🏠 Home ⬆ Top Je leest nu: Familieboek

Familieboek

Het ontstaan van dit Familieboek “Van Stokkum”, 3 jun 1942

Der Stambomenboeken en Familiealbums.
Piet van Stokkum
3 juni 1942,   21 aug 1944

overgetypt door Ella en Wouter Fokkinga, Leiden 2018

Waardoor niet eerder dan in 1942.

FOTOs/Familieboek-ontstaansgeschiedenis.jpg Reeds op een zeer jeugdigen leeftijd gevoelde ik mij sterk aangetrokken tot familieleden, bezocht hen gaarne.
Deze belangstelling uitte zich vóór mijn 10e jaar al in het betreffend eenigen van hen stellen van vragen, later ook in het aan mijne Ouders vragen van portretten, niet alleen van de naaste, doch ook van andere familieleden. Het maken van aanteekeningen begon met het op de portretten slechts schrijven van naam en familieverband.

Langzamerhand breidde mijne verzameling van familieportretten zich uit en begon ik ook bidplaatjes enz te bewaren. Doch verdere aanteekeningen dan de enkele zeer korte maakte ik nog niet.

Mijn plan was later die portretten in een album te rangschikken, in gezins- of familieverband, en er korte toelichtingen bij te schrijven.

Voorloopig gaf ik er nog de voorkeur aan om mijn vrijen tijd te besteden aan spel, timmeren, waarvan ik Zaterdagmiddags bij Groodvader van Stokkum aan zijn werkbank op zolder de grondbeginselen leerde, toen ik nog erg jong was. vervolgens ook aan ’t houden van ’n geitje (meende ’t een bokje was!), met mijne Ouders naar de oude of nieuwe Plantage en Park wandelen, Zomers naar “Vrouw Romein” of “Freriks”, (soms gingen wij wel eens op ’n warmen dag naar Scheveningen), postzegels verzamelen, teekenen, mooie plaatjes vergrootend nateekenen en met waterverf schilderen, later ook in olieverf, Zoowel op doekraampjes als op oud eikenpaneeltjes welke ik zelf maakte enz.Eerder, toen ik plusminus 10 jaar oud was, had ik reeds handtekenles bij den Kunst- en portretschilder van der Ven in de Weva(?)straat, maar dit duurde niet lang.
Later in Den Haag wonende en Veertien jaar oud ging ik, met zelf gemaakt: opvouwbaar schilderezeltje met tabouretje en schilderdoos, vol spullen, aquarel landschapschilderen! Ook toen ik bij Oom en Tante van den Meer- Tirion gelogeerd was. Mijn nichtje Bets ging mee, haalde telkens schoon water voor me, in een sloot. (juni 1895)

Mijn Vader en een schilder-meesterknecht leerden mij het door mij gemaakte timmerwerk (dat het keukenkastje, van deels minder goed hout en met zeer grooten tegenzin gemaakt, óók) netjes schilderen, alsmede een met groot pleizier gemaakt uitneembaar kaarttafeltje en ’n muziekstandaard, Zelfs keurig zwart lakken, spiegelglad. Uit eigen beweging schilderde ik daarna voor Vader’s zaak een groot ijzeren reclamebord, rood met mooie geele letters, maakte met Koningshuisfeest geĂŻllumineerde eerepoort rond huisingang enz enz. In familiealbum is het eenige der toen gemaakte en in brandkast bewaard gebleven schilderstukje dat ik uit dien tijd nog had. Dit in familiealbum opgenomen landschap schilderde ik met olieverf op een doekraam groot ±300x200, opdat wij uit Keuken niet langer tegen een kale muur (en verder tegen nog ’n zijmuur en flesschenstelling aan anderen kant) Zouden kijken. Mijn Moeder vooral had dat graag.
In dien tijd begon ik ook voor plantjes te gevoelen, bracht uit Haasche Bosch klein kastanjeboompje mee en haalde stiekum paar steenen uit den grond van ons kleine, voornoemde plaatsje. Dat gat van 20x30cm vergrootte ik tot 40x40cm. En dat kon en mocht dus niet voor Vader. Geen ruimte genoeg voor de zaak.
Die zaak! Hiervoor heb ik van 1/10 1892 (ik was toen 11 œ jaar) tot ±1-3-1899 heel wat werk moeten doen. Bijna elken Zaterdagmiddag, vaak avonds dóór. En verder in de week. Zondags moest ik later ook, paar uur soms, helpen.
Ontelbare malen droomde ik weer in dat huis te wonen, meestal er weer te gaan wonen. Nu soms nog!

Toen ik nog school ging, totdat ik bijna 13 jaar was, kon ik Zaterdag’s middag’s met schoolvriendje van Balen of Jo Wijs gaan wandelen en spelen. Ik bouwde toen van stoomtramdwarsliggers een ondergrondse, voor jongens, ruime schuilplaats met rookkanaal uitmondend in zoo’n stapel dwarsliggers. De wind blies de rook van ons kastanjespoffen door die tallooze gaten zoo dun uiteen, dat deze ons niet verraden kon. Toen eenige grootere jongens ons daar ’n keer gezien hadden, terwijl het luikje van onze kuil er af was, was dat hol volgende Zaterdag verdwenen! Met Wijs ging ik soms naar het Rijswijksche Bosch, en hoorde daar graag de merels zingen. Zelf had ik een vink die zong als ’n kanarie. Toen ik uit logeeren was, hing de naaister de kooi hoog, de vogel werd vergeten en
.
Wat had ik een verdriet!
In plusminus 1895 maakte mijn eerste schetsen voor een vliegmachine. “Als ik groot ben en geld heb, ga ik een vliegmachine bouwen” zeide ik tegen
.

Toen ik omstreeks 1897, 16 jaar oud, bij G.J Kurvers, Heemstede .. te Den haag, als timmerman op karweien werkte en ‘verdiende’, mocht ik een tweedehands fiets “Simplex” koopen. Eerst had ik er achtereenvolgens 2 om te probeeren. Ze hadden harde banden. Luchtbanden waren er nog pas. En de eene had een erg vreemd model, ook ‘t stuur veerde.
Zondags gaan fietsen was ’n feest. Heelemaal naar Rotterdam met neef Carel van der Meer die het mij, met zeer veel moeite, zoover geleerd had dat we het aandurfden, maar onderweg liep ik groot gevaar! Bij ons ’n brugje van ’t smalle ’jaagpad’ tussen Rijswijk en Delft passeren van ’n boeren rijtuigje.

Avonds teekenlessen, eerst bij Arch.N.G. Lotz, Raamstraat, privelessen, later Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen Den Haag.
Tusschentijds had ik eerst ±3 maanden getimmerd bij Hessing Den Haag, 2 klassen Ambachtschool gevolgd en ook dagcursus bij Arch. Lotz.

In 1899 waren mijn Vader en ik er met groote moeite, mede op gronde van mijne getoonde teekeningen, er in geslaagd Arch.W.B. van Liefland te bewegen, mij vóór te trekken boven zéér vele gegadigden en hem te doen beloven dat ik bij hem in dienst kon komen als teekenaar, zoodra in de krant zou staan dat de bouw van de winkelgalerei met wandelpier te Scheveningen doorging.
Maar voordat dit bouwwerk doorging, besloot mijn Vader om te Rotterdam weer te gaan bouwen, verhuisde 26-6-1899 naar Rotterdam en verklaarde dat hij mij dat werk goed gebruiken kon. Daarom mocht ik niet bij dien Architect op dat belangrijke werk in dienst treden.

Dat bouwen voor mijn Vader ging vervolgens niet door en toen was die plaats voor mij verkeken!

Door voorspraak van Oom Arkesteijn kwam ik als teekenaar bij ex-metselaar-architect Jan J. Clement, Zwart Janstrt 5, Rotterdam en tekende daar bouwplannen voor bouwers, verbouwingen, maakte lichtdrukken, verdiende 15 gulden per maand. Moest ook “huur” halen. Ik was toen 18 jaar.

Augustus 1899
Voor de 1e klasse theorie van de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technieken, Wetenschappen zakte ik voor examen. Was rekenen vooral breuken zo wat vergeten. Maar voor de technische vakken slaagde ik direct voor de 4e klas. Door gratis privélessen van de heer Mattheeuwissen, bij wie ik (8-9 jaar oud) schoolles had gehad, kwam ik echter tóch op de Academie en zelfs ineens in de tweede theorie en vierde technische klas.

Bij de Heer Clement werkte ik van 17-7-1899 tot ± 7-4-1900 in zijn kantoortje met plaatsje aan de Jacob Catsstraat, achter no. 5.

Op 11-8-1899 had Vader de bouwvergunning verkregen, waarvan hij reeds eerder genomen besluit geen gebruik maken.

Van 9-4-1900 tot 16-2-1901 werkte ik vervolgens als boekhouder/teekenaar op het kantoor van den Heer P. Koog Steenhouwerij Z.O. Buitensingel 203 Den Haag. (Zaterdags moest ik eerst geld halen bij de klanten en daarna minstens 500 guldens bij de Nederlandsche bank voor de Steenhouwersloonen. Er werd dan ook soms met goudgeld betaald. (+ wisselen papier tegen guldens). Uit Rotterdam komend moest ik 8:30 ochtends op kantoor zijn woonde toen twintig minuten minstens gaans van Station Delftsche Poort te Rotterdam en in Den Haag moest ik ook nog plusminus 15 minuten stevig loopen. Ik mocht tijdig weg om de avondlessen der Academie te Rotterdam te volgen kwam dan 10:20 a 10:25 thuis ‘’middageten’’ en ging dan weer aan het tekenen om er nog iets bij te verdienen; verbouwing Delftsche vaart enz. Gevels ’s Gravendijkwal met details erker, topgevels, gootlijsten, deuren, hekjes enz; huizen Vrouw Jannesstraat(?) enz. Het is gebeurd dat ’s nachts half drie mijn oogen als uitpuilden, ik mĂČest ophouden. Ik verdiende daarmee 25 cent per uur. Allergrootste Zuinigheid was noodzakelijk.

Van 18-2-1901 tot 4-9-1904 was ik Kantoorbediende bij Gustavo Depla Rotterdam. Correspondentie, boekhouding, verkoop op de Steenwerf, schetsen gaan maken van steenhouwwerken, teekenen en gehele leiding over de werf, het volk enz.
Van 27-7-1904 tot plusminus 4-9-1904 was ik echter reiziger, bezocht met spoorwegabbonement Steenhouwers bijna geheele land.

Voor volgenden Academielessen kreeg ik geen volledige toestemming. Van 8 tot 12 en 1:30 tot 8 uur moest ik op Kantoor zijn en “dat is niets te lang’’ zeide de patroon. Zaterdags middag hadden de steenhouwers toen na de middag al vrij, ik niet. Doorwerken!
Als mevrouw Depla avonds niet kwam zeggen dat ik gaan kon mocht ik niet voor 8 uur weg.
En voor het gaan naar de les van zes uur kreeg ik meestal om 6:45 toestemming, zelden vroeger, wél later. Hierover meer later, evenals over nog veel meer, in een verhaal over mijn leven dat ik nog hoop te schrijven.

Van 7 okt. 1901 tot 13 dec. 1901 werkte ik avonds en nachts nog aan een ontwerp voor een volksbadhuis: douches en kuipbaden met aparte ingang en afdeling voor heeren en dames. Daar boven een concertzaal voor duizend personen met groote hal voor de pauze waarin buffet waarachter buffetsbedienings ruimte was.
Achter badhuisruimte, óók onder deze Zaal was nog een Zaal voor 300 personen, met toiletten enz. alles.
Boven de groote concertzaal aan Benthuizerstraat zijde, de huisbewaarder-, badmeesterswoning.
Ik tekende dit ontwerp op voorstel van de heer Clement voor de bekenden heer C.N.A. Loos. Beide heren prezen mijn ontwerp, maar het kon helaas niet door gaan. Volgens afspraak zou ik met de uitvoering beloont geworden zijn, maar had de risico dat ik niets voor dit werk Zou Krijgen als het niet doorging.

Café Transvalia werd later daar op een deel van die grond door den Heer C.N.A. Loos (er staat nu ook een bioscoop) gebouwd en ik kreeg de huizen daarnaast voor de heer J.J. Clement te tekenen, nu tegen betaling.
Zoo, op risico, maakte ik nog een ontwerp voor een blok groote panden Mathenesserlaan / hoek Claes de Vriezelaan, dat ook niet doorging (voor de Combinatie Depla- de Vries-van Rooij).
In die tijd ging ik zomers wel eens naar de zee, zondags. Altijd alleen. Vroeger wandelde ik ook vaak alleen. Een keer (plusminus 15 jaar oud, van Den Haag naar Rotterdam en paar dagen later half terug, rest met de tram Delft-Haag, óók alleen.

Van 16-11-1904 tot 1-1-1910 was ik als vertegenwoordiger in dienst van de firma De Beer en Guirrep, te Amsterdam. De eerste maanden echter daar op Kantoor en de Werf.

Het Alcoholisme toen een kanker der Nederlandsche Samenleving.

In 1905 werd ik lid van het Kruisverbond, in 1906 bestuurslid hiervan. Benoemd tot directeur van de R.K. Knapenbond. H. Tarcicius leidde ik vanaf 28-10-1906 tot en met 13-7-1912 de maandelijksche vergaderingen, bestuursbijeenkomsten, propaganda, verkoop van lectuur, jaarlijkse wandeltocht, jaarlijks feestavondje enz. Op 28-7-1912 leidde ik de laatste wandeltocht.

Als bestuurslid werd ik ook lid van het plaatselijke comitĂ© der Kathol. Soc. Actie. Voorzitter Mr. Kavelaars, Griffier van de Rechtbank te Schiedam, met wien ik tijdens de Kath. Soc. week Breda nog wandeltocht maakte en onderweg foto’s nam, ook van ons beiden in cafeetje.

Bij de Eerw. Pater Voets, Redemptorist(?) had ik een cursus gevolgd in Sociologie, bestudeerde ik sociaal-economie en volgde ik vier jaren de lessen, in verschillende plaatsen van het land, van de Kath. Soc. Week, van 1906 - 1910. Las geregeld het Kath. Soc. Weekblad van Mr. Aalberze, het maandblad Sobriëtas, de Kruisbanier, boeken over het Alcoholisme, Apologie, geregeld De Maasbode en de Voorhoede, waarvoor ik abonnees won, óók plusminus 5 protestanten.

Als lid van de Vereeniging Kath. Leven hield ik eene inleiding over “Alcoholisme”, op eene debatvergadering en daar maakten ze het mij erg warm. De Heer P. Bredius, direct. Twentsche Bank was er dien avond niet.[Door het hem vragen op een dezen vergaderingen van inlichtingen toen ik
mijn Zaak ging oprichten, stelde hij mij voor: “Kom bij ons” (als mijn bankier.)] Maar dokter Tehmers was er dien avond wùl. Deze Heeren waren “Comissie van Bijstand” aan die vereeniging. talrijke vergaderingen van die toen bloeiende vereeniging woonde ik bij.
Als lid van de R.K. propagandaclub Leo XIII werkte ik mede aan den strijd tegen onzedelijke lectuur en afbeeldingen. Een artikel in De Maasbode van de eerwaarde Pater Hiacynth Hermans getiteld: “Het papieren Gevaar” had hiertoe den stoot gegeven. Het werd in brochurevorm bij vele duizendtallen gedrukt en door ons, later ook door anderen, verspreid. Er werd “gepost” bij “vuilwinkels” door propagandisten die luidkeels riepen: “Koopt en leest”het papieren Gevaar”, 2 cent, of de andere lectuur.” Wij verspreidden elke zaterdagavond een nieuw vluchtschrift, enkele brochures werden verkocht. Aan dat op straat uitdeelen deed ik óók veel mee.

De bewaarde serie van plusminus 33 van die verschillende vluchtschriften is in 1940 verbrand. Ook bonden wij den strijd aan tegen Samsom, van den Berg en Kloosterman die zaterdags avonds op de markt op een stellage stonden en priesters, dominee's en rabbi's daar door de modder haalden, slechte lectuur aanprezen en verkochten. Wij gingen er met een troep bijstaan en alsmaar fluiten. Werden door politie weggejaagd. Kwamen op veemarkt bijeen en gingen terug, stormden toen de heele stellage met Samsom erbij tegen de straat, er vielen klappen, politie greep een paar van Samsoms makkers. Het kwam in de raad. Daar was onze voorzitter van Zijp ook lid van en die 3 lui mochten als onrustverwekkers niet meer op de markt ” werken”.
Maar Kloosterman zette de “zaak” voort.
En toen naar de Zaal, die hij hiervoor gehuurd had; 10 cent entree meen ik. Stille politie hadden wij voor gezorgd en de heer Klamer, een oud seminarist en Redacteur van de Maasbode, zette, in debat, Kloosterman vast. Herrie. Waarschuwing van stille politie.
Te Schiedam waren we ook present, maar daarom ging die “bijeenkomst” van Kloosterman niet door.
Te Vlaardingen is het een blauwe ogen enz. vechtpartij geworden.

Aan de propaganda voor de R.K. staatspartij door de kiesvereeniging Recht en Orde, waar ik ook al lid van was, werkte ik tijdens de verkiezingsdagen eveneens mee. Des nachts had ik een keer de leiding van de “plakclub”. Socialisten kwamen met latten op ons af. Uit elkaar en voortgezet.

Omstreeks 1904 kocht ik mijn eerste fototoestel, ging het in favoriete Bazar, waar ik het gekocht had, leeren. Ontwikkelen en afdrukken ben ik steeds Zelf blijven doen totdat wij in vacantie Zomers te Groesbeek logeerden. Daarna veel ook elders dat laten doen.

Vanaf augustus 1899 ontving ik van mijn Rotterdamsche oud speelmakker Theo van Nierop, toen seminarist, Almanakken en maandblaadjes van het Missiehuis te Tilburg ter lezing. Ik las Ze gaarne en begon langzamerhand roeping te gevoelen voor de taken van broeder missionaris. Die Orde werkte of ging werken op de Keieilanden. De tijd dat ik mijn roeping niet kende was een der moeilijkste van mijn leven.

Begin december 1906 ging ik na overleg met mijn biechtvader, die gezegd had “ze maken een priester van je”, eens praten met den Eerwaarde Pater Provinciaal Okhuyzen van dat missiehuis te Tilburg. Er werden mij enkele vragen gesteld, ik mocht een deel van het gebouw zien en mocht een paar dagen daar komen ter verdere overweging of het mijn roeping zijn kon.

Op 13-12-1906 schreef ik dat ik 23 en 24 December vrij kon krijgen en zonder tegenbericht dan komen zou. Het door mij geschreven afschrift van die brief heeft mijn vader buiten mijn weten bewaard en bevind zich, ook verschroeid natuurlijk, in de familiealbum van Stokkum-Tirion. (R1 op datum 13-12-1906)
Ik ontving bericht dat het die dagen niet schikte, voorlopig toch geen broedersaspiranten konden worden aangenomen.
Kort daarna begon ik eraan te Twijfelen of ik wel geroepen was voor den geestelijke staat en die onzekerheid deed mij soms zeer ernstig lijden. Ik zocht en vond groote troost en opbeuring en vertrouwen op Gods hulp zoodra de tijd hier voor gekomen zou zijn in het lezen en overwegen van verschillende hoofdstukken van de “Navolging van Christus”.

Na nieuw overleg met denzelfde biechtvader, de Eerwaarde Kapelaan Kammers, ging ik Mei 1908 met de Groote Nederlandsche jaarlijksche Bedevaart mee naar Lourdes om onze lieve vrouw daar te vragen voorspreekster voor mij te zijn ter verkrijging van een Zaligen levensstaat.
En dat gebed te Lourdes werd verhoord!

De onzekerheid die mij zooveel jaren kwelde was verdwenen en ik ging een onschatbaar geluk tegemoet. Volgens belofte ging ik God voor zijn hulp en de Heilige Maagd voor haren hulpspraak toen 
(?) bedanken. (door nog 3 x op Bedevaart naar Lourdes te gaan???)

Uit het voorgaande moge blijken dat door arbeid, studie, sociale arbeid op verschillend gebied en het scheppen van genoegen in maken van tochtjes, fotografeeren, musiceeren enz. gedurende al die jaren niet kwam van uitvoering geven aan mijn jeugdvoornemen in zake de familieportretten.
Vooral mijne arbeid op maatschappelijk gebied (na plusminus september 1908 langzamerhand verminderd door de voorbereiding der oprichting van eigen Zaak). Nam zeer veel van mijn vrijen tijd in beslag.

Ik ging de Duitschen taal leren, natuurlijk kon ik alleen maar les des avonds na de reis voor de patroons, van 19.00 tot 22.00. In totaal heb ik 33 uren Duitsche taal les gehad. De thema's maakte ik vaak in den trein. Daarna nog plusminus 20 lessen Fransche taal bij de heer Eijkens. Bij verre reizen kon ik niet tijdig te Rotterdam zijn, moest dan de les verzuimen.
Mijn vrije tijd was toen hoofdzakelijk verdeeld tusschen studie, maatschappelijk werken en voor alles schrijven aan mijne Verloofde.

Rotterdam 11-8-1908.

Beste Betsy,
Voor ’n keer,
Wil ‘k probeer’,
Jouw op ándere wijz’ te schrijven,
Maar in dicht,
Zal ’t licht,
Ónder ’t middelmatig blijven.

Slechts op rijm,
Zal ’t dus zijn,
Wat ’k je heden wilde melden;
Deugt het niet,
Wat ’k je biedt,
Bedenk dan Betsy, ’k rijm zo zelden.

Betsy; gisterenavond weer,
van mijn reize thuisgekomen,
Vond ’k je kaart en dank je zéér,
Dra had ’k d’r kennis van genomen

Of ’k een voorgevoel weer had?
Hebt ge onderaan geschreven.
Ja!; maar met dĂ­t verschil, dĂĄt.
Deez’ kaart ’n dag langer is weggebleven!

Wat je zegt ván “dom verstand”,
Moet ik vierkant tegenspreken;
Jij bent bl..sems bij de hand, ( “i” en “k”; 2 puntjes)
DĂĄt is mij reeds vaak gebleken!

Je boek, dat heb ’k nog niet uit;
Ben er nu druk in aan ’t lezen.
En bedank je ’t besluit.
Mij wat uitstel nog te geven.

’t Is geen boek om één, twee, drie,
Zoo eens even uit te lezen,
Dikwijls geeft het, zoo ik zie,
Rijke stof tot overweegen.

Daar je zélf dit mooie boek,
Nog niet heel hebt uitgelezen,
Wilde ’k bij m’n eerst bezoek,
Het jou zelf maar wedergeven.

Echter ben ik graag bereid,
het je Nichtje te bezorgen,
Dat kost mij maar weinig tijd,
En de kosten... Wil ’k je borgen!!

Het artikel van Réné, (bazin)
Vond ge “onder erg goed geschreven”,
Had elk vrouw’ken maar idee,
Er gevolg aan te geven!!

’k Heb een klein mooi boek gekocht,
Dr. Mausbach heeft ’t geschreven.
’t Werd in Duitschland erg gezocht;
Pas in ’t Hollandsch uitgegeven.

Hoe het heet, zal`k onderaan,
Je wel eventjes vertellen;
Wilt ge ’t lezen, nu komaan,
’k stuur het je in drie, vier tellen.

Ben je zondagavond weer,
met ’t pianospel begonnen?
En bleek nu ook jou deez’ keer,
Dat j’er niet bij had gewonnen?

Nu, ik had het wel verwacht,
En geef altijd gauw gewonnen:
Wie “Rust, Roest” heeft uitgedacht,
Was toch heusch geen “domme jongen”!

Pruimen, ’n heele waschmand vol!
En de nodige naar binnen!
Van één boom, dat is niet dol,
D’ Moeite waard, aan te beginnen!

Zoo maar samen met je Zus?
Hoe bent jelui klaar gekom(m)en?
Ook héél boven? Dåår is dus,
De “boomenklimster” bijgeklommen!

Mist men 5, 6 pruimpjes niet,
Aan een boom zóó volgeladen?
(’k draai het om, zoals je ziet.
Waarom? DĂĄt kun je wel raden.)

Dat was iets voor jouw geweest.
Ga je mij nog plagend schrijven.
En je weet.
 ’k ben zoo... bedeesd;
’k Had er niet af durven blijven!!

Maar.. er staan in jelui gaard,
Toch nog meerd’re vruchtenboomen?
Is mijn hulpe je wat waard,
’k Wil dan graag meeplukken komen!!

Tot besluit van mijn geklets,
Wil ik je nog gauw wat vragen:
Doe mijn groeten, beste Betsy
Aan je Ouders, Zus en Plagen.

Met hartelijke groeten aan jouw,
Van Pieter

De titel van bedoeld boek is:
“Het standpunt der Vrouw in de Maatschappij.”
Naar Dr. Mausbach
Door A. Kellenaers-Damereaux
Uitgave van Futura

Na de vestiging van mijne Zaak op 1-2-1910 schrompelde mijn arbeid op maatschappelijk gebied steeds verder in. In 1910 volgde ik nog maar voor de laatste maal de cursus lessen der Kath. Sociale Weeken; tot en met 28-7-1912 was ik nog leider van de Geheel-Onthouders bond St. Tarciciers, waarvan plusminus honderd jongens lid waren en gemiddeld 60 elke avond ter vergadering kwamen, ook uit verre uithoeken van de stad, hetgeen mij vaak verwonderde. Het notulenboek, dat Zeer interessant was is óók verbrand.

Later, gekozen tot bestuurslid van de Vakvereenigingen meende ik de benoemingen te moeten aanvaarde. Zoo was ik Secretaris van de Nederl. Vereeniging van Natuursteenhandelaren:
Van 14-12-1914 tot 15-1-1917 (veel arbeidvergend wegens de oorlog. De heer Butz verklaarde mij in 1946 dat de notulenboeken van dien tijd nog bestaan en dit uitwijzen.)
Van 14-7-1926 tot 8-1-1929
Van 17-1-1939 tot 22-1-1934
En Voorzitter van de “Rovon” Van 25-11-1937 tot 26-1-1939

Van de St. Vincentius Vereeniging “Olde”, lid van 28-10-1926 tot 22-10-1928.

Van de Nederl. Heidemaatschappij lid: vanaf 28-8-1916 tot vertrek naar Nijmegen, voorzitter afdeling Rotterdam vanaf 1930 of 1931.
Op jaarvergaderingen die afdeeling reeds vertegenwoordigd in september 1920.
Voorzitter van de afdeeling van zuid-oost Gelderland van 22-8-1950 tot mijn ontslagname om gezondheidsredenen op 14-7-1959. Op 4-2-1920 won ik de eerste Prijs = Zilveren medaille bij schietwedstrijd bij Rotterdamse Burgerwacht, als lid van Vendel Nr.5 div. VII ofschoon ik slechts een van de 2 series had geschoten omdat ik toen de seincursus voor radiotelegrafie volgde. Op 9-11-1927 als lid aangenomen van Bouwkunst en Vriendschap.

In het steeds verder uitbreiden van mijne natuursteenverzamelingen, verbetering en verfraaiing der toonzalen alsmede in het vanaf juni 1918 uit een woestenij in een algemeen geroemd landgoed herscheppen van het terrein groot 130 H.A. dat toen ik het kocht “Het Maldensche Vak” genoemd werd, schepte ik al die jaren een zeer groot genoegen, vooral omdat dit alles mijn gezin ook tot nut en genoegen schepte. Onproductieve, onnuttige, ontspanningen en genoegen Kon mij steeds minder bekoren. In 1916 maakte ik kennis met den Heer AndrĂ© Vogels te Amsterdam, bezocht hem thuis en in het pension te Bennebroek waar hij met Zijn gezin vacanties doorbracht en vaak ook gaarne alleen een paar dagen verbleef, omdat het daar rustig en mooi was.

De besprekingen met hem, en na het verschijnen ervan, vooral zijn werk, hebben mijn oud, steeds uitgesteld voornemen versterkt en van toen af vormde ik het plan om ook “stambomen” op te stellen.

Maar mijne Zaken en de velerlei Zorgen voor mijn Gezin, het boschbezit, landhuisbouw en zoveel meer, stonden mij niet toe met de uitvoering van dit grooter plan te beginnen.
31-5-1917 Zond ik den burgemeester van Vlijmen de door mij opgestelde formulieren toe met verzoek om onderzoek en invulling, hij antwoordde: “geen tijd, u kunt het hier zelf doen als u wilt”.
Gedurende de jaren 1908-1917 had ik al fotoalbums samengesteld. Als eerste eene met die van de Lourdes reizen.

Hierop waren plusminus 6 albums gevolgd met foto’s die ik Zelf gemaakt had en, als meest Zorgvol bijgeschrevene, eene van het Boschbezit, vanaf den aankoop toestand tot plusminus 1930, met vele opnamen waarop mijn gezin voorkwam, ook Paapa Vogels, die mij den aankoop had mogelijk gemaakt en veel op het gebied van “teekenen voor dunning” enzovoort geleerd.

Na het overlijden van mijn Vader (op 24-5-1933) in het bezit gekomen van de beide Tirion-familie-
stamboekjes, kreeg mijn plan hierdoor grooten steun.

Op 31-11-1935 begon ik deze boekjes te controleeren, bij te werken, en in mei 1936 een onderzoek betreffende het geslacht van Stokkum.
“Zie brief 9-5-1936 aan Herman van Stokkum, en zijn antwoord 12-5-1936”
Af en toe werkte ik hieraan doch Zonder andere voorlichting dan het Vogels-Familieboek. Een werk als dit organiseeren, voor de vele onderdeelen de beste systemen en wijzen voor uitvoering bedenken enz, vordert veel tijd en deze mocht (en kon) er dus nog niet aan besteed worden.
Er was nog steeds te veel noodzakelijke arbeid welke vóór moest gaan.

De jaren 23-24 en 25 waren voor Moeder en mij uiterst Zorgvol. Wij leden toen Zwaar finantieel verlies, de finantieele ondergang naderde snel.
Het uit kleine en groote kasboeken bijhouden van netkasboek en onkostenboek, het van briefjes bijwerken van bankboek, vreemd geld – dekkingenboek en postrekening, deed Moeder toen gedurende eene lange tijdruimte, ’s avonds. Ik was hiertoe niet meer in staat, vele posten brachten mij onophoudelijk den toestand voor het oog, leidden mij telkens af van dit werk waardoor onophoudelijk fouten ontstonden. Terwijl Moeder dit werk deed, zat ik erbij, om voor zoover noodig inlichtingen te geven.

Door dit toen Zelf beleefde is het mij duidelijk geworden, dat niet élke Zelfmoord een wanhoopsdaad is, een bewijs van gebrek aan Godsvertrouwen.

Ook de jaaren 1934 tot en met 1939 waren zorgvol, de oudste kinderen kunnen zich dit nog goed herinneren.

Op het gedurende deze jaren geleden kapitaalverlies volgde Mei 1940 de verwoesting van mijn gedurende dertig jaren opgebouwde Zaak, het verlies van alle bezittingen van ons zeer groot gezin te Rotterdam.

God deed mij echter onmiddelijk inzien dat deze, naar menschelijke inzicht, groote ramp, ons tot geluk zegen zou strekken, mits wij onze plicht deden. Bij het
 15 mei 1940 des ochtends vernemen dat onze gebouwen met inhoud geheel verwoest, verbrand waren zeide ik onmiddellijk aan Moeder: “Nu gaat onze lieve Heer ons helpen.”

Moeder droeg haar vollediger verlies van zelfs de haar persoonlijke dierbaren bezittingen zonder een traan te laten, vol onderwerping aan Gods Heilige Wil of Toelating, en de kinderen volgden haar voorbeeld. Mijn hinderde nog lange tijd het gemis van alle tekeningen waarop de rangschikking der polijsten marmeren platen in de vier stellingen mijner toonzalen...... Deze was tenslotte overweldigend mooi.

Met ongebroken volhardende geestkracht werd in elk opzicht, onmiddellijk na deze ramp, aangepakt en voortgewerkt.
Alle kinderen stonden ons, Ouders, hierbij trouw ter zijde.

De voor noodgebouw schade-enquĂȘte-commissies, regeeringsorganen, enz enz te verrichten herseninspannende arbeid, veel te lang volgehouden, overmatig werken hieraan, de in het hoofdstuk “hoe deze bronnen en toelichtende familiestukken tijdens de Rotterdamse Ramp mei 1940 behouden bleven” omschreven nachtelijke angstaanjaging enz, deed mij 23 September en 13 oktober 1941 bewusteloos neervallen.
Op 18-10-1941 vertrokken Moeder, ik en de vier jongste Kinderen naar halfweg Nijmegen-Groesbeek waar nu familie van Gastel woont.

Gelukkig was de meest dringende en noodzakelijk arbeid toen juist gereed en de door dr. Dingelman voorgeschreven en met Moeder en de vier jongste kinderen te Groesbeek, Nijmeegsche baan 80B genoten rust, deed mij spoediger dan verwacht werd herstellen.

Voor de Zaak niet mogend werken, begon ik half november 1940 dus in den leeftijd van 60 jaaren en 7 maanden gevolg te geven aan de onderwerperlijke, reeds Zoo lang gekoesterde wensch.

Na eene aanvulling op het “Vogelsboek” geschreven te hebben volgde opstellen van gedeelten van een “Van Stokkumboek”. Hiervoor benutte ik toen alleen mijn Succes-agenda, zie hoofdartikel: “hoe deze bronnen enz”. Op 13-12-1941 keerden Moeder, ik en de vier jongste Kinderen weer naar Rotterdam terug en van toen af werd bijna dagelijks zeer veel in voordracht, wegens de oorlogsvliegtuigen (bij onheil moest toch minstens één van het gezin aangekleed zijnde, onmiddelijk, kunnen handelen), aan dit werk voortgegaan. Bovendien: overdag teveel afleiding en was het nodige concentreren onmogelijk voor mij.
Het schrijven van reisverslagen, bezoeken aan – en gesprekken met leveranciers en afnemers betreffend, beoefende ik al vanaf begin 1905.
Het schrijven van opstellen over het natuursteenvak was mij te moeilijk gebleken en daarom waren desbetreffende uitnodigen “afgepoeiĂ«rd”.
Deze uitnoodigingen waren vermoedelijk een gevolg van de vrij algemeene bekendheid in vakkringen, de veele lezingen en causeriĂ«n door mij over het onderwerp “natuursteen” gehouden.

Het schrijven van deze familieboeken viel óók niet mee. Een bibliotheek kan deze arbeid bijzonder verlichten. Er is zooveel dat men even zou willen nazien. Maar alle mijnen boeken zijn verbrand. En de enkele nieuwe welke ik tot dusver kocht, konden in dit geval niet dienen, behalve een verklarende woordenboek der Nederlandsche taal , waarvan ik bij dit werk dikwijls een dankbaar gebruik maakte.

De stamboeken Tirion-Ooms en van Stokkum kwamen allereerst tot stand. Hierna de oudste deelen der Familiealbums.

Tusschentijds ontstonden reeds verschillende “voorwoorden”, en andere opstellen welke achtereenvolgens in deze eerste familieboeken werden opgenomen.
Hierop volgden in deze boeken de stambomen, registers, en generatiegewijs overzichten.
Ook “het voorlopige familieboek van Stokkum 2” kwam toen gereed.

Onder het schrijven van de enkele opstellen van de stambomenboeken, onderging het oorspronkelijke plan grondige wijziging.

Het spreekwoord “Aldoende leert men”, bleek ook hierbij voor honderd % waar te zijn, en Guido Gezelle’s raad: “Denkt alvorens gij doende zijt en doende denkt dan nĂłg”, welke ik mijn personeel voor oogen hield, in het bijzonder en steeds den jongsten kantoorbediende, moest ik ook hierbij zĂ©lf opvolgen.

Raadpleging der voornoemde bronnen, verzameling der gegevens, het met elkaar in verband brengen van gegevens, enz, had tallooze aanvullingen, verwijzingen en verbeteringen deze opstellingen te gevolgen brengen. Splitsing deze opstellen en verplaatsing van deelen, bleek herhaaldelijk nodig.
Hierbij komt nog: “L’appetit vient en mangeaut”!

Mijne karaktertrek, erfenis van mijn beiden grootouders en ouders, alles zoo nauwkeurig en volledig mogelijk te willen doen, gesterkt door het spreekwoord: “Doe het niet of doe het goed”, was mede oorzaak dat het aantal onderwerpen en artikelen alsmaar vermeerderde. Beknoptheid kwam in hevig gedrang. ’zie in verband hiermede hoe nauwkeurig het uuren van geboorte en doop mijn grootvader C. Tirion zijn aanteekeningen in het tweede familieboekje maakte en ook mijn vader zijn notities maakte, ook grootvader van Stokkum was erg precies.

Toen ontstond als gevolg van het “Familieboek van Stokkum-Vogels” bestaande uit de voor de stambomenboeken geschreven opstellen welke feitelijk hierin niet thuishoorden en de vele daaraan later toegevoegde opstellen.

De eerst voor de stambomenboeken geschrevene werden toen opnieuw “onder de loupe” genomen, aangevuld en verbeterd.
Nog steeds komen er nieuwe onderwerpen bij of worden oude opstellen gesplitst, verbeterd en aangevuld ten einde het nageslacht zooveel en nauwkeurig mogelijk in te lichten, nut en genoegen te verschaffen.
Elk onderwerp verkreeg een volgnummer na voorafgaande ordening welke zooveel mogelijk logisch en naar tijdsorde geschiedde met behulp van een hiertoe speciale vervaardigde tijdelijke “seriekaarten”, waarop elk onderwerp afzonderlijk vermeld was.
De Stamboomboeken en Familieboeken geven een overzicht betreffende van Stokkum, Vogels, Tirion en Ooms en aanverwante familieen, zoomede vrienden en goede kennis.

Dit familieboek geeft uitsluitend inlichtingen betreffende het eigen voorgeslacht onze Kinderen en dezer naasten familieleden.

Het spreekwoord:

“In der BeschrĂ€nkung Zeigt sich der Meister”, is op mijn werk zelden van toepassing, óók op dit niet!

Rotterdam 3 juni 1942
Verbeterd 21 augustus 1944

Handtekening

(Piet van Stokkum)


overgetypt door Ella en Wouter Fokkinga,
Leiden 2018


Instructies voor het Familieboek, 4 feb 1960

Familieboek-voorkaftFOTOs/Familieboek-voorkaft.jpg Familieboek-achterkaftFOTOs/Familieboek-achterkaft.jpg


V R I E N D E L I J K   V E R Z O E K . 1

Zend mij toe, al hetgeen dienen kan ter verbetering, bijwerking en aanvulling van:

Vooral betreffend  Voorouders en Familieleden  der oudste generaties zijn mij inlichtingen en in No.2 van dit boek genoemde stukken zeer welkom.

Deze portretten, andere foto’s, bidplaatjes enz. dadelijk aan mij toezenden kost als regel de minste tijd.

Immers, het nu voor de hand liggende moet, indien tijdelijk ter zijde gelegd, later eerst weer opgezocht worden en
.. is dan wellicht niet eens meer te vinden!

Die stukken kunnen intusschen vernietigd of weggeworpen zijn door een huisgenoot die de geschiedkundige en verdere waarde er van niet kende. Op deze wijze gingen reeds zoo veel oude familiefoto’s, bidplaatjes, enz., enz., ook van onze Voorouders, verloren.

“Van uitstel komt afstel”, zegt het spreekwoord zeer terecht.

Schrijf daarom, bij gebrek aan tijd voor een begeleidende brief, met zacht potlood, de namen der personen op de achterkant van de portretten en andere foto’s, met voor zoover mogelijk ook de datum, desnoods alleen het jaar of ongeveer het jaar, en de plaats der opname. En stuur mij alles zóó maar toe!

Zóó, zonder brief, dadelijk zenden, zal ik óók bijzonder waardeeren, vanzelfsprekend eventueele nazending van inlichtingen eveneens.

Foto’s enz. welke ik niet behouden mag, laat ik eventueel dadelijk reproduceeren, resp. overschrijven, en zend ze daarna onmiddellijk terug.

Voor het verstrekken van de voornaamste inlichtingen betreffend familieleden (hun namen en de namen der plaatsen van geboorte, huwelijk en overlijden, met de datums), zijn bij mij zeer overzichtelijke en gemakkelijk in te vullen formulieren verkrijgbaar.

Deze formulieren, waarvan er een als nummer 23Ia in dit boek is opgenomen, worden, voor zoover voorradig, gratis verstrekt, desgewenscht voor elk gezin 2 stuks, opdat de inzender (ster) voor zich zelf ook een ingevuld exemplaar behouden kan. Met deze duplicaten kan hij (zij) een eigen Stamboomenboek samenstellen.

De aantallen der gezinnen waarover inlichtingen verstrekt zullen worden dus opgeven.

Als voorbeeld voor invulling dient No. 23Ib in dit boek.

9 October 1946. JT.
(blz 68a)


V R I E N D E L I J K   V E R Z O E K . 2

Alle mijne kinderen, die op het bezit van een exemplaar van dit Familieboek prijs stellen, zullen er, voor zoover mogelijk, een ontvangen.

Zij die hierin, op nog jeugdigen leeftijd, geen of gering belang stellen, moeten niet denken, dat dit gedurende hun geheele leven zeker zoo blijven zal.

Later kunnen ook zij wel eens blij zijn met deze hen geboden gelegenheid om iets na te zien, hetgeen zij zelf, een familielid of kennis, gaarne willen weten.

Een spreekwoord beweert: “Niets veranderlijker dan een mensch”. Hoe dit ook zij, zùker is m.i., dat belangstelling in een of ander, lief-hebberijen enz., kunnen ontstaan, toe- en/of afnemen met de vermeerdering van het aantal van onze levensjaren, de verrijking van onze kennis en ervaring, de wijziging van onze levensomstandigheden.

De kinderen en/of verdere nakomelingen die werkelijk in geen tijdperk van hun leven eenig belang zouden stellen in dit Familieboek, de bijbehoorende Stamboomenboeken en Familiealbums, of sommige gedeelten hiervan, zelfs nimmer iets zouden gevoelen voor “Moeders Dagboeken”, kunnen er vast op rekenen, dat zij door dit alles toch steeds zorgzaam te bewaren anderen een groot genoegen bereiden.

Deze “anderen” zullen voornamelijk zijn: één of meer kinderen, kleinkinderen en/of verdere nazaten van hen zelf of van hunne broeders en zusters.

Immers, de in No. 12 omschreven gevoelens sterven met mij, mijne kinderen of kleinkinderen, niet uit.

De erfelijkheid hiervan, ook in de geslachten waarvan met mij ook mijne kinderen afstammen, is in No. 12, 14 en 16 aangetoond.

Deze gevoelens kunnen in een of meer der eerstvolgende generaties bij enkele, vele, zelfs alle nakomelingen “sluimeren”, maar in verder nageslacht “ontwaken” ze dan toch weder, bij enkele, wellicht vele nakomelingen.

Om redenen welke de thans - en kort na ons - levenden niet alle bevroeden, kunnen ook -misschien wel vooral - gedeelten van het Familieboek, de Stamboomenboeken en Familiealbums welke nu, en wellicht nog langen tijd na ons, geen of zeer geringe belangstelling wekken, een bron van nut of genoegen zijn.

Steeds méér geschiedkundige onderzoeken worden ingesteld en nasporingen verricht, o.a. betreffend het leven en sterven van personen, vroegere toestanden en gebruiken. Hoeveel moeite, studie, tijd en geld is ook hieraan reeds besteed?

Het gemis van veel dat hierbij van dienst, nut of waarde had kunnen zijn, doch in voorgeslachten vernietigd is, werd hierbij ernstig gemist.

24 April 1945 – J.
(blz 68b)


“Alles bewaren” is dwaasheid en onmogelijk, “schiften” uiterst moeilijk.

“Kennis en gevoel ter zake”, alsmede het “rekening houden met hen die ons komen zullen”, zijn in deze m.i. belangrijk.

Om voornoemde redenen verzoek ik alle mijne kinderen en verder nakomelingen:

Onder familieleden reken ik hier óók, de van onze voorouders in zijtakken afstammenden. Aan hen behoeven alleen de voor hen geëigende gedeelten van het Familieboek en/of de Stamboomenboeken verstrekt te worden. De wijze van indeeling van het Familieboek maakt dit zeer gemakkelijk.

Van gedeelten van het Stamboomenboek “Tirion” maakte ik reeds een copie. Hiervan is in zijtakken bereids een dankbaar gebruik gemaakt.

Na het overlijden van Moeder en mij zouden de kinderen, in gemeenschappelijk overleg, een beheerder (beheerster) kunnen kiezen, die bereid is om het meest volledige Familieboek, de Stamboomenboeken, de Familiealbums en het Vogels-boek, welke naar ik hoop tot dan in het bezit van Vader of Moeder zullen zijn gebleven, als vooromschreven te beheeren.

Door voortzetting van een zoodanig beheer-systeem, kan dit mijn verzoek waarschijnlijk vervuld worden en zouden ook eventueele vervolgboeken in opvolgende generaties ter beschikking van belangstellenden blijven.

Rotterdam, 18 October 1944.
[getekend: PvanStokkum]

[in handschrift:] Groesbeek 16.2.1957
E.vanStokkum-Vogels

24 April 1945 – J.
(blz 68c)


A r c h i e f   v a n   S t o k k u m - V o g e l s .

Verplichtingen en verlangens ten aanzien van mijn gelegateerde Familieboeken, Familiealbums, Stambomenboeken en Administratieboeken e.a..

De legataris beschouwe zich als de beheerder (beheerster) van dit archief, zoals op 18-10-1944 door mij omschreven in de voorlaatste alinea op bladzijde 68c van het “Familieboek”.

Zoveel als in zijn vermogen is, zorge de legataris voor de onafgebroken voortzetting van zodanig beheer, o.a. door onmiddelijke legatering (welke later zonodig gewijzigd kan worden) van het onderwerpelijke legaat aan de hiervoor meest geschikt geachte opvolger(ster).

Ik hoop dat door o.a. zodanige legatering in de elkaar opvolgende generaties van mijn nageslacht, bij voorkeur in de mannelijke linie, dit archief tot in het verre nageslacht behouden blijft.

Deel No 68b+c van het “Familieboek” licht dit nader toe, zie ook:
“door onverschilligheid van anderen—)” op blz.12f.

De tot dit legaat behorende brandkast moet daarmede een onafscheidelijk geheel blijven vormen.

Het is de legataris(se) toegestaan, indien dit noodzakelijk is, deze Lipsbrandkast AK1760 te vervangen door een in alle opzichten gelijkwaardige brandkast, die wel iets kleiner is, maar toch groot genoeg om al hetgeen dat tot dit legaat behoort (en de eventuele uitbreiding hiervan) overzichtelijk geordend te kunnen bergen.
Groesbeek, 13-2-1960

J.J.M.v.S.
[getekend: E.vanStokkum-Vogels en P.vanStokkum]
(blz 68d)


I n l i c h t i n g e n   betreffend het Archief
v a n   S t o k k u m - V o g e l s .

Register. In sigarenkistje H6 zijn kaartjes welke, met een letter (A t/m S) en volgnummer verwijzen naar de plaats, waar een aldus gemerkt boek, map, ordner, album of ander voorwerp zich in de archiefbrandkast moet bevinden. Op elk kaartje is bovendien vermeld een beknopte omschrijving van de inhoud ervan.

De kaartjes met de letters T,U enz. en volgnummer verwijzen echter naar een plaats in de brede kantoorkast (boven resp. onder). Ook deze kaartjes zijn voorzien van zulk een inhoudsomschrijving. De met T,U,V,W,enz. en volgnummer gemerkte boeken, mappen enz. behoren niet tot het steeds in de brandkast te bewaren archief. Maar veel hiervan is dadelijk of later nodig. Ruim niet ondoordacht te vroeg op!!!!. Guido Gezelle waarschuwde: “Denkt alvorens gij doende zijt en doende, denkt dan nog!!”

Ook enige der met A t/m S en een nummer gemerkte bescheiden enz. behoren niet tot het in de elkander opvolgende “Generaties van Stokkum”, te bewaren archief. B.V. De boeken B1 en C5 betreffende de Panoramaberg kunnen vernietigd worden zodra geen deel ervan meer eigendom is van een der familie-leden. Maar de boeken A2,3,4 enz., alsmede de meeste stukken van map E3 betreffend de Hooge Hoenderberg moeten steeds zorgvuldig bewaard blijven. Vooral die betreffend de erfdienstbaarheden alsmede de overeenkomsten met de waterleiding en de spoorwegen, omdat deze later voor een of meer leden van ons nageslacht van groot belang kunnen zijn.

Verder kunnen vernietigd worden de inhoud der mappen B7 en B8 (behalve het z.g. “inlegvel” en de brieven van de bouwk.ingenieurs A.van der Steur, Meischke en Boersma) ~zodra de oorlogsschade, bedrijfsuitruting met het Rijk en Leo geheel geregeld en met mij afgerekend is~ [in handschrift: *Ik rekende met Leo af]

4-2-1960.J.J.M.v.S.
(blz 68e)


Ook de inhoud van de mappen B14,15,16 en 18 kan vernietigd worden zodra de hierin verzamelde gegevens geheel verwerkt zijn.

FAMILIEBOEK. De “inhoud” van het hoofdboek dateert van 7-11-1946 en was toen nog lang niet voldoende uitgewerkt, omdat nog veel gegevens ontbraken. Thans, op 18-2-1960, is nog steeds niet datgene gereed, waarvan de bedoeling is, het in het familieboek op te nemen. Zie o.a. B13 t/m B20 en AN3.

Maar zonder lang uitstel dient thans een nieuwe inhoudsopgave van het fam.boek opgesteld te worden, om het vlug vinden van iets waarin men belang stelt, mogelijk te maken. Deze te tikken op transparant-papier met carbonpapier tegen de achterkant en lichtdrukken aan allen te zenden die reeds een fam.boek, of een deel daarvan, in bezit hebben.

Op deze wijze zijn nog te verzorgen de aan onze kinderen geschonken fam.boeken. (Zie de op lijsten aangegeven bladzijden van het “familieboek” voorin in de genoemde boeken.) Zo zullen alle kinderen een volledig boek verkrijgen, hetwelk aangevuld moet worden met de foto’s, welke hiervoor reeds voorradig zijn. Zie J(achter).

In de linker-onderhoek van elke bladzijde is vermeld de datum van het typen (overtypen) van deze bladzijde alsmede de initialen van de typist(e).

De meeste bladzijden zijn, nadat ze reeds in 6 voud getypt waren, nog een of meer malen overgetypt. Dit geschiedde wegens latere wijziging en/of aanvulling van de tekst.

4-2-1960, J.J.M.v.S.
(blz 68f)


De aldus vervangen ex. bevinden zich in de ordners A03 t/m A07 en kunnen dienen voor samenstelling van verdere fam.boeken, welke vanzelfsprekend niet volledig zijn.

In de brandkast bevindt zich thans in 3 ringmappen (1,2 en 3) een volledige serie van de het laatst getypte exemplaren van alle gereed gekomen delen. Ook vele van deze delen zijn later nog aangevuld, resp. bijgewerkt.

In deze 3 ringmappen bevinden zich bij verschillende delen nog toelichtende bijlagen. Van slechts enkele dezer bijlagen zijn duplicaten voorhanden.

Familie-albums. R 1 t/m 9 enz, N+P1,2,3 en 4,G6. Deze zijn naar tijdsorde samengesteld en bevatten stukken die voor leden van ons nageslacht van waarde of belang kunnen zijn. Op vele plaatsen in het familieboek wordt naar deze stukken verwezen. Daarom behoren deze albums tot het steeds te bewaren archief.

Familie-foto-albums. Ook deze zijn naar tijdsorde samengesteld.
De drie grootste omvatten fotos betreffende:

4-2-1960. J.J.M.v.S.
(blz 68g)


Links boven elke foto is de datum der opname vermeld, rechtsboven: het nummer van het negatief, indien dit zich bevindt op N(achteraan) in de brandkast. Ook kan de naam van de maker van de foto hier aangegeven zijn, (die waarschijnlijk het negatief bezit.)

Achter de 2 eerste grote Fam.foto-albums, dus op L en M, bevinden zich nog 2 sigarenkistjes (L1 en M1) waarin kaarten met:

Van vele fotos zijn er dubbele ex., van enige zelfs 12 of meer in de doos op P; deze zitten in enveloppen met het negatief-nr er op.

In doos J1(op J achteraan), zijn in enveloppen met jaar der opnamen verschroeide, deels nog inplakbare fotos. De voorzijde mag beslist niet met vocht in aanraking komen, daar bij verschroeide fotos de emulsie(voorzijde) direct loslaat bij vocht!!!!!!.
In deze doos zijn ook nog onverschroeide, goede fotos. Zie ook: J2,J3,J4,Q3,Q4,Q7,Q8 en Q9.

Stambomen-boeken. Op Schap A vooraan in de brandkast bevinden zich o.a.:

Het “Vogelsboek” en het familiewapen van het geslacht Ooms bevinden zich op schap K bij de vele andere albums, boeken enz. [in handschrift:] welke daar vlug weg te nemen en terug te zetten zijn.

4-2-1960, J.J.M.v.S.
(blz 68h)



Ontwerp Testament van het Familieboek, 20 feb 1960

FOTOs/OntwerpTestament-Familieboek.jpg [briefpapier van]
P.J.M. VAN STOKKUM
Postadres Nijmeegsebaan 64, Nijmegen
Autobushalte “Nebo – H. Landstichting”
Telefoon: Nijmegen 22233
Postrekening 346000

Groesbeek, 20-2 1960

Ontwerp Testament

van

de Heer Antonius Alphonsus Maria van Stokkum, Architect B.N.A. wonende te Groesbeek, echtgenoot van Mevrouw Maria Anna Nijs, geboren te Rotterdam op 11 Mei 1912.

Voor het geval ik mocht komen te overlijden na mijn ouders Petrus Joseph en Elisabeth Wilhelmina Maria Vogels en ik uit dien hoofde in het bezit mocht zijn van de 
 brandkast AK1760 met de familieboeken, familiealbums, stamboeken, administratieboeken e.a. betreffende de Hoge Hoenderberg te Groesbeek, mappen enzovoorts met de familiedocumenten en de foto’s, kaarten, correspondentie, rekeningen enzovoorts, dit alles mij gelegateerd door mijn voornoemde ouders, zo legateer ik allen deze hiervoren vermelde boeken, bescheiden, administratie, foto’s tekeningen, enzovoorts, zomede voornoemde Lips brandkast, met de richtlijnen welke ik hieromtrent van mijn ouders ontving bij afzonderlijk schrijven, aan mijn broer Josephus Johannes Maria van Stokkum te Groesbeek.

Verplichtingen en verlangens ten aanzien van mijn gelegateerde brandkast, familieboeken, familiealbums, stamboeken, administratieboeken e.d. E. Van Stokkum-Vogels 20-2-[1960?]

Erboven, op een zo te zien verzegelde envelop staat: “executeur testamentair”