.jpg


Rede over Ria van Stokkum (96 jaar) door Emile, 13-11-2009

FOTOs/Ria-van-Stokkum-met-teksten-gedichten-005__page_0_Picture_1.jpg Het is verre van eenvoudig om mijn zus Ria te kenschetsen, al heb ik mijn jeugdjaren met haar doorgebracht en heb ik later een aantal jaren bij haar op Kasteel Ryckholt gewoond. Ik leer haar beter kennen wanneer ik in 1983 naar Grave ga en wij elkaar sindsdien regelmatig bellen en schrijven. Meermalen logeer ik bij haar in Maastricht en zij logeert ook twee maal in Sambeek, nadat ik in 1997 naar Ankh ben teruggekeerd. Tussen Ria en mij bestaat een speciale band, dat beseffen wij allebei. Aan haar heb ik veel te danken.

Als klein kind wordt Ria door opa Vogels op schoot genomen en over haar hoofd geaaid. Het zal haar altijd bijblijven. Tot haar elfde groeit Ria op als meisje tussen zeven broers. Dat is wel eens moeilijk, maar het maakt haar ook sterk. Dan worden de zussen Betty en Ena geboren, gevolgd door nog drie broers, waaronder ik.
Ria gedråågt zich ook als een jongen en daarom wordt ze naar een kostschool van de zusters Urselinen in Roermond gestuurd. Het is dezelfde kostschool waarop moeder een voorbeeldige leerlinge is geweest. Het verschil tussen moeder en dochter is groot. Ria spreekt geen Frans in de pauze zoals moeder, die altijd een gouden kruisje om haar hals droeg, omdat ze iedere maand een gouden kaart kreeg met minder dan 10 strafpunten. Haar dochter krijgt 2 maanden een zwarte kaart met 30 strafpunten en daarna helemaal geen kaart meer, omdat ze méér dan 30 strafpunten heeft. De nonnen begrijpen Ria niet. Zoals jongens gooit ze op de speelplaats een bal bovenhands, waardoor een bril geraakt wordt, die kapot valt. Ze wordt streng gestraft. Wanneer er een weekend is, dat de meisjes naar huis mogen, wordt ze zomaar in een klas opgesloten om strafregels te schrijven. Het is een warme zondagmiddag en ze zit met haar benen uit het raam, in plaats van een schrift vol te pennen. De zusters schrikken zo, dat ze een verdieping lager wordt geplaatst, om haar beter in de gaten te kunnen houden. Die kostschoolperiode, van haar 12e tot haar 14e jaar, is Ria zeer ongelukkig,

Ria gaat naar de Mulo in Rotterdam. In het 2e jaar komt ze thuis om moeder een poosje te helpen, die op dat moment geen hulp heeft. Haar hele leven behoudt Ria een goede band met haar moeder. Van haar leert ze om tegenslagen te overwinnen. Er is een uitspraak van moeder, die ze meer dan eens herhaalt: “Ria je moet in het leven met alle moeilijkheden klaar zien te komen”.
Met 16 jaar gaat ze voor een jaar naar een kostschool in Engeland om er de taal te leren en óók nog een jaar naar de familie van een groevemeester, een goede zakenrelatie van vader in Duitsland, om ervaring op te doen in het huishouden.

Ik herinner mij dat er bij ons thuis grote ingelijste pastels van haar aan de muur hingen, die ze op de avondacademie in Rotterdam tekende. Als ik in 1947 op de academie kom, zeggen de leraren Bijl en Glansdorp, die haar zelfs nog kennen: “Jouw zus heeft talent”. Jaren later zal Ria weer gaan tekenen met viltstiften, kleine abstracte kleurige werkjes. Het zijn juweeltjes, in één woord.
Ria is niet alleen artistiek, ze ontwerpt haar eigen sandalen, ze is ook muzikaal: ze speelt piano en gitaar, waarbij ze mooi zingt. Ze heeft net als haar moeder een fraai handschrift.

Een nicht is verpleegster in Alkmaar. Misschien is de verpleging iets voor Ria? Het wordt een grote teleurstelling. De nicht laat haar links liggen en in het eerste jaar moeten de leerlingverpleegsters vooral dweilen en poetsen. Ze houdt het dan ook niet lang vol. In die tijd is Ria erg godsdienstig. Ze overhoort mij de catechismus, waarvoor ik een 10 op het rapport krijg. Ze gaat als vrijwilligster speelgoed repareren bij de zusters van BethaniĂ«, die haar tevergeefs voor het kloosterleven proberen te strikken. Trouwens, moeder-overste vindt Ria bij nader inzien toch te opstandig


De verlovingstijd met Dré Bollen duurt kort, want Dré, die mij als kleuter op de schouders neemt, komt helaas bij een tragisch auto-ongeluk om het leven. Op dat moment, 5 november 1934, kan Ria daar niet om huilen; pas 30 jaar later kan ze dit grote verdriet toelaten.

Vanaf 1936 organiseert haar broer Antoon vakanties voor groepen in de Kamphut en het Boshuis op De Hooge Hoenderberg te Groesbeek. Hij vraagt aan Ria om toezicht te houden. Ze gaat dan ook voor de groepen koken.

In 1937 neemt Ria het vakantiewerk van Antoon over. Met vriendin Hiske, die huishoudkundige is en geleend geld van vader, begint ze een vakantieverblijf voor meisjes in het Boshuis en voor jongens in de Kamphut. De huur wordt per maand betaald. Eerst slapen de jongelui op strozakken op de grond, later worden er houten stapelbedden aangeschaft. Zo’n vakantie heb ik meegemaakt: slapen op strozakken in de Kamphut, eten van stapels witte boterhammen met jam aan lange tafels in de buitenlucht, spoorzoeken en kampvuur. Hiske trouwt en Ria gaat alleen verder met het vakantieverblijf.

Na het bombardement van Rotterdam fietst Ria in mei 1940 naar Groesbeek. Ze gaat kijken of het Boshuis er nog staat. Bij de Hoenderberg aangekomen stapt ze af. NĂč dringt het pas goed tot Ria door, dat de kleren die ze aanheeft en haar fiets het enige zijn wat ze nog bezit. Ze blijft daar en maakt in het zomerseizoen een nieuwe start met het vakantieverblijf. Haar broer Frans komt meehelpen. Zij bedenken zelf de naam Jeugdhotel, omdat er voor hun jonge gasten geen verplicht corvee is, zoals in de meeste jeugdherbergen. Zij krijgen alléén de taak hun eigen bed op te maken. De administratie wordt door Frans gedaan en Ria gaat op de fiets levensmiddelen halen, zorgt met meisjes uit het dorp voor de huishouding en kookt. Mijn broer Joop en ik genieten er van een vakantie. In de bossen vangen wij hagedissen en slangen, die wij in Rotterdam verkopen.

Ria leert in die tijd Burt kennen, waarmee ze in 1944 op 30 jarige leeftijd trouwt. Het paar gaat in Waalwijk wonen, waar ook Burt’s ouders wonen. Frans gaat alleen met het Jeugdhotel door, bijgestaan door zus Betty.
In Waalwijk raakt Ria voor de tweede keer al haar spullen kwijt, omdat er vlak voor de bevrijding een V1 op hun huis valt. Op 5 mei 1945 wordt Neal geboren en 11 maanden later Annelies. Omdat Burt Amerikaan is, gaat hij eind augustus 1946 naar Amerika en hij bereidt daar een emigratie voor. De meubels worden verkocht en Ria wacht en wacht

Uiteindelijk keert Burt onverrichterzake terug en gaat weer verder met zijn leerfabriekje. In 1949 wordt Marius geboren.
Burt’s ideaal is toch een Jeugdhotel. Daarom gaan zij in 1950 naar Zuid-Limburg, en beginnen er het Jeugdhotel Kasteel Ryckholt. Samen bouwen zij het bedrijf op; Burt doet de administratie en de inkopen, Ria leidt de huishouding en kookt er voor dikwijls meer dan 100 gasten. Als ik nu een oude Fiat 500 zie rijden, dan denk ik aan haar. Dan zie ik weer hoe ze op zaterdagmorgen het wagentje tot het dak toe vollaadt met slaapzakken, om deze vervolgens naar de wasserij te brengen.
Op Ryckholt wordt nog een zoon geboren. De kamer, waaruit die morgen de laatste gasten vertrekken, moet vlak voor de bevalling worden ingericht. Ria is op het laatst 
.
De dokter komt binnen en zegt: “Direct het bed in”. Een halfuur later ziet Joost het levenslicht.

Het huwelijk kende vanaf het begin hoogte- en dieptepunten. Misschien tegen beter weten in blijft Ria het steeds opnieuw proberen, tot het echt niet meer gaat. Ria vertrekt met de vier kinderen naar een flat in Maastricht. Het jeugdhotel wordt door Gerard en Ena in 1968 overgenomen en door hen voortgezet. Een jaar later is de scheiding tussen Ria en Burt een feit. Neal en Joost emigreren naar Canada. Wanneer alle kinderen de deur uitzijn, verhuist Ria naar een appartement in De Heeg. Ze is gediplomeerd schoonheidsspecialiste en in haar “lelijk eendje” bezoekt ze een drietal jaren enige dames voor een behandeling aan huis. In het oude hofje “Twaalf Apostelen” te Maastricht woont Ria 10 jaar, vanaf 1990 tot 2000, om daarna naar “De Koepelhof” te verhuizen, waar ze nog steeds een appartement bewoont. Ze heeft de tijd om aan zichzelf te werken: leest veel, doet aan autogene training, neemt deel aan gespreksgroepen. Ook heeft ze jarenlang een geestelijk begeleider.
Ria vertelt hier openhartig over. Het begint met de verwerking van de dood van DrĂ© Bollen. Na een tijd vraagt ze haar begeleider hoe lang dit proces zal duren. Hij weet het niet. Enkele jaren later zegt ze vol trots: “Ik ben er”.
Voor de ontwikkeling van het kind vanaf de geboorte heeft Ria veel belangstelling. Het openen van de geest is pas mogelijk, wanneer een kind zich geborgen voelt en het ook liefdevol wordt aangeraakt. Antoon maakt een ontroerend filmpje van Ria met Manon in haar armen.

Ze neemt afstand van de R.K.Kerk. Over het leven na de dood maakt ze zich geen voorstelling. In 2002 schrijft ze: “Wat heb ik zelf moeten worstelen om tot ander denken te komen, om alle denken daarover los te laten en af te wachten. De zin van ’t leven is het leven zelf. Ik richt mij volledig op”Het hier en nu”, want anders ben ik met twee dingen bezig”.
Haar motto is: “Je leven doorgeven”.
Ria leeft gráág, ze kan echt genieten van gewone dingen, zoals ’s morgens het drinken van ’t eerste kopje koffie. Alles krijgt steeds meer betekenis en is niet meer vanzelfsprekend. Ze werkt hard aan haar conditie door dagelijks op de hometrainer te fietsen en door oefeningen. Zwager Gerard en zus Ena doen haar enige jaren veel plezier met autotochten in de omgeving.

Het wordt voor Ria steeds belangrijker om zich in gedichten uit te spreken.
“Omgaan met jezelf” uit 2005 eindigt met:
“Zo schuift mijn leven langzaam verder – met de zekerheid dat alles moeilijker zal gaan – maar morgen heb ik mijn hoofd weer opgeheven – want somber-zijn past niet in mijn bestaan”. En het gedicht uit 2006: “Een glimlach naar binnen” helpt haar bij het oplossen van problemen. De laatste regels zijn: “Zo kan het dus gebeuren – dat je verbaasd bent over jezelf – Na veel jaren leven, wel het boos worden – maar een glimlach naar binnen nog niet kent.

In het Vivre Jaarbericht 2005 lezen wij: “Ria van Stokkum is geen gemiddelde oudere. Met 92 jaar klinkt haar stem nog als die van een ongeveer 50-jarige. Haar geest haalt moeiteloos herinneringen en jaartallen op en weet ook precies wat er gisteren en vandaag is gebeurd. Dat soort adequaatheid is niet alledaags op deze leeftijd. Reden dat er vanuit de universiteit van Leiden belangstelling is voor haar”.
Ria volgt met interesse de levensweg van de zeven kleinkinderen.
De kinderen Annelies en Marius betekenen bijzonder veel voor haar, omdat zij zo liefdevol voor hun moeder zorgen en haar in de weekends komen ophalen om er even uit te zijn.
Zij en vriendin Heleen gaan de laatste tijd dikwijls met haar naar het ziekenhuis voor de vele onderzoeken. Nicht Anneke en de dames van de thuiszorg wil ik hier ook noemen.
Neal en Joost zijn tot haar grote vreugde dit voorjaar in Nederland geweest, ter gelegenheid van haar zes en negentigste verjaardag, die ze op 24 juli heeft mogen vieren.

In de brief uit 2002 staat: “Het contrast tussen mijn ambities en mijn lijf is heel groot en moeilijk”. Met bewondering zie ik hoe Ria nĂč, in deze tijd, het evenwicht tussen die twee uitersten probeert te bewaren. Hoe ze het, ondanks de vele ongemakken, volhoudt. Ria noemt dit in een recent gedicht: “Het leven uithouden”.
Hierin vindt ze woorden voor de moeilijkste periode van haar leven:
“Het gedicht”omgaan met jezelf” – waarin ik deze tijd heb toegelicht – kan niet worden vergeleken – met de tijd nadien – Geen mens kan te voren voorzien – wat “Uithouden van het leven” betekent”. Ze wordt gesterkt door haar eigen gedicht.
Uit reacties blijkt dat andere bejaarden zich er in herkennen en zich ook gesteund voelen, om de lasten van hun eigen leven beter te kunnen dragen.

Wat een geluk dat Ria nog bij ons is

Emile van Stokkum, 2009 met dank aan Betty en Ivo


Tekeningen en teksten (2005–2010) van Ria

FOTOs/Ria-van-Stokkum-met-teksten-gedichten-003-TEKENING.jpg FOTOs/Ria-van-Stokkum-met-teksten-gedichten-001-TEKENING.jpg

OMGAAN MET JEZELF, december 2005

“Mijn” oud-zijn verdraagt geen verheven woorden,
ook geen zware klassieke muziek.
In menig boek wordt het oud-zijn geprezen,
maar meestal is het ware tragiek.

Licht wil ik mijn leven houden,
om straks licht te sterven misschien.
Of er een hemel is, dat moet ik geloven,
maar niemand kan mij die garantie beloven.

Het is soms met weemoed denken,
aan alles wat ik vroeger “even” deed.
DĂĄt woord heb ik allang moeten schrappen,
want mijn lijf is ouder dan mijn geest.

Ik wil nog zo zelfstandig mogelijk leven,
dat vraagt woekeren met de tijd.
Het lijf vraagt urenlang verzorging
en het huishoudelijk getob veel beleid.

Zo moet ik mezelf vaak prijzen,
wanneer het weer goed is gegaan.
Vreemd lijkt misschien dit prijzen,
maar het geeft mij moed om verder te gaan.

Zo schuift mijn leven langzaam verder,
met de zekerheid dat alles steeds moeilijker zal gaan.
Maar morgen heb ik mijn hoofd weer opgeheven,
want somber-zijn past niet in mijn bestaan.

Ria van Stokkum (1913)

Maastricht, december 2005


DE ZIN VAN HET LEVEN, 2005

Spontane reflectie naar aanleiding van gesprekken door: Ria van Stokkum Januari 2005

De zin van het leven is het leven zelf.

De grootste opdracht in het leven is jezelf.

Het leven is één grote leerschool.

Als het leven één grote leerschool is,
is schuldgevoel een belemmering voor verdere groei.

Als je niet van jezelf houdt,
kun je ook niet echt van een ander houden.

In de grootste menselĂ­jke liefde
moet je eigen persoonlijkheid blijven bestaan.

Niet jezelf verliezen in de ander.

Het is fijn, als je lang mag of kunt blijven leven,
het rijpingsproces in jezelf kan dan lang doorgaan.

Zolang je leeft, heeft het leven waarde, eigenlijk tot in de dood.

Het doorgeven van je leven gaat door
tot in je kleinkinderen.
Wanneer de binding met hen zeer goed is,
kan een bevestiging van deze overdracht door hen,
een groot geschenk voor je zijn.

Het moeilijkste in een mensenleven is, wanneer
dementie toeslaat, hoe meer een mens tot rijping is
gekomen, des te groter zal de gewaarwording zijn,
dat zijn geest, zijn bewustzijn hem of haar
gaat verlaten - afsterven.

Bij het ouder worden moet je steeds meer loslaten
je jeugd - je kinderen - je gezondheid je onafhankelijkheid -
het verplaatsen van jezelf door:

Mijn afhankelijkheid is voor mij een extra groot leerproces - ging ik graag om met gelijk gestemde mensen, door mijn afhankelijkheid komen er veel vreemden om mij te verzorgen, uit een héél ander milieu - cultuur - taal - en op tijden, die zij meestal zelf bepalen.

Algemeen:

Er is een groot verschil tussen schoolse en intuitieve kennis.

Schoolse kennis is bijna altijd paraat.

IntuĂŻtieve kennis is aanvullend in een gesprek indien het nodig is - als de situatie er om vraagt.


EEN GLIMLACH NAAR BINNEN, 2006

Is het U al eens overkomen,
dat je voor de keukenkast staat?
Met héél veel moeite, pak je hóóg – “het verkeerde”
en je wordt daarbij niet kwaad?

Nee, je glimlacht zelfs naar binnen
en denkt blij verrast:
zou er een nieuw tijdperk beginnen,
zĂł oud en menigeen tot last?

Daar kan het dus gebeuren,
dat je verbaasd over jezelf bent.
Na een lang leven wĂšl het boos worden,
maar de glimlach naar binnen nog niet kent.

Ria van Stokkum (1913), Maastricht, januari 2006


HET LEVEN UITHOUDEN, september 2009

In jong leven is het vallen en opstaan.
Naar volwassenheid gaat het maar langzaam.

Veel mensen komen daar niet eens aan toe.
Ze blijven halverwege steken.

Is de wijsheid bij het ouder worden ontstaan,
wordt de zin van het leven verstaan.

Er kan volop worden geleefd,
tot de ouderdom begint aan te breken.

Het gedicht “Omgaan met jezelf”,
waarin ik deze tijd heb toegelicht,
kan niet worden vergeleken met de tijd nadien.

Geen mens kan te voren voorzien,
wat “Het uithouden van het leven” betekent.


Mijmering, 2010

Hoe zal het zijn die laatste dagen – uren,
ik begin er langzaam bij stil te staan.

Is voor mijn gevoel het leven dan ten einde,
of had het nog langer door moeten gaan?

Is er pijn om te verduren,
of kun je zomaar gaan?

Soms zijn er van die donkere dagen,
waarop je bij de klaagmuur wilt staan.
Om zo met velen getroost te worden
over de onzekerheid van ons bestaan.

Ria van Stokkum, 2010


WAAROM PAS NA DE DOOD?

Een complimentje is een cadeautje
dat je altijd bij je hebt.

Tijdens het leven
worden ze weinig gegeven.

Pas na de dood
worden mensen geprezen.

Vreemd
 zag men het goede
tijdens het leven niet?

Ria van Stokkum


Mailwisseling (2000–2009) tussen Betty en Leo

22 maart 2000

Van: L.C.M. van Stokkum < Leo.vanStokkum@iae.nl>
Aan: Betty Fokkinga < B. Fokkinga@hetnet.nl>
Datum: woensdag 22 maart 2000 10:10
Onderwerp: Bezoek

Vertrouwelijk.

Lieve Betty

Dank voor je e-mail van gisteren.

Ofschoon je schrijft, dat je aan het “krukken” bent, ziet je briefje er goed verzorgd uit.

“Kan ik het redden?” Ja, maar het is moeilijk. Trees heeft veel hulp nodig. Vervelend is, dat zij alles vergeet en nog beroerder, dat zij alles op diverse plaatsen legt of opbergt en het dan direct vergeet. Het is dan ook constant zoeken geblazen.

Doordat zij heel slecht ziet en niet alsmaar boeken kan lezen via een walkman, zoekt zij werk om wat te doen te hebben en dat wordt dan meestal opruimen! Ik moet dat steeds goed in de gaten houden, want even later weet zij niet meer waar ze een en ander opgeborgen heeft.

Bovendien vertrouwt zij daardoor de Thuizorg dames niet en denkt zij, dat die spullen meenemen. Ik ben maar wat blij, dat die dames ’s morgens komen om haar te wassen, te douchen en aan te kleden . ’s Zaterdags en ’s Zondags komen die dames niet. Door de week weet je nooit hoelaat er iemand of wie er komt. Dat kan om 8 uur maar ook tegen 11 uur zijn. Dat is ook heel onaangenaam voor haar en mij.

Haar stoelgang is ook niet meer normaal. Zij voelt het vaak niet aankomen met minder aangename gevolgen. Daar krijg ik soms wel de zenuwen van.

Ik had mij onze oude dag heel anders voorgesteld. Maar wij zijn nog samen en als ik de ellende zie van anderen, dan mag er van klagen mijnerzijds geen sprake zijn. En dat doe ik dan ook niet.

Als het voor jou niet te bezwaarlijk is, vinden wij het heel leuk en gezellig als je hier ’s middags eens met ons komt dineren. Ik moet het dan wel minstens drie dagen vooraf weten i.v.m. het doorgeven aan de keuken. Alle dagen behalve Donderdag zijn o.k. Wij kunnen dan ook even over de computer spreken en misschien kan je mij nog wat leren, want ik heb geen cursus gevolgd zoals jij!

Ik schrijf je een en ander heel vertrouwelijk, want het gaat niemand wat aan, ook je bezoek niet.

Tot horens.

Nogmaals bedankt voor je briefje en heel hartelijke groeten,

Leo.


28 juni 2000

Van: L.C.M. van Stokkum < Leo.vanStokkum@iae.nl>
Aan: Betty Fokkinga < B. Fokkinga@hetnet.nl>
Datum: woensdag 28 juni 2000 16:17

Lieve Betty,

Dank voor je e-mail van 17 dezer.

Met Trees gaat het langzaam achteruit. Gelukkig merken de mensen het niet zo direct. Ik wandel nog iedere dag een half uurtje buiten met haar, maar het gaat heel langzaam. Zij slaapt momenteel.

Natuurlijk kijk ik met plezier naar het voetballen, vooral als men goed speelt. Ik ben benieuwd wie vanavond en vooral morgenavond wint. Als Nederland morgen weer wint, wat ik hoop, wordt het een spannende finale voor de Oranje-gekken. Het lijkt wel op een carnavals feest hier en daar.

Toen Trees en ik in 1947 of 1948 in het diepe Zuiden van ItaliĂ« (vlak bij Brindisi) waren, was het daar net zo’n arme bedoening, als jij beschrijft van RoemeniĂ«. Ik reed toen met de grote Amerikaanse Kaizer wagen. Overal waar we kwamen, liepen de mensen te hoop en riepen: “Americano’s -”Americano’s”! Dat waren wij. De hotels waren praktisch leeg. Ook Zuid Frankrijk was in 1946 straat arm, behalve Monaco. Maar in Monaco zag je slechts een paar mensen in het casino. Als RoemeniĂ« bij Europa komt, zal het misschien snel verbeteren, mits men elkaar niet naar het leven staat. Dit i.v.m. de vele verschillende volksstammen en godsdiensten daar.

RoemeniĂ« bezocht ik nooit, maar wel YugoslaviĂ«, (ServiĂ«. Montenegro en MacedoniĂ«), Griekenland en Turkije. De Grieken en Turken bevielen mij heel goed en ik kocht er zeer veel marmer en Onyx indertijd. Met de Yugoslaven van die tijd - het waren hoofdzakelijk Macedoniers - was het heel moeilijk zaken doen. Niemand nam er meteen een beslissing en alles ging via - via ik weet niet wie, maar denk dat de communistische bazen de touwtjes in handen hadden; vandaar, dat er nooit tot zaken gekomen kon worden. MacedoniĂ« heeft wel mooie natuursteen. YugoslaviĂ« was toen net zo arm als jij nu over RoemeniĂ« beschrijft. In Turkije - op het eiland Marmara in de Golf van Marmara, sliep ik eens met zes andere Turken op één kamer in een klein hotelletje op perzen, met een soort vieze paarden dekens vol vlooien, die ik ’s nachts ving en naar die snurkende kerels gooide. Er waren geen lakens. Had jij daar geen last van ongedierte?

Ik moet stoppen, Trees is wakker.

Veel plezier als je naar het voetballen kijkt vanavond en morgen.

Groetjes,

Leo.


17 november 2001

Van: L.C.M. van Stokkum < Leo.vanStokkum@iae.nl>
Aan: E.L.M. Fokkinga-van Stokkum < B.Fokkinga@hetnet.nl>
Datum: zaterdag 17 november 2001 17:56

Onderwerp: Re: Euville Marbier

Hallo Leo, omdat ik je niet wil lastig vallen op een ongelegen moment, dit mailtje dus. Ik hoop dat het jou en Trees naar omstandigheden goed gaat. Zorg je ook goed voor jezelf?

In Delft wordt het graf van Bernards ouders geruimd. De steen en een bronzen kruisje erop heeft Bernard ontworpen. We kunnen de steen en kruisje eventueel in Renesse in de tuin plaatsen.

Heb jij enig idee of zo’n steen, ik denk 1.60 mtr. hoog , te tillen is. Graniet is veel te zwaar vermoed ik, maar is Euville Marbier zandsteen? Gebruikten de steenhouwers speciale werktuigen om zo’n steen te verplaatsen of denk je dat dat wel met mankracht zou kunnen? Misschien wel stomme vragen, maar allicht word ik toch wat wijzer.

Hier gaat alles z’n gewone gangetje.

Het allerbeste en hartelijke groeten, Betty

Beste Betty,

Ja, ik ben blij, dat men mij met rust laat. Ik moet hier op Eeckenrhode al te veel steeds dezelfde vraag (hoe gaat het met je vrouw?) beantwoorden.

Emile is bij Trees geweest en zal je wel over haar toestand geĂŻnformeerd hebben.

Ik vind het voor haar (en mij) verschrikkelijk, dat zij daar opgeborgen is tussen patiënten, die er veel erger aan toe zijn dan zij. En hoelang nog?

Euville is een Franse kalksteen en ongeveer even zwaar als graniet. Graniet is alleen veel harder. Natuurlijk hebben steenhouwers en ook aannemers en transportbedrijven spullen om zo’n steen te verplaatsen.

Als ik mijn optimisme weer eens terug heb, bel ik je. Groetjes,

Leo


10 februari 2002

Van: L.C.M. van Stokkum < Leo.vanStokkum@iae.nl>
Aan: E.L.M. Fokkinga-van Stokkum < B.Fokkinga@hetnet.nl>
Datum: zondag 10 februari 2002 9:44
Subject: hoe was de reis

Dag Leo, is je reis naar het verre zuiden inderdaad goed bevallen?

Ja. Er waren geen problemen.

En hoe is het toch met jou en Trees?

De toestand van Trees blijft hetzelfde. Ik begin er wat aan te wennen, dat zij daar opgenomen is. Ik wil voorlopig nog geen contacten. Jij bent de enige, die ik beantwoord, hou het vertrouwelijk a.u.b. Ben dankbaar als men mij met rust laat . Medelijden heb ik beslist niet nodig.

Gaat het goed met je achter-kleinkind?

Ja.

Waren Ben en zijn vrouw trotse grootouders?

Zij zijn dat, ja. Hun schoondochter verwacht een tweede baby.

Wel word ik over-grootmoeder in Augustus. Een raar idee. Dan besef ik weer dat óók ik echt oud word.

Dat hoop ik voor je.

lk wens jullie allebei het allerbeste.

Dank je, voor jou hetzelfde.

Met hartelijke groeten, Betty

Wederkerig,
Leo


16 augustus 2005

Van: “E.L.M. Fokkinga” B.Fokkinga@hetnet.nl
Aan: “Leo v.Stokkum” Leo.vanStokkum@iae.nl
Verzonden: dinsdag 16 augustus 2005 20:45
Onderwerp: gezondheid van Jules

Beste Leo, al horen we niets van elkaar, dat wil niet zeggen dat je uit mijn gedachten bent. Ik hoop van harte dat het goed gaat met je.

Uit Canada komt de laatste dagen slecht nieuws. Jules ligt in het ziekenhuis en is er heel slecht aan toe. (ik had de laatste maanden veel contact met hem via de web-cam).

Ik heb alle v. Stokkums ingelicht en ben van mening dat ik ook jou op de hoogte moet stellen.

Zonder tegenbericht zal ik je op de hoogte houden.

Met (gemeende) hartelijke groeten, Betty


22 augustus 2005

Van: “E.L.M. Fokkinga” B.Fokkinga@hetnet.nl
Aan: “Leo v.Stokkum” Leo.vanStokkum@iae.nl
Verzonden: maandag 22 augustus 2005 11:46
Onderwerp: bericht uit Canada

Hallo Leo, vannacht werd ik door Maaike, dochter van Jules, opgebeld met het verdrietige bericht dat Jules overleden is.

Gelukkig heeft iedereen er vrede mee omdat hij de laatste maanden altijd pijn had. De oudste dochter Franny was de laatste uren bij hem en Nelly is ook nog even geweest.

Helaas heb ik er niet veel aan toe te voegen.

Ik wens jou veel goeds toe, met hartelijke groeten, Betty


23 augustus 2005

Van: “LCM van Stokkum” leo.vanstokkum@iae.nl
Aan: “E.L.M. Fokkinga” B.Fokkinga@hetnet.nl
Onderwerp: vertrouwelijk en strikt persoonlijk
Verzonden: dinsdag 23 augustus 2005 13:28

Lieve Betty,

Met tranen in mijn ogen - die sinds het overlijden van Trees nauwelijks droog kunnen blijven - las ik je e-mail met het droevige overlijdensbericht van onze broer Jules. Arme Nelly, dacht ik meteen na het lezen van je laatste e-mail.

Betty, zo krijg ik (en waarschijnlijk ook jij hoe ouder je wordt) de laatste jaren het een na het andere overlijdens- of telefonischbericht van ernstig zieke vrienden/innen, kennissen etc.

Van bijvoorbeeld mijn Venlosche 18 kegelvrienden is er nog één over. Van de nieuw gemaakte vrienden/innen in New Zealand zijn er nog drie over (allen zonder hun íntussen overleden partner).

Van de mij bekende medebewoners in Eeckrhode is meer dan 70% intussen overleden met als gevolg, dat er -mede door de economische omstandigheden - heel veel flats leegstaan en de rest heel oude bewoners zijn, de meesten boven de negentig jaar!

Ik heb heel kleine gezondheidsproblemen. Ik wandel heel veel. Lees en pieker enorm veel. Verder zoek en wil ik rust.

Ik dank je voor je e-mailberichten. Ik heb - zoals je intussen begrepen hebt - mij teruggetrokken. Ik denk vaak aan jou en Emile, maar dat betekent per se niet, dat ik verder enig contact met familie of wie dan ook zoek of wil!

Vandaag precies 7 jaar geleden viel Trees met alle gevolgen.

Dag lieve Betty,

Leo.


5 januari 2009 – Leo aan Ivo van Stokkum

From: LCM van Stokkum
To: Ivo yan Stokkum
Cc: Leopold
Sent: Monday, January 05, 2009 12:29 PM
Subject: aan Ivo

Waalre, 5 januari 2009.

Ivo,

Ik heb van de lijsten, die mijn Moeder in 1966 maakte, kopieën gemaakt die ik je hierbij toestuur Ún ik heb tevens jouw vragenlijstje zo ver mogelijk aangevuld.

Nogmaals, ik heb er zelf geen interesse in en wil rust en geen contact.

Oom Leo


14 januari 2009 – Ivo van Stokkun aan Leo

From: Ivo van Stokkum
To: LCM van Stokkum
Sent: Wednesday, January 14, 2009 7:04 PM
Subject: proficiat!

beste oom Leo,

hartelijk bedankt voor uw belangrijke aanvullingen. bijgevoegd uw eigen parenteel en kwartierstaat. uw behoefte aan rust is zeer herkenbaar. emile heeft dat ook, en net als zijn vader trok hij zich vaak terug om ergens aan te werken. opa van stokkum hing briefjes op met “niet storen”, en oom antoon deed hetzelfde. opa werkte aan zijn familieboek, oom antoon aan memoires en andere geschriften. en wie weet waar u aan werkt? proficiat met uw 90e verjaardag, en een fijne dag gewenst.

hartelijke groet, Ivo


10 februari 2009 – Van Leo aan Ivo, doorgestuurd naar Betty

Van: “Ivo van Stokkum” h.stokkum@chello.nl
Aan: “E.L.M. Fokkinga” B.Fokkinga@hetnet.nl
Verzonden: dinsdag 10 februari 2009 22:19
Bijlage: AFWEZIG voor de voordeur BEZOEK OP AFSPRAAK.doc; NIET STOREN.doc
Onderwerp: Fw: mail van leo, groetjes, ivo

From: LCM van Stokkum
To: Ivo van Stokkum
Sent: Friday, January 16, 2009 10:45 AM
Subject: Re: proficiat!

Ivo,

Ja, zo zijn wij schijnbaar! Ik wist het niet van mijn vader en Antoon. Niet storen etc. staat bij mij altijd achter het voordeurraampje als ik ’s middags rust en de andere kaart met: Bezoek en/of Toegang etc. meestal de rest van de dag. De huisbel schakel ik dan ook meestal nog uit. Ik wil per se tijdens lezen en schrijven met rust gelaten worden. Vervelen doe ik mij nooit.

Dank voor felicitatie.

Gr.

LvS.


De bijlagen, briefjes met in grote letters deze teksten:

NIET STOREN
Geen toegang ZONDER VOORAF EEN AFSPRAAK TE HEBBEN GEMAAKT.
TELEFOON: 2282830

BEZOEK en/of TOEGANG alléén na telefonische afspraak
Nr. 040-2282830 in huis: Nr. 830

POST
INDIEN AFWEZIG POSTPAKKETTEN
A.U.B. IN DOORGEEFKASTJE LEGGEN (RECHTS
BENEDEN NAAST DEZE VOORDEUR). INDIEN
HANDTEKENING VEREIST IS - AFGEVEN BIJ
DE RECEPTIE. DANK U

POSTPAKETTEN:
A.U.B. IN HET DOORGEEFKASTJE LEGGEN (RECHTS BENEDEN NAAST DEZE VOORDEUR). Dank U.


25 februari 2009 – Overlijden Leo van Stokkum

Leo is op 25 februari 2009 overleden (“Volgens eigen scenario op 90-jarige leeftijd rustig ingeslapen”)



Bij het overlijden van Rita, Martien, Riek, Frans, Antoon, Leo, Ria

Overlijden Rita, ev Alfons van Stokkum, 27 februari 1980

FOTOs/Overlijdensbericht-Rita.jpg

A.M.M VAN STOKKUM
27-2-1980.

DE LAIRESSESTRAAT 112 BV.
1071 PK AMSTERDAMy-07
(020) 712225

Lieve wederzijdse familie, lieve vriendinnen en goede vrienden,

Het is mij onmogelijk een gedrukte kaart met dank voor de blijken van deelneming te zenden. Ook wil ik niet wachten allen hartelijk te bedanken voor al de steun die ik deze drie weken ondervond; al die dagen en vaak gedurende die vreselijk lange nachten. Het is nu middernacht, het moment waarop mijn vrolijke vrouwtje werd weggeplukt uit het volle leven, drie weken terug. Ik heb er behoefte aan jullie deelgenoten te maken, van hoe ik het kostbaarste in mijn leven binnen drie uren verloor en hoe een huisarts zich toch volkomen machteloos moet voelen - en het huis leeg!

Op haar laatste dag werd Rita zoals gewoonlijk ’s morgens om 10 uur thuis afgehaald door drie vriendinnen. Met tien vriendinnen werd dinsdags aan gymnastiek gedaan en na afloop gezamenlijk ergens koffie gedronken. Daarna zou Rita naar een andere vriendin gaan en daar zou ik haar om 3 uur afhalen. We deden de boodschappen, gingen naar de bibliotheek en waren om 6 uur thuis. We dronken een glaasje en gingen aan tafel. Gezellig koffie gedronken en later een goede film op de TV gezien die om tegen half twaalf afgelopen was. Kom. zei Rita, laten we bij de open haard gaan zitten. Haal jij je borreltje dan doe ik de kaarsjes aan. Ik had ingeschonken en zou juist een plaatje opzetten, toen ik achter mij hoorde roepen: Alfons mijn hoofd, mijn nek! Ik belde meteen onze huisarts. Toen ik de haak neerlegde stond Rita achter mij en steunde haar armen op mijn schouders en zei: Alfons breng mij naar beneden, naar bed, ik qa dood! Langzaam liepen we naar beneden en Rita kleedde zich uit. De hevige pijn was over. Daar was de dokter al. Hij stelde vast bloeddruk 200/150 en zei: dat was op het kantje af (of zoiets). Morgen plat blijven liggen, zoutloos eten en nu brengen we eerst die bloeddruk omlaag. Rita vroeg hem naar zijn reis naar Amerika waar hij zijn zoon bezocht. De dokter ging om ca. 1 uur weg. EĂ©n uur lang sprak Rita over wat ik moest regelen en bleef erbij dat ze dood ging. Ze sprak over de crematie zonder familie en wie zij er graag bij had. Om ca. 2 uur kreeg zij de tweede aanval. De dokter was er weer binnen de korste keren. Ook nu kwam Rita ongeschonden uit de hersenbloeding, geen merkbare verlamming. Na ca. 20 minuten vertrok de dokter. Rita lag rustig en we praatte veel samen. Om ca. 3 uur middernacht kreeg mijn vrouwtje weer een aanval en raakte in -coma. Weer die goede dokter en deze zei: er is nog pols, maar erg weinig. Toen greep hij mij met de andere hand en zei: ze glipt mij door de vingers.

Een vriendin van Rita die ik amper ken schreef mij:


“, dacht ik eerst: dat kan helemaal niet. Daarna kwamen allemaal kleine dingen in me op: Rita, die me precies wist te vertellen, welke kevertjes mijn planten opaten, Rita, die wist, hoe ik vlekken van mijn parketvloer weg moest krijgen, Rita, die me aanmoedigde weer iets te gaan borduren, toen ze merkte, dat ik de rust daarvoor moeilijk kon opbrengen. Als ik Rita in dit soort kleine dingen al zo mis, wat moet het dan voor jou en je kinderen iets ontzettends zijn haar niet meer om je heen te hebben. Ik ben verdrietig met jullie.”

Wat zijn echte vriendinnen van Rita en vrienden van ons samen nu veel waard, ik dank jullie,

Alfons.


Overlijden Martien van Stokkum, 30 december 1984

FOTOs/Overlijdensbericht-Martien.jpg FOTOs/Overlijdensbericht-Martien2.jpg

Na een langdurige ziekte en een harde strijd is in het St.-Radboudziekenhuis te Nijmegen, op de leeftijd van 63 jaar van ons heengegaan, mijn dierbare echtgenoot, onze lieve pa en opa

MARTINUS JOSEPH MARIA VAN STOKKUM

(voormalig eigenaar van “Die Hooghe Hoenderbergh”)

echtgenoot van Hendrika G. Heintz

Ondanks vele tegenslagen behield hij toch nog zijn optimistische kijk op het leven.

Molenhoek, 30 december 1984
Singel 28, 6584 BG Molenhoek – Mook

Op vrijdag 4 januari om 13.30 uur nemen wij afscheid van pa tijdens een korte gebedsdienst in de grote aula van het Crematorium Jonkerbos, Weg door Jonkerbos 51, Nijmegen, waarna er gelegenheid zal zijn om te condoleren.

Pa is opgebaard in de rouwkapel van het St.-Radboudziekenhuis, Geert Grooteplein Zuid 26, Nijmegen, waar een bezoek gebracht kan worden op donderdag 3 januari van 15 tot 15.30 uur.

Bijeenkomst op vrijdag 4 januari om 13.15 uur in de ontvangkamer van het erematorium.

Liever geen bezoek aan huis.

HERINNERING door Antoon, oudste broer van Martien.

Lieve Riek, neven en nichten - beste aanwezigen.

Boksen 
 was ééns de liĂ©velings-sport van Mortien, dacht ik, toen ik hem op 1e Kerstdag zo hulpeloos - gevloerd - in bed zag liggen. Ik vroeg mij af: wĂĄt zou er nu in hĂ©m omgaan? en: waarom krijgt hij, de krachtpatser van weleer, zĂł jong nog, en steeds dromend van een rustige oude dag, géén tijd meer voor zijn hobby’s – géén kans meer voor de dingen, die hij steeds voor lĂąter 
 uitstelde? Dergelijke gedachten zullen óók bij velen van u wel zijn opgekomen. Omdat Martien in de middag van 1e Kerstdag nog goed aanspreekbaar was en (wĂ©l met enige moeite) goed verstaanbaar, zei ik: Weet je nog Martien, dat je ééns de boks-sport beoefende? Hij knikte, en zei: “ja!”. Dan weet je ook nog, dat ieder die een schouderklopje van jou verwachtte, uit je buurt bleef?!

Na enige stilte, zei hij, merkbaar tot zich zelf: “ja 
 boksen”.

Dan herinner je je óók wel, dat moeder “hemeltje sta me bij” riep, als je haar “lief-kozend omhelsde”? Met een glimlach, en: “ja 
 da’s waar” bevestigde hij, wat ik gezegd had.

Ik bemerkte, dat dĂ©ze keer de foto van zijn gezin, naast zijn bed, ontbrak. Daarom zei ik: Ik mis de foto van je gezin, gemaakt tijdens de familie-reĂŒnie bij Els - de foto, die je steeds mee-nam naar ’t ziekenhuis, omdat je er met zoveel plezier naar keek - Ă©n met trots over sprak. Aarzelend, zei hij “ja 
”.

Ik vervolgde: Met recht kan je trots zijn op je gezin - en blij - dat alle kinderen hun levens-weg gevonden hebben. Trots óók, dat je de onderlinge verbondenheid in stand hebt weten te houden, door je “vrede-lievende instelling”.

“Ja 
 da’s wáár 
” zei hij, zeer tevreden.

Ik was bang, hem te vermoeien, en vroeg: Vind je het goed, dat ik zo met je praat? Hij knikte.

Na een pijn-aanval merkte ik op: het leven valt vaak niet méé hĂš? “Om de dooi dóód niet” bevestigde hij luid. Kort daarop haakte ik in op het woord “dood” en vroeg: ben je bĂĄng voor de dood? Hij schudde zijn hoofd en zei gelaten “nee 
”.

Waarom zou je ook, vervolgde ik, je hebt een mooi, arbeidzaam leven achter de rug, waarop je met voldoening kunt terug-kijken.

Denk alleen maar eens aan de duizenden jongeren, die je, samen met Riek, op Die Hooghe Hoenderbergh, onvergetelijke dagen of weken bezorgde, mede door je humor 
 en takt. Je spontaniteit werkte aanstekelijk 
 op ieder.

Hij lachte weer, en zei, voor de zóveelste keer (omdat hij moeilijk sprak): “ja 
 da’s waar 
”.

Na enkele pijnlijke trekken waargenomen te hebben, vroeg ik; heb je nog hoop op herstel? Terwijl hij z’n hoofd schudde, zei hij zacht “nee 
”. Het was de éérste keer, dat ik hem dit durfde vragen — de éérste keer ook, dat ik bemĂ©rkte, dat hij zijn vertrouwen in genezing, liet varen. Daarom waagde ik hem te vragen: heb je al eens gedacht aan bedienen, nu je er zĂł voor-staat? Als je daar geen prijs op stelt, hoeft het natuurlijk niet. Ik bemerkte, dat hij hier liever niet op inging.

Nadat we beiden, zijn uitzicht-loze toestand enigszins verwerkt hadden, merkte ik op: ja Mart 
 zĂł is het leven 
 ééns komt de tijd van afscheid nemen — niet alleen van je gezin, maar ook van je flat 
 van je bezittingen. Helaas 
 van je kĂłstbaarste bezit, D.H.H., kĂłn je geen afscheid meer nemen 
 die is je reeds ontnĂłmen! Wat er toĂ©n in hem omging 
 laat zich raden.

FOTOs/DieHoogheHoenderberg.jpg Intussen probeerde ik hem, voor mezelf, te typeren, en dacht: Martien is iemand met veel “vertrouwen”. Vertrouwen stellen in mede-mensen, is een aangeboren Ă©n een door hem ontwikkeld talent, dat steeds opvalt.

Vertrouwen had hij, vanaf zijn jeugd, in ieder om hem heen 
 in zijn ouders 
 zijn broers en zusters 
 vrienden en kennissen, in zijn gasten 
 zijn personeel.

Hij koesterde het vólste vertrouwen in zijn artsen – vertrouwde erop, dat ze hem, ondanks alles (misschien wel tegen beter weten in) weer op de been zouden kunnen helpen.

Onvoorstelboar vertrouwen stelde hij in Riek en zijn kinderen! Toen hij, 10 jaar geleden al, om gezondheids-redenen, tot verkoop van D.H.H. moest over-gaan, had hij een blind-vertrouwen in zijn adviseurs en gegadigden 
 wan-trouwen 
 kwam niet bij hem op. Helaas 
 vermétel-vertrouwen 
 deed hem hier de das om.

Twee weken geleden, vertrouwde hij mij toe: “Schulden hebben, Antoon, is het Ă©rgste wat er is”.

Daarom ook, gaf hij de moed niet op 
 hij blééf geloven 
 Ă©n vertrouwen 
 in een goede oplossing - dat rechtvaardigheid ééns zou zege-vieren.

Drie jaar lang, bleef hij wachten, op een geldelijke beloning voor zijn aandeel in het verzet, tijdens de oorlog, waarvoor hij het verzets-herdenkingskruis ontving.

Toen ook dĂ©ze 
 laatste hoop (nu zo brood-nodig) vervlogen leek en hij gedwongen werd te konstateren, dat zijn lichaam meer-enmeer verzwakte, gaf hij uiteindelijk zijn vertrouwen in genezing op. Ik pakte de draad van het gesprek weer op, en zei: Als je goed nagaat, Mart, heb je Ă©rg veel vertrouwen in mensen gehad en 
.. Hij viel mij in de rede en zei, met luide stem: “véél te veel”. Er volgde een stilte.

Kort daarop ging ik verder:

Ik hoop, Martien, dat je kunt blijven vertrouwen op Gód. Hij stelt niemand teleur 
 Hij belooft ’n eeuwig-durend geluk aan ieder, die zijn talenten, naar vermogen, gebruikt.
En dát 
 heb jij 
 gedáán!
Van-zelf-sprekend maakte je óók fouten 
 wie niet ?! ten, en liet ik hem met rust.

Ik beeindigde mijn praatje met: Een heerlijke gedachte, is ’t, lijkt mij, dat je straks je ouders weer ontmoet 
 en samen bent met je broers Norbert en Peter, die 40 jaar geleden al gingen hemelen. Langzaam, maar zĂ©ker zei hij “ja 
 da’s wĂĄĂĄr.”

En zo werd, naar ik meen, het laatste gesprek met Martien besloten, en liet ik hem met rust.

Daarna richtte ik mij, in stilte, vol vertrouwen, tot God, en bad: Heer 
 geef Martien de zo verdiende ééuwine rust.

FOTOs/Martien.jpg


Monique en Trix namen op hun wijze afscheid van Pa.

Trix: “Als ik doodga” (Remco Kampert)

Als ik doodga
hoop ik dat je erbij bent,
dat ik je aankijk,
dat je mij aankijkt,
dat ik je hand voel.
Dan zal ik rustig doodgaan,
dan hoeft niemand
verdrietig te zijn,
dan ben ik gelukkig.

Monique: “Leven” (Henk Jongherius)

leven is wachten
dagen en nachten,
denken en dromen
of het zal komen
het grote geluk

leven is kijken,
elkaar verrijken,
opnieuw beginnen,
leren beminnen zomaar, spontaan.

leven is vragen
wachten, verdragen,
zwoegen en zwijgen,
antwoorden krijgen
die je niet vroeg.

leven is lijden,
niet te vermijden,
onmacht verduren,
eindeloos turen
naar komend licht.

leven is dwalen
in oude verhalen
speuren en zoeken
in stoffige boeken
sporen van iets.

leven is opstaan,
elkaar tegemoet gaan,
’n hart om te geven
en haat te vergeven:
het leven is goed.

Pastor Aad Nijs uit Rotterdam, gaat voor, in GEBED

Het leven van Martien is een afwisseling geweest van licht en duisternis.
Hij heeft vreugde en goedheid mogen ondervinden, maar ook eenzaamheid en tegenwerking.
Hij heeft getracht een goed mens te zijn 
 hij heeft ook zijn onmacht en zijn tekort ervaren.
Hij heeft genoten van al het mooie, maar hij is ook gestoten op lijden en dood.

Daarom staat hier het teken van het kruis:
het is een teken van pijn en lijden, dat
Martien niet gespaard is gebleven, maar voor
hen die geloven, ook een teken van opstanding
en bevrijding. Ofschoon hij er niet mee te
koop liep, was Martien een gelovig man, en
dat uitte hij in zijn dienstbaar-zijn
binnen zijn gezin en voor zijn gasten.

Hier staat ook de brandende kaars: teken van licht en warmte 
 teken van een blijde levenshouding, die hem eigen was 
 teken van kinderlijke eenvoud en onverwoestbare hoop.

Daarom mogen wij het vertrouwen hebben, dat God hem zal aanvaarden en bij zich zal opnemen en wij bidden:

dat er niets verloren zal gaan van dit mensenleven 
 dat, wat hij geleefd en gedaan heeft, ten goede zal komen aan deze wereld 
 dat al wat hem heilig was, geëerbiedigd mag worden door allen die na hem komen en dat hij in alles waarin hij groot is geweest tot ons mag blijven spreken, juist nu hij gestorven is.

Wij bidden, dat hij voort mag leven in onze harten, onze levensdurf, in onze gedachten en ons geweten.
Tenslotte bidden wij, dat allen, die met hem verbonden waren, nu ook omwille van zijn dood, dieper met elkaar verbonden mogen zijn. Om die verbondenheid uit te drukken, willen wij samen het gebed bidden, dat de Heer zelf ons leerde: Onze Vader, die 


DANKWOORD door John Haalmeijer, oud buurman.

Beste Riek, lieve kinderen, familieleden en vrienden van Martien.

Er zijn minuten, die vriendschappen van vele jaren maken. Zonder vriendschap is het leven niets waard.

Wii kennen jou, Riek, Martien en de kinderen nu al sinds 1968, toen wij bij Die Hooghe Hoenderbergh kwamen wonen. Er is toen een ware vriendschap ontstaan en wij hebben samen vele gelukkige momenten doorgebracht. Martien was altijd vrolijk en opgewekt en het was fijn om zulke goede buren te hebben. Iedereen was bij hen altijd welkom. Martien hield van D.H.H. en van zijn werk en had er veel voor over.

FOTOs/DieHoogheHoenderberg-gebouw.jpg

Wij betreurden het ten zeerste, toen jullie van D.H.H. weggingen en pech jullie achtervolgde. Wij hebben met jullie meegeleefd en vonden het bijzonder erg dat Martien nog zo heeft moeten lijden.

Wie in gedachten zijner geliefden leeft, die is niet dood, hij is slechts ver weg. Dood is alleen hij, die vergeten wordt. Wij zullen Martien niet vergeten. Wij wensen jou, Riek en de kinderen veel sterkte in deze moeilijke tijden.

Geachte aanwezigen, namens de familie van Stokkum wil ik u allen en in het bijzonder diegenen, die van ver gekomen zijn, van harte bedanken voor uw aanwezigheid bij het afscheid van Martien.

AFSCHEID nemen bij zijn lievelings-muziek: OrfĂ©e en Euridice – von Gluck –
gezongen door Kathleen Ferrier.


Afscheid van Riek, ev Martien van Stokkum, 4 maart 1992

FOTOs/Overlijdensbericht-Riek.jpg

GEDACHTENIS bij het afscheid nemen van
Riek van Stokkum - Heintz, op 4 maart 1992

Namens de kinderen van Riek, verzorgde hun oom, Antoon van Stokkum, de gedachtenis.

Beste mensen,

U allen, hartelijk welkom, bij het afscheid-nemen van Riek van Stokkum-Heintz.

Vooral een hartelijk welkom aan jullie, kinderen van Riek, met vriend of echtgenoot.

Erg fijn, dat jullie, klein-kinderen hier zijn om, op jullie wijze, afscheid van Oma te nemen.

Ook heet ik de zo bedroefde Joh Borgemeester, de huisgenoot van Riek, van harte welkom.

Vervolgens een woord van welkom tot de zussen en broers, de schoon-zussen en zwagers van Riek.

Tenslotte begroet ik pastor Emmanuel Gerritsen, die dit samen-zijn met een korte overweging en ’n gebed zal besluiten.

Hier bijeen, gaan we een laatste groet brengen, en éér betonen aan het dode lichaam van de overledene, maar, voorĂĄl haar “gedenken”.

De dagen vóór kerstmis, vórig jaar, waren voor jullie, kinderen van Riek, spannend én emotioneel. Want, zéven jaar eerder overleed vader Martien, kort nå Kerstmis.

En tijdens de laatste Kerst-dagen werd voor het leven van moeder Riek gevreesd, omdat bij haar een vrijwel gelijke, pijnlijke, darm-stoornis gekonstateerd was, als waaraan vader Martien overleden is.

Dat die vrees gegrond was, is gebleken. En hoewel haar sterven later plaats vond dan verwacht, was het op “schrikkel-dag” tóch “schrikken”, toen het moment van inslapen plaats vond.

Tijdens de voorbereiding van deze gedachtenis bekroop mij een gevoel van on-macht. Kénde ik Riek wel voldoende? Zij was, hoewel zéér språåkzaam, erg gesloten.

Als vanzelf, kwamen zowel prettige als on-prettige herinneringen bij mij op en vroeg ik mij af: moet ik zowel haar deugden als haar on-deugden verwoorden? Intussen herinnerde ik mij een gedicht, met als titel:

IK WEET IETS GOEDS VAN JOU!

Wat zou het leven heerlijk zijn
als iedereen, die mij ontmoet
zou zeggen:
“Ik weet iets goeds van jou!”

Wat zou het leven fantastisch zijn
als elke handdruk, van harte benadrukt:
“Ik weet iets goeds van jou!”

Wat zou het leven blijer zijn
als men ’t “goede” steeds zou prijzen,
want, bij al het kwaad,
is zoveel “goeds” in mij - in jou.

Wat zou het leven zĂĄlig zijn
als iedereen ervaart: Hij - Zij - weet iets GOEDS van mij
en zou denken: Ik - ik weet iets GOEDS van jou!

Na dit gedicht gelezen te hebben, bedacht ik: wat weet ik, wat weten wij voor GOEDS van Riek? Want, dat ze fouten en tekortkomingen had, zal niemand ontkennen.
Wie heeft die niet?
Wat ik wĂȘl weet is, dat Riek zich niet liet kennen.
We konden moeilijk kennis nemen van haar gedachten-wereld van haar geloofs-leven – van haar kijk op leven en dood.
Ook op de jaren-lange, wekelijkse kaart-avonden met haar en Martien, bleef ze, voor mij, een gesloten boek.
Ze beschikte weliswaar over de gave om met vrijwel iedereen in gesprek te komen, maar 
 diepgaande gesprekken ontweek ze. En, kwamen die ter sprake, dan stapte ze plots op ’n ander onderwerp over – liefst op ’n komisch, want ze was zéér ad rem en geestig.
Misschien kwam deze houding voort uit haar on-vermogen, om haar gedachten - om haar geloof - onder woorden te brengen. Wie weet?!

+ + + +

Kort na de oorlog leerde ze mijn broer Martien kennen, waarmee ze trouwde. Beiden woonden toen in Rotterdam. Toen broer Frans het Jeugd-hotel “Die Hooghe Hoenderberg” te Groesbeek te koop stelde, besloten zij daarop in te gaan. DĂ© kans van hun leven, maar ĂŽĂŽk een zéér gewaagde onderneming voor twee on-deskundigen!
Het werd: samen hard werken – behelpen – verbouwen uitbreiden – in-de-rommel-zitten.
Ondanks dat, wisten zij een sfeer te scheppen, die in geheel nederland grote bekendheid verwierf en geroemd werd ! De gasten-boeken spereken “boek-delen”.

Tussen de bedrijven door zag Riek kans om een vrij groot gezin, van 7 kinderen, te verzorgen.
Van Sinterklaas, van Kerstmis en Carnaval wist ze “iets” te “máken”, dat de “zeven” áltijd zal bij-blijven, denk ik.
Uitgelaten was Riek met Carnaval – zowel in huiselijke kring, op Bungalowpark Cantecleer als in de Blauwe schuit. Dan was ze Ă©cht in “trance”!

Van menig “oud-op-nieuw” herinner ik mij de grote schalen olie-bollen, die hĂĄĂĄst niet léég kwamen. En, niet te vergeten, de lekkere hapjes, tijdens verjaar-dagen e.d. Riek beschikte over de gave, om ’n Ăłn-bezorgdheid – een fijne, huiselijke sfeer – te creĂ«ren. Dan straalde ze van plezier. Geen wonder, dat het daardoor een komen-en-gaan van familie en kennissen was!

Riek flaneerde graag, in hartje Nijmegen, met haar toen nog kleine, jongste, dochtertje Esther. Menigeen keek om, tot groot genoegen van die twee.
e was verzot op dieren – vooral op honden. Eens hield ze er ’n “kennel” op na, met ’n z.g. “werp-kist”. De reuk ging door het gehele huis!
Ćœe durfde het zelfs aan, er ’n paard op-na te houden.
Zo verzorgde ze ook eenden en vissen.
Met zoontje Norbert en zijn neefje Hans-Rudolf, ging ze eens, ’s-avonds in ’t donker, voorzien van ’n grote teil, op stroop-tocht; vissen vangen – grĂŽte vissen – in de Plasmolen-vijver, voor in de Ă©igen vijver.

FOTOs/Riek.jpg Riek was een zon-aanbidster. Ze ging graag met vakantie naar het zonnige zuiden. Dan had je geen kind aan haar. Maar 
 op Die Hooghe Hoenderbergh voelde ze zich het beste thuis. Daar fungeerde ze graag als “gast-vrouw” en dat liet ze vól-óp merken. Ze wilde graag middelpunt zijn. Daarbij kwam, dat ze van mooie kleding hield, waarmee ze dan pronkte.

+ + + +

Aan het goede leventje op Die Hooghe Hoenderbergh kwam een einde, toen haar man, Martien, aan ’t sukkelen ging en hij, op dokters-advies, het bedrijf van-de-hand moest doen. Mede door slechte adviseurs, kwam het vakantie-oord in verkeerde handen en werden Riek en Martien “geflest”. Dáárdoor kwam aan haar luxe leven abrubt ’n einde. Het geen-mensen-meer-om-zich-heen-hebben - geen gasten – geen personeel – en, helaas, ook minder familie over-de-vloer, had desastreuse gevolgen.

Intussen kwam bij Riek een oude DROOM tot leven: een “Mode-winkeltje”. Het werd een depot, waar slechts kort-gedragen, luxe, kleding, verkrijgbaar was. Helaas 
 dat mislukte – het werd een fiasco.

En toen Martien vroegtijdig kwam te overlijden, was ze de wanhoop nabij – was ze soms totaal van-de-kaart.

Na de dood van haar partner ondervond ze, dat ze moeilijk alleen kon zijn. Ook buurman Joh, die kort daarna weduwnaar werd, worstelde met het-zelfde probleem: “eenzaamheid”. Reden, om elkaar voortaan gezelschap te houden. Dat het, zelfs op hogere leeftijd, gaan “samen-wonen” moeilijk is, en veel zelf-opoffering vraagt, hebben beiden aan den lijve ondervonden.

+ + + +

En nu, na Rieks overlijden, staat Joh wéér alleen, en zal hij zich nood-gedwongen, aan de gewijzigde omstandigheden moeten aanpassen. Een moeilijke opgave, waarbij hij zéker hulp nodig heeft.

+ + + +

Wellicht hebben de vele tegenslagen op Rieks gestel een funeste invloed gehad, waardoor ze al op 69-jarige leeftijd overleed.
En nu, bij het haar “gedenken” komen vooral haar goede eigenschappen in beeld.
Was niet een van haar grootste deugden, de wijze, waarop ze met zwak-begaafden wist om-te-gaan ?
Voor een 40-tal vrouwen van de Groesbeekse-tehuizen, die (tijdens een verbouwing aldaar) enkele maanden op Die Hooghe Hoenderbergh verbleven, was het, door Riek, een “hemeltje-op-aarde”. Riek was bijna dag-en-nacht tussen deze vrouwen te vinden. Daarom werd zij door deze gasten op handen gedragen. En, terecht!

Freek – de broer van Riek – kan daarover mee-praten. Van-jongs-af-aan heeft zij zich om hem bekommerd – zich met hem bezig gehouden. Een tien-tal jaren was Freek kind-aan-huis. En na de verkoop van Die H. H. vond Freek elders onderdak, maar 
 Riek haalde hem iedere zaterdag in huis. Tot vlak voor haar dood. Ook voor Freek is Rieks overlijden een gevoelige slag.

Klagen, over haar dodelijke ziekte deed Riek amper. Ook praten daarover vermeed ze – ontweek ze zelfs. Wellicht wilde ze haar kinderen en Joh niet met haar zorgen en pijnen belasten?

+ + + +

De laatste dagen speelde haar “levens-loop” als ’n flits door haar hoofd. Daardoor kwam óók de wens bij haar op, om ten-overstaan van een pastor, een soort biecht-gesprekje te hebben en, om via geconsacreerd brood, één te worden met Jezus – misschien wel, om Hem af-te-bidden, om tijdens haar hemelvaart, een goed woordje bij haar hemelse Vader te doen. Wie weet? God weet!

“En nu ga ik dood” 
 zei ze, opgelucht. Dood-gaan – voor haar – dood-gewoon – de gewoonste zaak van de wereld. En dat is het ook, op hogere leef-tijd.

Kort daarop doofde haar leven, als ’n kaars, uit. Op-gebrand – uit-gestreden, was ze. Ze sloot haar ogen en sliep, haast on-opgemerkt, in, zonder enige vrees voor het on-bekende. Wat ’n voorrecht, om zó on-gecompliceerd te mogen sterven.

En vandaag, “as-woensdag”, nemen we met velen afscheid van het dode lichaam van Riek, voor het als “as”, als “stof”, aan de aarde wordt terug-gegeven.

Wie in een eeuwig-leven gelooft mag aannemen, dat haar “geest”, haar “ziel”, haar “wezen” (of hoe je haar on-stoffelijkheid ook benoemt) door God met eerbied verwelkomd is.
En het zou mij niet verwonderen als Riek daarbij te verstaan kreeg: “Kom binnen in het Rijk der Hemelen. De talenten, die Ik je gaf, heb je naar beste kunnen gebruikt. En, waar je in de fout ging, wordt je falen vergeven. Niet 7 maal, maar 70 x 7 maal, want, Ik, God, ik weet iets goeds – VEEL GOEDS van jou.”

+ + + + +

Lieve mensen,
Misschien kunnen ook wij, straks, bij het afscheid-nemen van elkaar, “denken” “Ik weet iets GOEDS van jou en, wellicht weet jij iets GOEDS van mij.”
Dat zou een zegen zijn.

Maar, vóór het zover is, neem ik, in aanwezigheid van Rieks stoffelijk overschot, afscheid van haar, met de bĂ©de: “Beste Riek. Wil je mij de momenten, dat ik je beschuldigd heb, of verkeerd beoordeeld heb, vergeven? Want, heus, ik weet (helĂĄĂĄs achteraf) véél GOEDS van jou.

Tot ziens!
Antoon


Na het muzikale intermezzo nam Monique afscheid van moeder Riek, met een gedicht van Toon Hermans:

DROOM

ik droom dat er wat groen zou zijn
waar ik mij neer kan leggen
waar ik luist’rend naar de zomerwind
iets van een diepe stilte vind
waar ’k niets meer hoef te zeggen

ik ben de woorden moe
de uitgekiende zinnen
ik zou zo graag opnieuw
zonder één woord beginnen

een stilte 
 zó intiem
daar in het jonge groen
mijn laatste pantomime
’n glimlach en ’n zoen

De kleinkinderen legden, als afscheid-nemen van oma, ieder een rode roos op de kist.

Daarna vertolkte Esther haar gevoelens met een gedicht van J.B. Charles:

LATE LIEFDE

Moe als ik mij en oud
als ik mij voor mijn tijd voel worden,
is mijn gebeente koud
van ingevroren haat tegen de horde
die ’k nu al in geen weken heb beledigd,
omdat ik niet meer kan,
omdat ik niet meer wil,
omdat ik niet meer weet
of ik niet beter stil
wat er nog is aan ziel
laat weiden in de rust,
in wat mij hier nog lust
aan wat er rest aan geur
en licht en klank en kleur;
en stilte.

Zo staat het,
als de hand die slaan moest strelen gaat,
daar gaat het heen, als het je tegenstaat
gelijk te hebben en daarbij te weten
dat elk gelijk alleen bedrog kan heten.
Doop elke overwinning maar verslagenheid.
Wanneer de mond die bijten wil gaat kussen,
dan is het laat, mijn hart, dan is het tijd,
zeg maar gedag en ga er maar van tussen.
Misschien was daar het wachten op.
Misschien dat God dit heeft bedoeld.
Wij zullen zien.

OVERWEGING

Beste familie, beste mensen,

Nu is het moment gekomen dat we mevr. Riek van Stokkum - Heintz moeten los-laten we moeten haar uit handen geven; haar lichaam zal weer worden tot stof en as.

Want zo was het in het begin, toen wij mensen ontstonden in de schoot van onze moeder, vanuit een onooglijk kleine cel, begin van ons bestaan.

Uit stof zijn wij ontstaan; ons lichaam werd opgebouwd uit kalk en water en al die elementen, die ons maakten tot een man of een vrouw, ieder met ons eigen lichaam, een mens van vlees en bloed.

En dat lichaam moeten we weer afstaan, hoe fijn of pijnlijk het was erin te wonen.

JĂșist vandaag is het, zoals Antoon zei, aswoensdag, en dan gedenken wij, dat wij mensen zijn van stof en as, en dat we tot stof en as zullen wederkeren.

“Gedenk, o mens, dat gij stof zijt, en tot stof zult wederkeren”.

Zó zal het ons allen vergaan – zo vergaat het vandaag Mw. Riek van Stokkum-Heintz; haar lichaam zal weer worden tot stof en as. Geen menselijk lichaam meer, netjes op haar uiterlijk, haar kleren, geen stem meer die je aanspreekt, die ’n grapje maakt of lacht. Geen ogen, die naar je kijken, zorgelijk of boos of hoopvol. Maar een beeld in je geheugen, een naam op je lippen: Mw. van Stokkum 
 Riek 
 moeder 
 oma 
 Zó blijft ze bij u leven.

Hoe twijfelend en hakkelend misschien ook – vol geloof en ongeloof tegelijk – wil ik hier toch onze hoop uitspreken. De hoop op een God, die trouw is, en die geen mens verloren laat gaan, ook al zal haar beeld vervagen, haar naam worden vergeten in de generaties van mensen. De hoop, dat een mens niet bestaat uit stof en as alleen, maar iemand is met geestkracht en liefde.

Ìnze hoop, dat God haar daarom door de dood heen naar zich toe haalt, en alle wonden geneest, alle fouten vergeeft, en dat zij leven mag bij Hem, in een onvoorstelbare vrede.

Daarom durf ik bidden:

God van leven, Gij hebt ons geschapen met hart en ziel, met huid en haar. Wij leggen Mw. Riek van Stokkum-Heintz nu neer in uw handen: héél haar leven, haar goede en haar zwakke kanten, haar liefhebben en haar haten, haar lijden en haar genieten, haar strijd en haar aanvaarding. Laat haar niet vallen in het niets, maar haal haar door de dood heen naar u toe. Laat haar leven, God – hoe dan ook – heel dicht bij u, in een eeuwige vrede. Amen.


Notities bij het overlijden van Frans van Stokkum, Maart 1997

FOTOs/Overlijdensbericht-Frans-Bep.jpg

Aantekeningen naar aanleiding v.h. OVERLIJDEN van FRANS van STOKKUM, op Mallorca. Na 3œ maand in coma, op 17 maart 1997, tussen 2 uur en half drie ’s-nachts; door ’n hart-stilstand, overleden. Niemand was er-bij. In het verzorgings-huis werd hij om half drie dood aangetroffen.

Kees (zoon van Frans) en Betty (zus van Frans) gingen daags na zijn overlijden, vanuit Nederland, naar Mallorca, waar Frans & Beb tientallen jaren woonden. Vrijdag 21 maart zou de crematie plaats vinden.

In Spanje is het de gewoonte, dat de crematie ’s-morgens plaats vindt. Alléén met naaste familie; ondersteund door ’n priester, neemt men dan afscheid v.d. overledene. Meestal wordt de kist dan even geöpend.

En ’s-avonds wordt in de kerk een Gedachtenis-dienst gehouden voor overige familie en belangstellenden.

Na terug-keer belde Betty ons op. Het gesprek noteer ik verkort.

Het was een drama. Een afschuwelijke traumatische ervaring.
In het crematorium waren de overledenen verwisseld.
Evenals bij Bep werd de kist, na een korte plechtigheid, geöpend, zodat de familie nog afscheid kon nemen van Frans.
Bij Bep huilden Frans en de kinderen erg. Nu, bij Frans, niets daarvan. Vanaf mijn plaats in de aula zag ik de kinderen wel met elkaar praten en iets zeggen tegen degene die de kist opende.
Toen Elisabeth weer naast mij kwam zitten zei ze: “Het is mijn vader niet”. Ik dacht: “Ja, dat zegt men wel meer. De ziel, het leven is er uit, het is alleen nog het omhulsel”.
Daarna ging ik naar voren. Omdat er toch wel een vreemde sfeer hing, keek ik maar heel even.
Eerst naar de manier waarop het lichaam door een wit kleed omwikkeld was, daarna naar het gezicht, waarvan maar ’n klein deel zichtbaar was, zoals vroeger bij de zusters Franciscanessen. Ik vond het gezicht nogal opgezet, dikke neus, grove huid en donkere teint. Kwam dat door de autopsie? Vreemd; emotioneel deed het me niets.

Terug op mijn plaats zei ik tegen Elisabeth dat Frans er inderdaad onherkenbaar uitzag. Waarop ze nogmaals, maar nu nadrukkelijker, zei: “Het is mijn Vader niet”. Toen begreep ik het pas goed. Het was Frans niet! Onvoorstelbaar!

Nadat we weer buiten waren, in de patio, waar ik verder gebleven ben, begon voor mijn gevoel, een hels gedoe.
Er werd druk pratend en gebarend, spanjaarden kunnen toch zo’n kabaal maken, heen-en-weer gelopen tussen het kantoortje en het crematorium. Intussen kwamen er twee agenten, de advocaat, de anatoom-pathaloog die de autopsie had verricht en iemand van de rechtbank werd me verteld. GabriĂ«l (de ex-man van Elisabeth) was daar n.l. naartoe geweest. De directeur van het crematorium, die ziek te bed lag, kwam ook direct ter plaatse. Hij vond het verschrikkelijk wat er gebeurd was en stelde alles in het werk om het probleem op te lossen.
Kees kwam mij tussentijds vragen of hij mijn fototoestel mocht gebruiken om foto’s te maken. Toen ik het terug kreeg zei hij dat ik maar niet moest schrikken als ik de foto’s ging ophalen, omdat hij foto’s van die overleden man had genomen, o.a. ook van zijn hart-operatie-wond.

Al-bij-al duurde dat gebeuren ongeveer 4 uur.

Op advies van Betty was vooraf al besloten om de bloemen niet te laten verbranden, maar, zoals in Nederland, in de kerk af te geven waar ’s-avonds de H. Mis gelezen zou worden.
ZĂł kort voor Pasen kon men geen bloemen in de kerk plaatsen. Daarom brachten ze de bloemen naar de kapel van Oasis, waar Frans en Bep woonden. Ook daar werd een H. Mis opgedragen.

Antoon.


Telefoontje van Kees, later op de dag van 24 maart 1997

Het was me ’n toestand! ’n Half uur na opening van de kist begonnen de onderhandelingen al. Er kwamen 2 politie-funktionarissen in uniform. Ook de lijkschouwer en de patholoog-anatoom kwamen. De pastoor werd terug-geroepen. Het leek wel ’n Horror-film.

De ovens werden stil gezet.

’n Uur later werd de kist, waarin de man lag, die m’n vader moest zijn, opnieuw geöpend en gekontroleerd.

Later (na afkoeling) werden de ovens geöpend. In één v.d. ovens was nog slechts ’n skelet te zien. Er werd gegokt naar de lengte ervan. Gebit-controle was niet meer mogelijk. Het was een droevige, traumatische toestand. Er werd veel gehuild.

De patholoog maakte foto’s en 3 berekeningen om de lengte van het geraamte vast te stellen. Hij kwam op 181 / 182, en zo lang was mijn vader. De man, in de andere oven, kon het niet zijn – die was veel te klein.

Er werden die dag 4 kisten met overledenen gebracht, waarvan één met ’n vrouw en één met die kleine man. Dan de 2 kisten, waarin de mannen waarvan de voornaam Francisco was. Deze twee mannen waren dezelfde nacht aan dezelfde oorzaak overleden.

Het indicatie-bandje om de pols van mijn vader was, vermoedelijk door vocht, half vergaan. Misschien kwam daardoor de verwisseling?

De man, met dezelfde voornaam, ligt begraven in het dorp Inca. Zijn vrouw wilde de kist niet laten openen – ze wilde zich haar man blijven herinneren, zoals ze die in-zich had. Wellicht is dĂąt mijn vader? Dan moet die kist opgegraven worden en geöpend. Pijnlijk voor die familie!

Het wordt een juridische kwestie. Verantwoordelijk is de Gemeente Palma. Zowel het touristen-treintje (waarmee het ongeluk gebeurde) als het crematorium, zijn Gemeente-instellingen.

We zullen proberen, de reiskosten vergoed te krijgen. Josefien kwam met 2 kinderen (met 4 vliegtuigen; 3 x overstappen) vanuit Z. Africa. Betty en ik vanuit Nederland naar Mallorca; niet, om naar ’n vreemde vent te kijken.

Apolonia heeft al naar Inca gebeld, over deze vergissing. Het is nu afwachten – wachten, op de uitslag van het onderzoek. Ik ga iedere dag bellen. Ik wil weten, waar mijn vader is!

Antoon.


Hemelvaartliturgie – bij het afscheid van Antoon van Stokkum, 2007

FOTOs/Hemelvaartsliturgie-Antoon-1__page_0_Picture_2.jpg

[Sommige teksten uit het boekje van de Hemelvaartliturgie zijn hier overgenomen.]

INLEIDING

Deze Hemelvaart-liturgie is [door Antoon zelf] vanaf 1990 voorbereid uit beschikbare, hier-en-daar iets gewijzige teksten en liederen, die mij boeiden en bemoedigden. Mede door uw gebeden hoop ik deelachtig te mogen worden aan de Eeuwige Gelukzaligheid, samen met mijn ouders en broers: Alfons, Frans, Norbert, Peter-Canis, Martien, Jules; familie en vrienden, die mij voor-gingen. FOTOs/Hemelvaartsliturgie-Antoon-2a__page_0_Picture_3.jpg

De door mij gekozen liederen werden halverwege de vorige eeuw, gezongen door het jongerenkoor van de Dennenstraat-parochie te Nijmegen. Melodiën van Ton van Erp en José Doodkorte. Teksten van Henk Jongerius O.P. en Huub Oosterhuis. Bij de door mij ontworpen Kerst- en Vredeswensen, maakte mijn nicht Milian toepasselijke tekeningen (M).

FOTOs/Hemelvaartsliturgie-Antoon-4-krijttekening.jpg

WELKOMSTLIED tijdens het binnendragen van de overledene

WIJ WACHTEN OP U.

Refrein:

Wij wachten op u,
wij wachten op uw Woord,
wij verwachten een teken
van uw trouw.

Koor:

Gij die de Schepper zijt
van alles wat leeft,
Gij die de ruimte geeft
aan al wat adem heeft;
wij wachten op U.

Refr. door allen

Koor:

Gij die de mensen kent
en weet wie zij zijn,
Gij die bevrijden wilt
wie zonder uitzicht zijn;
wij wachten op U.

Refr. door allen

FOTOs/Hemelvaartsliturgie-Antoon-2b__page_0_Picture_8.jpg

ABSOUTE

Vg.

Beste mensen,

Voordat wij van-hier gaan willen wij eer brengen aan een mens, die ons opweg hielp naar één-wereld-land, naar héél de wereld BELOOFD LAND.

FOTOs/Hemelvaartsliturgie-Antoon-4__page_0_Picture_4.jpg

We hebben het lichaam van Antoon, die ons dierbaar was, voor het laatst in ons midden. Nu geven we hem uit handen aan de levende God.

Wat er ten leven was er voor jou Antoon, toen je door je vader gedoopt werd, omdat de arts, direkt na de geboorte zei: “het kind is dood, laat ik nu de moeder maar helpen”

(volgens de kerkelijke leer, toen, zou ’n ongedoopte baby niet in de hemel komen)

Met water ten leven tekenen wij je, nu jouw leven écht ten-einde is.

Antoon, wij omringen je met wierook, zoals wij jou met liefde en aandacht hebben omgeven tijdens het lange leven.

En, zoals deze rook, in het zonlicht opstijgt, zo gaan onze gedachten mét jou en onze gebeden vóór jou, Hemelwaarts naar God.


Emm.

Antoon schreef een verhaal over dromen.

DROOM VAN GOD

God DROOMDE over een te stichten PARADIJS
op de in zijn universum aanwezige planeet AARDE

+++++

Jezus DROOMDE over een wijze van leven,
als door God bedoeld:
waarop Gods DROOM tot stand kan komen.
Hij verkondigde zijn DROOM als Blijde Boodschap
en leefde op die wijze, zowel met voorspoed
als tegenslagen, om duidelijk te maken, dat
wat mensen ook overkomt ‘zin’ kan hebben
om “Beloofd Land” te verwezenlijken.

+++++

Apostelen DROOMDEN over een te vormen KERK-Gemeenschap, om elkaar te inspireren.

+++++

Antoon DROOMDE over een manier om de Blijde Boodschap op een ludieke wijze te verwoorden en te verbeelden, zonder opdringerig te zijn; door ernst af te wisselen met humor. Zo kwamen talloze, op het evangelie afgestemde Kerst- en Vredeswensen tot stand. Zo schreef hij meerdere felicitaties en condoliances; zelfs Open Brieven aan twee pausen en kardinaal Simonis. Ook aan Staatshoofden.

+++++

Ja, “Iedereen heeft zo zijn DROMEN” zingt BZN.


Overlijdensbericht Leo van Stokkum, 25 februari 2009

FOTOs/Overlijdensbericht-LeoVanStokkum.jpg


Overlijdensbericht Ria van Stokkum, 25 juni 2010

FOTOs/Overlijdensbericht-Ria-van-Stokkum.jpg