🏠 Home Top Je leest nu: van STEEN tot HOENDERBERG

van STEEN tot HOENDERBERG

A.A.M. van Stokkum

SAMENGESTELD TER GELEGENHEID
VAN DE
83e VERJAARDAG
VAN DE HEER
P. J. M. VAN STOKKUM

23 maart 1964



Inclusief reacties van diverse instanties en personen

VOORWOORD VAN DE SAMENSTELLER

In dit gedenkboek treft U allereerst een levensschets aan over mijn vader, de heer P.J.M. VAN STOKKUM.
Diens veelzijdigheid wordt treffend belicht door architect ir. M.C.A. Meischke en een oud-hoofdingenieur van de Rijkswaterstaat.

Voorts wordt de geschiedenis vanaf 1918 behandeld van de terreinen ter grootte van ca 130 hectare, welke terreinen mijn vader in genoemd jaar te Groesbeek in eigendom verwierf.

Aan deze terreinen – vormende het hoogst gelegen gedeelte van het vroegere landgoed de Wolfsberg en destijds aangeduid als “Het Maldensche Vak” – gaf mijn vader de naam: landgoed De Hooge Hoenderberg.

Eertijds kon mijn vader door zijn activiteiten te Groesbeek reeds bijna tien jaar worden gerekend te behoren tot een heel kleine groep idealisten – voordat hij daarmee in contact kwam – die men toen nog “natuurhysterici” noemde en aanwreef dat zij “hersenschimmen najoegen”.

Het was in 1927 dat de voorvechter van deze kern van natuurbeschermers, de voorzitter van de “Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland”, mr. dr. P.G. van Tienhoven en de directeur van het Staatsbosbeheer, de heer E.D. van Dissel, aan mijn vader de vraag voorlegden of hij genegen was van zijn terreinen – waarop hij inmiddels, sedert 1918, al een prachtig boscomplex had gecreëerd, doorkruist met vele mooi aangelegde wegen – een gedeelte af te staan, t.w. het gedeelte dat als een enclave tussen de beide landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg was gelegen, ter completering van een te stichten natuurreservaat.

Dat dit natuurreservaat indertijd met een gedeelte van zijn bezit kon worden uitgebreid en zelfs verrijkt werd met de gehele enclave van ruim 80 hectare en dat er tevens een definitieve regeling tot stand kwam met betrekking tot het denkbeeld van mijn vader om op het resterende gedeelte van zijn bezit villa’s, een vacantiedorpje te bouwen, welk plan dateerde uit 1926, is ongetwijfeld te danken aan de liefde voor natuurschoon, de vasthoudendheid, maar bovenal aan de vooruitziende blik van de betrokken partijen.

Partijen gingen er van uit, dat de tweevoudige bestemming tevens een splitsing van dit landgoed en speciaal een regeling inzake de oppervlakte van de beide delen, noodzakelijk maakte, zodat een definitieve grenslijn tussen die beide delen kon worden bepaald.

Er is getracht een gedocumenteerd en nauwsluitend verslag samen te stellen aangaande de onderhandelingen, die hebben geleid tot het accoord van 28.12.1929, betreffende het afstaan door mijn vader van genoemde 80 hectare, dat van zijn bezit “het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte” was. Ook minister Ruijs de Beerenbrouck omschreef dit gedeelte aldus, in zijn antwoord op vragen aangaande dit gebied destijds gesteld in de Tweede Kamer.

Genoemd accoord bracht voor mijn vader mee, dat hij o.a. zijn sedert 1926 voorgenomen plannen moest wijzigen in dier voege, dat bij genoemde tweevoudige bestemming van zijn terreinen de zgn “Sanatoriumweg” als scheiding tussen die beide delen moest worden aangehouden, zodat hij van zijn oorspronkelijke bezit een aanmerkelijk groter gedeelte dan aanvankelijk bedoeld onbebouwd liet en dat grootste gedeelte ongerept zou afstaan ter verrijking, doch tevens als afronding van het als natuurreservaat bestemde gebied, maar dat hij daar tegenover, ten aanzien van zijn denkbeeld voornoemd, o.a. de uitdrukkelijke toezegging verkreeg dat het resterende gedeelte van overheidswege nimmer als natuurreservaat of dergelijke zou worden aangemerkt, dat dit gedeelte tegelijkertijd officieel werd bestemd tot een voor ons land uniek gelegen toeristencentrum en dat bij het verwezenlijken van de bouw van dit vacantiedorpje, deze “Lusthof De Hooge Hoenderberg”, op royale medewerking kon worden gerekend van de zijde van de overheid.

Door deze vrijwillige samenwerking tussen de betrokken partijen, tussen deze natuurbeschermers van het eerste uur, die bij de onderhandelingen rekening hielden met genoemd denkbeeld van mijn vader, doch meer nog met het algemeen belang, kon destijds ruim tachtig hectare prachtig ongerept natuurschoon worden toegevoegd aan het te stichten natuurreservaat, welk gebied hiermee een schone eenheid kreeg en tevens als afgerond werd beschouwd.

Het is in dit verband, dat een in genoemd verslag gesignaleerde beslissing doet veronderstellen dat bepaalde overheidsinstanties met bovengenoemde officiële tweevoudige bestemming, gevolgd door een definitieve splitsing van het oorspronkelijke landgoed De Hooge Hoenderberg niet volledig op de hoogte zijn.

Dit gedenkboek kan daarom tevens worden gezien als een pleidooi voor hetgeen indertijd werd overeengekomen ten aanzien van het denkbeeld van mijn vader, als een pleidooi voor de nakoming van verklaringen van de zijde der overheid met betrekking tot het resterende gedeelte afgelegd.

Bij het verzamelen van gegevens stuitte ik op tal van moeilijkheden. Tijdens het bombardement van Rotterdam in mei 1940, werden zowel ons woonhuis als de zaken van mijn vader totaal vernietigd.

Hierdoor was ik aanvankelijk geheel aangewezen op de vele aantekeningen van mijn vader welke, deels verschroeid of verkoold, werden aangetroffen in zijn uit de puinhopen gedolven brandkast.

Met deze notities alleen kon genoemd verslag vanzelfsprekend niet worden samengesteld, maar dit werd mij bijzonder welwillend mogelijk gemaakt door de allerwegen ondervonden spontane medewerking. Nochtans ontbreken enkele te Rotterdam verloren gegane bescheiden.

Dit verslag dient uiteraard als “strikt vertrouwelijk” te worden aangemerkt. Uit de hoofdstukken 8 t/m 19 mag hierom niets worden openbaar gemaakt door middel van druk of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller of van het lid der familie dat het familiearchief Van Stokkum-Vogels beheert.

Tenslotte stel ik er hoge prijs op hier dank te zeggen aan alle personen en instanties, die met het verstrekken van materiaal hun medewerking hebben verleend, waarbij ik – zonder daarmede anderen te kort te willen doen – in het bijzonder vermeld: het Staatsbosbeheer, de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en de stichting De Waterleiding Berg en Dal.

Amsterdam, februari 1964.
A.A.M. van Stokkum

Toelichting, afkortingen en tekens

De in genoemd verslag opgenomen stukken, ontleend aan de onderstaande archieven, zijn conform het origineel. Geen enkele zin of woord ervan is benadrukt door onderstreping of weergave in b.v. hoofdletters; hetgeen in de hierin geciteerde stukken is onderstreept enz., was dit dus eveneens in het origineel. Er is gestreefd geen enkel onderwerp uit het verband te halen en om de schijn van onvolledigheid zelfs maar te vermijden werd meestal een groter deel dan eigenlijk nodig geciteerd. Geldbedragen, als koopsommen, genoemd in deze stukken werden niet overgenomen doch vervangen door: (bedrag). Waar de samensteller dit in een geciteerde brief nuttig achtte gaf hij een korte aanwijzing, of verwijzing, echter steeds tussen haakjes met vóór het sluithaakje: – vSt.).

De aanduiding [Bron B], aan het begin van een geciteerd stuk, duidt er op dat dit in de uit de puinhopen van Rotterdam gedolven brandkast van de heer P.J.M. van Stokkum werd aangetroffen.

De overige bronvermeldingen duiden op de onderstaande archieven waaraan deze zijn ontleend:

Over de oorspronkelijke en deze uitgave

Een bladzijde uit het boekFOTOs/VoorbeeldBladzijde.png De oorspronkelijke uitgave (140 bladzijden) is op een typemachine getypt, met onderstreping, hoofdlettergebruik en  s p a t i e s  als enige opmaakmiddel. Uit scans van de oorspronkelijke uitgave is met OCR een .md tekst (markdown, “platte tekst”) geproduceerd en daaruit met “pandoc” versies in .html, .epub, .docx en .pdf formaat. De opmaak is zoveel mogelijk behouden behalve:

Ook heb ik sommige spelfouten verbeterd.
Maarten Fokkinga, maart 2026

HOOFDSTUK 1

KORTE LEVENSBESCHRIJVING P.J.M. VAN STOKKUM

PETRUS JOSEPH MARIA VAN STOKKUM werd op 23 maart 1881 te Rotterdam geboren. Dat was in de periode van de paardetram en de trekschuit. Deze paardetram b.v. werd één jaar eerder in gebruik genomen en lijn 4 reed het traject Willemsplein, via het Centraal Station en de Oostzeedijk, naar het Station Maas.

PAARDENTRAM TE ROTTERDAM 1880FOTOs/010-2.png Reeds op zeer jeugdige leeftijd nam hij zich voor later bouwmeester te worden. Na de ambachtsschool en enige praktijkjaren, volgde hij een bouwkundige opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. Voorts privélessen in wiskunde en in handtekenen. Daarnaast had hij liefhebberij en aanleg voor schilderen bij voorkeur van landschappen, hetgeen hij graag deed voor zover de weinige vrije uren hem dit toelieten.

Fiat 1901FOTOs/010-7.png Op twintigjarige leeftijd in 1901, gaf hij gehoor aan het verzoek tekenaar, correspondent en beheerder steenopslagplaats te worden bij de firma “Natuursteenhandel Gust. Depla”.

Deze functie betekende voor hem tevens de kennismaking met het edelste bouwmateriaal aller tijden, waarvan o.m. het bepalen van de juiste soorten en de wijze van toepassing van zulk esthetisch belang kan zijn bij (grote) bouwwerken.

Dit materiaal boeide hem zozeer, dat hij zich van deze branche niet meer kon losmaken.

In 1904 trad hij in dienst bij de natuursteenhandel “De Beer en Gnirrep”, te Amsterdam en ofschoon hij voor zijn voorgaande werkgever reeds architecten en aannemers bezocht, werd dit bij deze firma zijn belangrijkste taak naast het maken van werktekeningen.

EERSTE ELEKTRISCHE TRAM TE ROTTERDAM – 1905FOTOs/011-1.png Bovenstaande eerste Rotterdamse electrische tram werd een jaar later in gebruik genomen. Lijn 3 liep toen van de Honingerdijk via het Beursplein naar het Park. De paardetram bleef echter nog jaren in gebruik.

Fiat 1910FOTOs/011-5.png In 1910 op achtentwintigjarige leeftijd nam hij bij genoemde firma ontslag.

Die acht jaren had hij overigens goed besteed, ook aan zelfstudie o.m. talen en geologie (hij benutte hiervoor tevens de langere treinreizen) en hij werkte die jaren vaak tot diep in de nacht aan bouwkundig tekenwerk voor een architect en woningbouwers.

Op 1 februari 1910 richtte hij te Rotterdam “De Nederlandsche Natuursteenhandel P.J.M. van Stokkum” op. Hij trad in het huwelijk in 1911 en vestigde in 1913, zowel zijn kantoren als zijn woonhuis aan de Stationsweg.

Zijn schoonvader, de heer L.H. Vogels, was eigenaar o.a. van enkele bosterreinen in Limburg, die hijzelf beheerde. Het was de heer Vogels, die bij hem vanaf 1908 belangstelling wekte voor de bosbouw; hem in 1916 deed besluiten lid te worden van de Nederlandsche Heidemaatschappij, waarvan de heer Vogels vanaf 1892 lid was en van wie hij zeer veel adviezen kreeg bij het aankopen van een bosterrein in de gemeente Groesbeek in 1918.

In het verenigingsleven was hij bijzonder actief en o.m. lid, bestuurslid en/of voorzitter van: Het Kruisverbond St. Bernardus, De Knapenbond St. Tarcisius, Comité van Katholiek Sociale Actie, Vereeniging Katholiek Leven, R.K. Propaganda Club Leo XIII, St. Vincentiusvereeniging, Nederlandsche Vereeniging van Natuursteenhandelaren enz. Voor zijn natuursteenhandel bezocht hij regelmatig de landen van herkomst en dat was een groot deel van Westen Midden-Europa.

In de bouwwereld werd hij niet alleen een geziene figuur, maar gold daar als een expert op het gebied van natuursteen en de toepassingsmogelijkheden daarvan.

P.J.M. van StokkumFOTOs/012-5.png

Ontelbaar zijn de bouw- en kunstwerken waarvoor hij dit materiaal leverde, zowel voor buiten- als binnenwerk, in eigen land en daar buiten (o.a. Ned. Oost-Indië en Amerika); het materiaal adviseerde en/of de uitvoeringstekeningen maakte.

Zijn monsterzalen waren tot ver over onze grenzen vermaard en met zijn tekenzalen speciaal ingericht om grote groepen belangstellenden te ontvangen. Hij hield namelijk geregeld voordrachten over het ontstaan, de ontginning, de bewerking en de eeuwenlange toepassing van natuursteen als bouwmateriaal, alsmede het benutten ervan voor bouw- en kunstwerken in deze eeuw.

Deze voordrachten werden gekenmerkt door de eenvoudige wijze waarop hij zijn toehoorders, merendeels architecten, leerlingen der hogere klassen der M.T.S. en van de H.T.S., dit alles duidelijk wist te maken, o.m. door het tonen van overtuigende voorbeelden.

In 1918 – hetzelfde jaar waarin hij het genoemde bosterrein te Groesbeek aankocht – richtte hij, eveneens aan de Stationsweg te Rotterdam, “Van Stokkum’s Internationale Materialenhandel” (Vastima) op.

In 1930 behaalde hij de gouden medaille op de Wereldtentoonstelling te Antwerpen, met een stand gewijd aan: “de toepassing van natuursteen óók bij de aanleg van terrassen en tuinen”, welke onderscheiding hem werd verleend op grond van de “keuze èn aanleg van het p l a n t s o e n” alsmede de “keuze èn toepassing van de s o o r t e n natuursteen”.

In 1936 richtte hij aan de Delftsestraat (achter zijn panden aan de Stationsweg) een steenhouwerij op.

NoodkantoorFOTOs/013-1.png

In mei 1940 gingen al zijn bezittingen verloren bij het bombardement, maar reeds 17 juli d.o.v. vermeldden verschillende dag- en vakbladen: “Over aanpakken gesproken: de natuursteenhandel P.J.M. van Stokkum heeft te midden van de puinhopen het eerste Rotterdamse dubbelwandige met pannen gedekte noodkantoor in gebruik genomen, dat bovendien is aangesloten op de waterleiding en op het telefoonnet.”

Er werd al weer een begin gemaakt met het verzamelen van verschillende soorten natuursteen voor het inrichten van een monsterkamer.

In 1941 richtte hij op “Van Stokkum’s Exploitatie Maatschappij” (Vastomij) en begon hij met de vervaardiging van synth. beton-emaille en plastiek.

Uit de krant van (juni?) 1941FOTOs/picture-scan-13-02.png

Wapens van de Delftsche Poort
Een schenking aan de gemeente

Zodra het besluit gevallen was dat de Delftsche Poort niet herbouwd zou worden, heeft de Nederlandsche natuursteenhandel P J. M. van Stokkum het materiaal van deze oude poort opgekocht. Als een daad van piëteit heeft de firma aan de gemeente een zestal van de belangrijkste fragmenten — een drietal wapens, specimina van oud en interessant beeldhouwwerk — een leeuwenkop en twee kleinere koppen aangeboden.

Het geschenk is dankbaar aanvaard. De fragmenten en de koppen zullen binnenkort te bezichtigen zijn in het museum Boymans.

Zij nog vermeld, dat hij destijds nog gelegenheid vond diverse waardevolle stukken natuursteen uit de puinhopen van de stad te redden voor het nageslacht, waarover o.a. in juni 1941 dit bericht in de landelijke pers voorkwam.

Eveneens is vermeldenswaard, dat hij ogenblikkelijk na de ramp, ten behoeve van het publiek een klinkerstraatje liet aanleggen dwars door de puinhopen over zijn terreinen, van de Stationsweg naar de Delftsestraat. Dit werd algemeen gewaardeerd en al spoedig het “Van Stokkumstraatje” genoemd en als zodanig van naambordjes voorzien. In 1949 moest het echter vervallen bij de uitvoering der nieuwe stadsplannen.

Inmiddels had hij in 1942 zijn zoon Leo in zijn zaken opgenomen en hijzelf trok zich hieruit terug in 1946.

WAT IR. MEISCHKE ZICH HERINNERDE OVER VAN STOKKUM

Op 20.6.1963 schreef ir. M.C.A. Meischke aan diens zoon Alfons:

U vroeg mij onlangs, hoe lang ik Uw vader al ken. Dit is al een stevige veertig jaar, want toen ik in 1920 werd benoemd tot Hoofdleraar aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in mijn geboortestad Rotterdam, wist ik al heel gauw, waar en bij wie je op de bel moest drukken om over natuursteen datgene aan de weet te komen, wat je bij je Delftse studie nog niet voldoende onder de knie had gekregen.

Die eerste kennismaking, waarbij je heus niet op het voordeurmatje bleef staan, is al die verdere jaren aangebleven, want vader Van Stokkum had overal belangstelling voor en nam er de tijd voor af om eens gezellig over alles, wat ons allebei belang inboezemde, diepgaand te keuvelen.

Tot 1943 ben ik aan de Academie gebleven, die toen al jaren, wat het technische gedeelte betrof, de naam M.T.S. droeg en nadien bracht de afdeling Rotterdam van de Heidemaatschappij ons weer vaak bijeen en nu ik op mijn zeventigste jaar heb besloten een punt achter mijn architectenpraktijk te zetten, heb ik de tijd om eens over verschillende vrienden wat na te mijmeren en zo heb ik op papier gezet, wat we zo allemaal hebben nagestreefd. Zo is dus het bijgaande epistel geboren over vader Van Stokkum, de vooruitziende zakenman, geoloog, dendroloog en paedagoog.

Zie zelf wie U er mee verblijdt,
M.C.A. Meischke

WAT IK ME NOG ZO HERINNER OVER P.J.M. VAN STOKKUM

Dat begon zo’n dikke veertig jaar geleden! Zoals alle ondernemende Rotterdammers deed hij in iets. Dat iets had doorgaans respectabele dimensies en in Van Stokkum’s geval ook ’n achtbaar gewicht, niet zo per ons of per pond of per centenaar maar het ging grootscheeps, in tonnen, want Van Stokkum deed in natuursteen.

Aan de Stationsweg, die deftige ietwat gebogen brede straat, die van het D.P. Station naar het Hofplein liep, had hij twee eerbiedwaardige panden, waarin hij zijn zaak en zijn gezin uitbreidde. Het waren panden met een statige gedegenheid, zoals trouwens die hele Stationsweg een zekere voornaamheid had, die je in de moderne tijd doorgaans mist. Aan en in die panden was heus niet op een paar palm natuursteen gekeken en op twee ervan prijkte de indicatie DE NEDERLANDSCHE NATUURSTEENHANDEL P.J.M. VAN STOKKUM.

Dat was in 1913, toen De Nederlandsche Natuursteenhandel van P.J.M. Van Stokkum zich daar vestigde en waar iedere architect en ieder, die natuursteen nodig had, zijn licht opstak of beter nog, werd voorgelicht door de geboren zakenman Van Stokkum over al die bouwmaterialen, die de aarde in onuitputtelijke voorraden in haar schoot bedolven hield.

En als vooruitstrevend zakenman en eerbiedig bewonderaar van al het geschapene wilde hij al die kostelijke schatten ook aan iedereen tonen: dus begon hij met het inrichten van een monsterzaal, die al gauw te klein werd zodat er nog een bij kwam en waarin hij alles in handzaam formaat bijeenbracht, wat de wereld aan edele stenen en edelgesteenten bood. En het was juist door die uitgelezen systematisch opgestelde collectie die een taal sprak van millioenen jaren, dat ik met hem in contact kwam.

In 1920 was ik hoofdleraar geworden aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam en had tot taak met mijn staf leraren jonge bouwkundigen en waterbouwkundigen die proviand te verschaffen, die je nu eenmaal als teerkost voor het leven nodig hebt.

We hadden in het oude Academiegebouw aan de Coolvest op de hoek van de Laurensstraat, waar we toen met elfhonderd leerlingen huisden, wel iets wat op een schuchtere ontmoeting leek van enkele natuursteensoorten, maar aan zo iets denderends als de monsterzalen aan de Stationsweg bevatte, konden we eenvoudig niet tippen. Van Stokkum wist dit natuurlijk allang, want welke school beschikte in die jaren over zoveel connecties en relaties om een dergelijke verzameling op te bouwen? En Van Stokkum begreep evenzeer, dat hij naar de toekomst moest kijken en dat er na de huidige bouwkundige generatie een nieuwe kwam, die ook wat moest afweten van natuursteen en zo kregen we ieder jaar een uitnodiging om met een dertigtal leerlingen uit de hoogste klassen te bekijken, wat er zo aan natuursteen te koop en … niet te koop was!

FOTOs/picture-scan15-01.png
[Transcriptie van de uitnodigingstekst]:
De Heer P.J.M van Stokkum zal aandacht vragen voor de bijzondere plaats welke dit materiaal, zoowel uit geschiedkundig als uit bouwkundig oogpunt beschouwd, in den loop van de eeuwen in de menschelijke geschiedenis innam en nóg inneemt, om daarna in grote lijnen te schetsen het ontstaan en den aard der gesteenten, de ontginning der groeven, alsmede de bewerking en toepassing van verschillende natuursteensoorten.
Tijdens de pauze bezichtiging der monsterzalen waarin op verschillende wijzen bewerkte monsters van meer dan 1000 verschillende Natuursteensoorten, alsmede talrijke fossielen, kristallen, halfedelstenen enz. zijn tentoongesteld.

Vaak was onze directeur, wijlen de heer Bodenhausen ook van de partij, maar meestentijds ging ik er heen met enkele leraren en de leerlingen, die de hele cursus nagenoeg hadden doorlopen.

De ontvangst was altijd koninklijk, maar zonder protocol. Eerst hield de heer Van Stokkum een lezing of voordracht, een generale repetitie over alles “wat de aarde bewaarde” en hij

lichtte dit toe met allerlei overtuigende lantaarnplaatjes, merendeels vervaardigd van foto’s die hijzelf nam bij de bron, de groeven, in wel haast alle landen van Europa – op zoek naar dit bij uitstek natuurlijke bouwmateriaal.

En dan genoot je van de geoloog, die in hem sprak, want hij kon het een nooit los zien van het ander: materie zonder wording zei hem niets. Ook had hij in 1920, in het Fichtelgebirge, een hele film laten opnemen over het ontginnen van natuursteen, de bewerking en toepassing ervan, een onderneming die toen handen vol geld kostte voor een particulier maar die tevens bewees hoe intens Van Stokkum één was met wat hij verhandelde.

Filmzaal, film opgenomen in FichtelgebirgeFOTOs/016-2.png

Dan volgde een geïllustreerd betoog, hoe en op welke wijze onze voorgeslachten dit materiaal dienstbaar hadden gemaakt aan hun scheppingen, waaruit de kunstgeschiedenis eeuwen lang is opgebouwd.

Onderwijl hadden de vrouwelijke leden van Van Stokkum’s gezin gezorgd voor puike koffie (en ’n fijne sigaar!) en aleer de rondwandeling langs de uitgebreide collectie begon, had ieder van de genodigden dit geurige nat al achter het vest zitten.

En die verzameling was heus geen sinecure: ver over de duizend natuursteensoorten, ruw en bewerkt, geschuurd, gefrijnd, gepolijst en gestokt, al naar hun aard lagen op lange tafels overzichtelijk gerangschikt in vele afmetingen en een schat aan marmersoorten prijkte aan de wanden, omlijst door gepolijst koperen strippen, een kleurensymphonie gelijk en daarnevens ruwe en bewerkte halfedelgesteenten, fossiliën van fauna en flora, die tienduizenden eeuwen geleden de wereld getooid en bevolkt hadden.

Verzameling natuursteensoortenFOTOs/016-7.png

Daar viel wat te leren en geen barricade van vragen was te hoog, of de heer Van Stokkum met zijn staf, waarvan ik me de kleine meneer De Geus nog goed herinner, sprong er glansrijk overheen, want zij wisten veel meer van deze materie af dan de meeste docenten. En je kreeg niet alleen te zien, wat je zo met het blote oog kon waarnemen: er was ook een grote microscoop, waarmee je de structuur van al die nobele materialen, tot ragdunne plaatjes geslepen, rustig kon bewonderen en je kon het zo niet vragen of de heer Van Stokkum had het antwoord al op de tong.

Die verzameling was een unicum in ons natuursteenarme land, maar stellig ook daarbuiten vond men geen tweede in een omvang als deze, en die overvloed stond ter beschikking voor iedereen, die iets meer van natuursteen wilde weten.

Uit alle oorden van het land kwamen leraren en leerlingen naar de Stationsweg, uit Amsterdam, Delft, Haarlem, Tilburg, Coevorden en noem maar op, maar ook uit verre landen en je werd verzocht allemaal in het bezoekersboek te tekenen. Zoiets had geen enkele onderwijsinstelling en geen enkele monsterkamer van een architect.

Dit alles zou waarschijnlijk zo gebleven zijn, als niet in mei 1940 die verraderlijke overval op ons land door een geestelijk vergiftigd Herrenvolk was ondernomen met dat nog zinlozer bombardement op de open stad Rotterdam, waardoor de gehele stadskern één laaiende fakkel werd, het zgn Irrtum, dat “von vornherein eincalculiert” was, omdat die hele oude rommel niet paste in de grootste Duitse havenstad, waartoe Rotterdam was bestemd.

Ook dit is evenals de gehele waanzinnige oorlog, waarbij de heer Van Stokkum twee zijner zoons in een concentratiekamp verloor, een Irrtum gebleken.

En zo verkeerde alles, wat huize Van Stokkum had verzameld in luttele uren in een puinhoop. Alleen wat aan administratie en documentatie in de Lipskluis was opgeborgen, is hoewel grotendeels verzengd en gesudderd, behouden gebleven.

De onvermoeibare Van Stokkum kwam, als vooruitstrevend en vooruitziend zakenman, zoals zovele Rotterdammers gelukkig vrij snel over die ramp heen zonder het lamenterend handengewring van het beeld van Zadkine, dat een aanfluiting is voor de geest en de mentaliteit van de Rotterdammers.

Naast het drukke zakenleven was Van Stokkum ook een model huisvader, die zich alles ten koste legde om zijn dertien kinders in de wereld vooruit te brengen en datgene te laten leren, waarvoor hij zich in zijn jeugd met taaie energie zoveel moeite en tijd had getroost. Zo kreeg ik toen ik nog aan de Academie of M.T.S. was zijn zoon Antoon onder mijn leerlingen, een heel begaafde en vlotte knaap, die wat zijn ambitie en vakkennis boven de middelmaat uitschoot: hij had kijk op architectuur, wat niet dagelijks voorkwam en vader Van Stokkum was mij erg dankbaar.

Ook op geheel ander terrein kon ik P.J.M. Van Stokkum van dienst zijn: in 1918 kocht hij te Groesbeek een in zeer slechte staat verkerend bosterrein van 130 ha, dat hij al ras de naam gaf De Hooge Hoenderberg en waarvan hij in 1930 ruim 80 ha aan de Staat overdeed als natuurmonument; wijzigde in dit verband zijn eigen plannen en deed met hartzeer afstand met de bepaling dat hij die bouwplannen op het resterende deel mocht verwezenlijken. Daartoe kreeg hij diverse concessies, waaronder een waterleiding, want Van Stokkum zag ook daar verder dan de volgende week!

Hij kocht er in 1922 nog een terrein bij, vlak tegen de kom van het dorp. Dat terrein lag op een berg, maar was ook een “berg van vuil”, geboren uit de noodzakelijkheid, dat de Groesbekers ergens hun huisvuil kwijt moesten en die belt of bult droeg de wonderlijke naam van “de Knotse Klef” of meer begrijpelijk “de Tiengeboden aan de berg”, omdat er aan de voet van die belt een tiental arbeidershuisjes onder een langgerekt dak stonden en een berg heet daar nu eenmaal “klef”. En als mijnheer pastoor in zijn sermoen zijn parochianen er aan moest herinneren, dat de Tiengeboden ook voor hen waren geschreven, kon het gebeuren dat hij zei, dat ze zich meer moesten houden aan de “Knots” en iedereen snapte dan drommels goed, wat pastoor daarmee op het oog had.

Die vaalt doopte vader Van Stokkum om in “de Panoramaberg”, niet alleen vanwege het prachtige uitzicht dat er te bewonderen viel, maar ook omdat die naam wat meer aansloot bij zijn aspiraties en hem tevens een blik verleende in het land der Belofte, dat hij zich droomde: een vacantiehuisjescomplex!

De eerste vier huisjes gebouwd in 1926 tot 1927 werden maar tegelijk aangesloten op een e i g e n waterleidinginstallatie, want in Groesbeek zelf ontbrak nog elke zweem van leidingwater: en een pompstation, zoals Van Stokkum er een bouwde was bijkans iets ongehoords. Wie haalde het in zijn hoofd om vacantiehuisjes te gaan bouwen en straks ook nog midden in het bos en welke gek zou zoiets huren? Maar Van Stokkum zag vooruit en deze huisjes op die gewezen vaalt waren maar een voorloper van zijn grootse plannen in zijn bos.
Maar die laatste moesten passen in het landschap, dus voldoen aan de “eisen van welstand”, want Groesbeek had wel eertijds gezorgd voor een vuilnisbelt, maar niet voor schoonheidsbepalingen.

Ook hierin was Van Stokkum dus weer zijn tijd vooruit en in 1927 nam hij mij in de arm om bepalingen op te stellen “de welstand betreffende”.
Alsof het gisteren was, zo herinner ik zijn betoog over dit denkbeeld, waarvoor tenslotte geen geldschieter te vinden bleek. Zeker, de crisisjaren werkten tegen of was het misschien het onbegrip van het nieuwe dat hen destijds weerhield daarin geld te steken?
Toch liet hij een vacantiehuis bouwen voor jonge M.T.S.-ers “De Kamphut” en voor zijn gezin een “Boshuis” op de plaats waar eigenlijk het hoofdgebouw van zijn vacantiedorpje had moeten komen, maar dat nu wel een hoofdgebouw genoemd mag worden en waar duizenden jongeren hun vacantie doorbrengen “Jeugdhotel Die Hooghe Hoenderbergh”.
En Antoon bouwde er een klein vacantieoord: Bungalowpark Cantecleer.

Zo wordt dit resterende gedeelte een toeristencentrum en het bos waar mogelijk gespaard, ook al komt zijn gehele plan tot uitvoering, want wat er zo boven de grond opwies had evenzeer zijn belangstelling als wat er in de grond aan natuursteen lag opgetast. Hij was niet alleen geoloog, maar ook dendroloog en elke boom was hem een goede vriend, die hem wees op de grootheid van het geschapene.

Sinds zijn vijf en dertigste jaar in 1916, was hij lid van de Nederlandsche Heidemaatschappij, de “maatschappij te algemenen nutte”, die elke geïnteresseerde met raad en daad bijstond en waarmee Van Stokkum steeds in nauw contact heeft gestaan.

In 1930 werd hij voorzitter van de Heidemaatschappij van de afdeling Zuid-Holland en is dit gebleven tot 1950, toen hij zich voorgoed in het Gelderse vestigde.

Het voorzitterschap bleef de naam van Van Stokkum dragen, want zijn zoon Leo werd opvolger van zijn vader. Ik zat toen ook al jaren in het bestuur, want Van Stokkum achtte het een manco in mijn levensloop als ik me ook niet onder de banier schaarde van de Heidemaatschappij.
Leo had zijn handen veel te vol om de natuursteenhandel in Rotterdam te prolongeren en wellicht interesseerde hem meer wat onder de aardoppervlakte was dan wat daarboven groeide en toen hij zijn zaak overplaatste naar Venlo, werd het voorzittersambt mij toebedeeld.

Toen de heer Van Stokkum in Groesbeek kwam, werd hij daar al heel gauw voorzitter van de Zuid-Oost-Gelderse afdeling van de Heidemaatschappij.
Op de jaarvergaderingen zagen we elkaar weer met vreugde en we hadden elke keer hetzelfde clubje van Rotterdammers en oud-Rotterdammers, dat gezellig met elkaar tafelde en Van Stokkum Sr was altijd van de partij, nog altijd even veerkrachtig en vol plannen als hij zijn hele leven was, maar dat kan eigenlijk moeilijk anders als je met zo’n voortreffelijke levensgezellin bent getrouwd als P.J.M. VAN STOKKUM.”

IETS OVER ZIJN VAKKENNIS VAN NATUURSTEEN

De kostprijs van natuursteen hangt uiteraard af van vele factoren, maar deze zijn voor bijna alle soorten weer totaal verschillend. Ook ligt het voor de hand dat, bij het verstrekken van adviezen inzake de soort, meestal rekening moest worden gehouden met het voor het bekledingsmateriaal op de begroting uitgetrokken bedrag.

Zijn vakkennis maakte het de heer Van Stokkum meermalen mogelijk voor een deswege uitgetrokken bedrag b.v. van het gekozen materiaal méér kubieke meters te leveren ofwel een soort die feitelijk kostbaarder was. Het kwam ook voor, dat hij natuursteen leverde voor eenzelfde bedrag als waarvoor destijds in theorie slechts een minder fraai vervangingsmateriaal verkrijgbaar was.

Wat dit laatste betreft, deed hij o.m. een voor ons waterrijke land hoogst belangrijk voorstel, waarover, op verzoek van de samensteller, een oud-hoofdingenieur van de Rijkswaterstaat hieronder iets meer vertelt.

EEN ADVIES AAN DE RIJKSWATERSTAAT

Op 26.8.1963 schreef een oud-hoofdingenieur aan de samensteller:

Hierbij doe ik U toekomen een verslag van de zakelijke contacten die Uw vader met de Rijkswaterstaat had.

U ziet, dat mijn naam er niet in voorkomt. Dit is geen bescheidenheid; een Rijkswaterstaatsingenieur kan geen invloed op de gang van zaken uitoefenen; hij kan slechts rapporteren. Persoonlijke relaties tussen een employé van de Rijkswaterstaat en een leverancier hebben derhalve geen invloed; soms zelfs is deze relatie een handicap, teneinde de schijn te vermijden dat er bij de Rijkswaterstaat voorkeurbeslissingen worden genomen.
Beslissend is bij de Rijkswaterstaat bijna steeds de prijsfactor; qualiteitsoverwegingen spelen daarbij uiteraard een rol.

De qualiteitseisen worden vastgelegd in het voorstel, dat aan de Minister wordt voorgelegd; is dit voorstel goedgekeurd, dan volgt het opmaken van het bestek, waarin de eisen, waaraan de bouwmaterialen moeten voldoen, worden vastgelegd.
Slechts indien om bijzondere redenen (meestal qualiteitsoverwegingen) degene, die het bestek opmaakt, van opvatting is dat de eisen niet zodanig kunnen worden omschreven dat het gewenste materiaal inderdaad, met uitsluiting van alle concurrentie, door de aannemer zal worden geleverd (het voorschrijven van merken of leveranciers is niet toegestaan), dan kan worden overgegaan tot aankoop van bouwmaterialen buiten de aannemer om.

Het is de verdienste van Uw vader geweest, dat hij een zodanige voorlichting aan de Rijkswaterstaat heeft verstrekt dat de Minister zijn goedkeuring hechtte aan een voorstel om het bekledingsmateriaal voor de brug te Zaltbommel door de Rijkswaterstaat zelve te doen aankopen. Ik meen een en ander in mijn bijgaand verslag te hebben doen uitkomen. Ik zou het op prijs stellen om, indien U gebruik maakt van dit verslag, ook in het samen te stellen gedenkboek niet bij name genoemd te worden; in een zakelijke relatie met de Rijkswaterstaat zou dit niet passend zijn.

Hieronder volgt bedoeld verslag:

De Nederlandsche Natuursteenhandel P.J.M. van Stokkum te Rotterdam was de eerste leverancier van graniet dat verwerkt werd bij de bouw van de bruggen voor gewoon verkeer over de grote rivieren in Nederland voorzover deze kunstwerken werden ontworpen en uitgevoerd door het Bruggenbureau (later de Directie Bruggen) van de Rijkswaterstaat.

Deze eerste leverantie werd aan de Firma Van Stokkum opgedragen door de aannemer van de onderbouw van de brug te Keizersveer, de N.V. Christiani en Nielsen, die krachtens het bestek een vrij gering aantal kubieke meters bewerkt graniet moest leveren en verwerken.

Zoals gebruikelijk is, moest de te leveren graniet voldoen aan de eisen, gesteld in de zogenaamde Algemene Voorwaarden van de Rijkswaterstaat.

Daar deze eisen, in overeenstemming met de overweldigende hoeveelheid granietsoorten, zodanig zijn gesteld dat vele ervan aan de voorgeschreven minimum kunnen voldoen, stond het de aannemer vrij om de te leveren graniet daar te kopen waar de prijs het laagst was; bijzondere voorschriften aangaande kleur en structuur van het gesteente waren in het bestek niet opgenomen.

Dit leidde er toe dat de aannemer ter goedkeuring aanbood enige monsters van een Beierse graniet, welke monsters, zoals bleek, hem door de firma Van Stokkum ter hand gesteld waren. Hoewel de granietsoort aan de eisen voldeed, was de betrokken ingenieur van de Rijkswaterstaat niet bijzonder ingenomen met deze steen; de grijsgrauwe kleur ervan, alsmede de vrij grove korrel waren niet dat, wat hij zich bij zijn ontwerp had voorgesteld. Hij was daarom niet voetstoots bereid de aangeboden granietsoort te aanvaarden, hetgeen door de aannemer aan de Natuursteenhandel werd gemeld.

Dit was voor de eigenaar der firma aanleiding om zich persoonlijk bij de betrokken ingenieur van de Rijkswaterstaat te vervoegen en zodoende kwam het eerste persoonlijk contact tussen de heer P.J.M. van Stokkum en genoemde ingenieur tot stand. Uit dit contact kwam voort dat de ingenieur opdracht kreeg zich persoonlijk op de hoogte te gaan stellen van de hoedanigheden van enige granietgroeven in Duitsland, groeven waarmede de Natuursteenhandel in relatie stond.

De bezichtiging van de groeven vond plaats in Februari 1930.

Ten aanzien van Beierse graniet was de heer Van Stokkum de mening toegedaan dat er weliswaar betere granietsoorten verkrijgbaar waren, doch dat de door hem aangeboden steen, voldoende aan de gestelde eisen, zeer wel voor levering in aanmerking kwam. Ook het groevebedrijf, gelegen in de nabijheid van Hof bleek, hoewel klein, voldoende geoutilleerd te zijn om de opdracht te kunnen uitvoeren. Zo werd, gezien de ruimte in de eisen die in het bestek waren gesteld, genoegen genomen met de levering van Beiers graniet volgens het verstrekte monster.

Uiteraard was het de heer Van Stokkum wel duidelijk geworden dat de ingenieur ernaar wilde streven om bij het verwezenlijken van volgende brugontwerpen een betere granietsoort dan de Beierse te doen toepassen. Tevens kwam, in de tijdens de reis gevoerde gesprekken, naar voren dat de gedachte uitging naar een pijlerbekleding welke geheel uit natuursteen zou bestaan.

Bij de brug te Keizersveer waren voor deze bekleding in hoofdzaak keivormige blokken van beton toegepast; de vraag was, of een bekleding, bestaande uit keivormige blokken graniet tegen ongeveer dezelfde prijs als de keivormige betonblokken-bekleding zou kunnen worden geleverd.

Ter beantwoording van deze vraag bracht de heer Van Stokkum de ingenieur naar de Schwarzwälder Granitwerke C. Kiederle, gevestigd te Bühl (Baden).
Dit grote bedrijf beschikte over meerdere groeven, uit welke een zeer goede kwaliteit graniet werd gewonnen.

Uit het overleg, dat de heer Van Stokkum met deze firma voerde sproot tenslotte voort, dat het Bühler bedrijf een aanbod kon doen voor de levering van granietkeien, dat aanvaardbaar was.

Zo werd voor de onderbouw van de brug te Zalt-Bommel het voor de bekleding benodigde graniet te bedrage van ongeveer 1700 m3 door de Rijkswaterstaat bij de Natuursteenhandel P.J.M. van Stokkum te Rotterdam gekocht; dit materiaal werd de aannemer op het werk ter beschikking gesteld.

Aflevering van het graniet, dat voor het overgrote deel uit bekledingskeien bestond, had zonder enige stagnatie plaats; bij de verwerking van de blokken deden zich geen moeilijkheden voor.

Dat het uiterlijk van de pijlers door de toepassing van het graniet gewonnen had tegenover een bekleding van betonblokken blijkt wel daaruit, dat ook in volgende ontwerpen van de Directie Bruggen een bekleding, bestaande uit granietblokken meermalen werd toegepast.
Het is voor een niet gering gedeelte de verdienste van de heer P.J.M. van Stokkum geweest dat hij als natuursteenleverancier de weg heeft gevonden om het de Nederlandse bruggenbouwers mogelijk te maken om tegen een concurrerende prijs een uiterst duurzame en qua uiterlijk aangename bekleding van grote kunstwerken te verwerven.

Slechts door zijn vakkennis kon deze, economisch gezien voordelige, vorm van bekleding tot stand komen.

HOOFDSTUK 2

[Bron B] Het onderstaande artikel werd – ingekort – overgenomen uit het nummer van 1 januari 1918 van het geïllustreerd maandblad “SCHOON NEDERLAND”, vijfde jaargang (uitgave: dr. S.C. Bokhorst, Amsterdam), dat geheel was gewijd aan Groesbeek en naaste omgeving.

De schrijver ervan plaatst ons weer even in de tijd terug toen de heer P.J.M. van Stokkum daar een bosterrein van ca 130 ha aankocht, genaamd: Het Maldensche Vak.

GROESBEEK, EEN DORP MET VERRASSINGEN

Wie van Nijmegen of de Meerwijken de kom der gemeente nadert over den Stekkenberg en uit rijtuig of auto den blik laat glijden over bosch en hei, akker en weide, zal, als hij tevoren er niet op voorbereid is, gewis “verrast” worden door de zeker ongewone opwachting, welke de Groesbeeksche Bloote-voeten-kinderen den bezoeker al kopjesduikelend, en vooral centjesbedelend, bij de laatste weghelling maken. Want juist op een punt van den FOTOs/023-6.png weg, waarop de koetsier of chauffeur stapvoets rijdt, omdat men hier een door Geurts gids terecht als “typisch eenig dorpsgezicht, dat men nooit vergeet” geprezen kijkje heeft op iets, “dat doet denken aan de uitstalling van een reusachtige speelgoeddoos, waaruit de huisjes, witte vooral, zijn rondgestrooid op een groot bord, terwijl ze afsteken tegen het eeuwige groen der sparren en dennen van het Reichswald en het Nederrijkswoud, of half schuil gaan onder prachtige beukenlanen”… komen als op een klaroenend signaal: “er is een vreemdeling in zicht” uit al die verspreide schilderachtige hutjes en woninkjes zigeunerachtige kwajongskes pretgierend en springend met groote en kleine “zussen” den weg op. Met dolle capriolen en veel handjes-uitsteken geven zij U hun “verrassend” geleide door de buurt van het bezembinders-, boschbessenplukkers-, stoelenmatters- en ketellappersvolkje, dat hier sedert menschengeheugenis zich een schamel domicilie heeft gekozen.

FOTOs/023-12.png

Die nederzetting van dat eigenaardige volkje op den Groesbeekschen Stekkenberg zou voor een antropoloog alleen reeds een reden kunnen zijn om zijn zomersche vacantietenten in de oude heerlijkheid der Waldgraven op te slaan, want het gevarieerde menschentype, dat men hier ontmoet en de prenologische afwijkingen, welke bij de jeugd geconstateerd kunnen worden, zeggen het reeds den leek, dat Hofdijk wel wat al te spoedig zijn opinie gevestigd heeft, toen hij sprak over dit zuiver Germaansche, ja dit Bataafsche type met de witte haren en de door de zon gebruinde wangen. Wanneer men den oorsprong zou navorschen van de Groesbeeksche Stekkenberg- en Siepbewoners, iets wat met zeer eigenaardige wanneer men den oorsprong zou navorschen van de Groesbeeksche Stekkenberg- en Siepbewoners, iets wat met zeer eigenaardige moeilijkheden zou gepaard gaan, dan zou men voor verrassende feiten komen te staan.

Nog heden ten dage (1918) verloochent zich de zigeuner- en woonwagenafkomst niet, want al zijn de heibezembinders en boschbessenplukkers nu een “gezeten” bevolking, die haar “home” heeft gekozen op een der mooiste punten van Neêrlands zelfkant, de zucht naar zwerven en trekken bracht de Groesbekers tot voor den oorlog (1914-1918) met hun zelfgebonden bezems tot in het hartje van het groote “Deutsche Vaterland” en in Juni-Juli zijn de toch wel zeer uitgestrekte woudgebieden van het Rijk van Nijmegen voor hun zwerverslust nog te eng omgrensd. Men treft ze dan ook veel aan in de bosschen van ’s Heerenberg en Montferland, verderop den Achterhoek in en in de wouden van den Veluwezoom, speciaal in de Onzalige- en Middachterbosschen.

De boschbes heeft in het bestaan der Groesbekers een overwegende rol gespeeld. In haar milden jaarlijkschen oogst van donkerblauwe vruchtjes vond menig plukker aanleiding het bedrijf “in het groot” te gaan uitoefenen. Trouwens de Groesbeker eischte het vrije plukrecht in zijn bosschen voor zich op, evenals de vrijheid om hout te kappen en wild te verschalken.

Er is in heel Nederland geen dorpsbevolking aan te wijzen, die met zoo veel vertrouwen op de goede gaven der natuur zich een bestaan wist te scheppen uit hetgeen bosch en veld aanboden. En wanneer de natuurgaven soms wat schraaltjes waren, wel de Groesbeker wist zich toch een maaltijd te verschaffen. Hazen en konijnen, korhoenders, reeën en herten, ze waren de buit, dien ieder Stekkenberger voor zich opeischte.

En vastgeworteld was de meening, dat zij evenals de Nijmeegsche burgers volgens oude privilege in het Nederrijksche wald niet slechts al het doode hout mochten sprokkelen, maar ook al het groene mochten hakken, dat zij op een wagen staande bereiken en met den derden slag afhouwen konden.

Toen nu in 1842 de Staat uitgestrekte Domeingronden in Groesbeeksche naaste en verdere omgeving verkocht aan verschillende personen, ontzag de bevolking in haar volslagen onbekendheid met de begrippen van het mijn en dijn natuurlijk de bijzondere eigendommen in het geheel niet, trok men demonstratief in groote troepen het bosch in, sleepte men b.v. op één keer niet minder dan zestig karrevrachten hout mede.

Natuurlijk, dat zulks bij de gewijzigde toestanden niet gedoogd kon worden en dat men met gestrengheid optrad tegen houtdieven en wildstroopers, dat men zich gedwongen zag onderscheiden strafbepalingen afzonderlijk en opzettelijk tegen hen in werking te stellen. Zoo heugt ons nog een waar monsterproces voor het Arnhemsche gerechtshof, waarbij 130 Groesbeeksche ingezetenen terecht stonden, die – op zeven personen na, welke werden vrijgesproken – allen tot korter of langer gevangenisstraf veroordeeld werden.

Veel is er thans in 1918 door verbeterde onderwijstoestanden en opheffing van het isolement verbeterd, maar de courant, die, terwijl ik dit schrijf, juist binnengebracht wordt en vermeldt, dat hedennacht een groot gevecht heeft plaats gehad tusschen soldaatkommiezen en een bende Groesbeeksche smokkelaars van wel 80 personen, waarvan velen werden aangeschoten, doet mij denken aan het spreekwoord van den vos, die wel zijn haren, doch niet zijn streken verliest. Want naast de inkomsten van den eerbaren boschbessenpluk en het heibezembinden, leeft de Groesbeker van de zeker niet eerbare, ook niet te verschoonen, maar zoo ergens gewis hier begrijpelijken smokkel- en sluikhandel.

Dat de Groesbekers de slimste smokkelaars van heel Nederland zijn wordt niet ontkend, maar het vindt zijn verklaring in de geografische situatie en in de tradities van dit vrije verloren hoekje vaderland.

Nergens toch maakt de Rijksgrens zulke grillige bochten, vindt men zulk een gecompliceerde landafscheiding als juist tusschen Berg-en-Dal en den Plasmolen. Alleen in het Oosten zegt reeds van verre de massaliteit van het grootsch-opstijgende boschheuvelland van het Ober-Reichswald, dat zijn zoom juist trekt langs de Nederlandsche grens van de Grafwegensche straat tot Koning Ven, dat daar het 6420 H.A. groote woud en het Kleefsche land begint. Maar naar de zijde van Wijler en het heuvelgebied van den Duivelsberg, dat met “Mooi-Nederland” en de Bosschen van Scheidius één aansluitend landschapsgeheel vormt, overschrijdt men in normale tijden die helaas thans minder dan ooit te qualificeeren “denkbeeldige” streep, voor men het wil of weet.

Zoo was – we spreken gelukkig grootendeels in den verleden tijd – Groesbeek een broeinest van ongerechtigheid, een roovershol een zigeunerretraite, waar het onderscheid tusschen het mijn en dijn een onbekend begrip was, moord en doodslag, ontucht en drinkgelagen aan de orde van den dag waren, een vrij gevochten oord, waar ’s lands wetten niet werden nageleefd.

De oorspronkelijke woningen bestonden uit vlechtwerk van takken met leem bestreken en die nog het oud-Germaansche bouwtype van voor de Christelijke jaartelling moeten gedemonstreerd hebben, werden allengs vervangen door deels schamele, deels nederignette steenen huisjes, waarin echter het woningtoezicht ook nog heel wat ongerechtigheden zou kunnen constateren.

Wanneer ik me hier tot taak had gesteld U tot “wandelgids” te dienen, dan zou ik na deze breede inleiding tot land en volk van Groesbeek met U moeten gaan door het dorp en om U te Oriënteren en vertrouwd te maken met de verrassingen van “De Zevenster” en “de Kastanjelaan” op den Wolfsberg, van het bezonde land, dat gemoedelijk in zijn eenvoud loopt naar de Cranenburgsche straat en het Reichswald, om dan allengs in wijderen omtrek te gaan dolen door de bosschen tot daar, waar de helroode schaterlach der pannendaken van de Sanatoriumgebouwen, opstijgend uit het zomerzwoele bosch, er aan herinnert, dat we in het Dekkerswald op ongeveer 50 minuten van de dorpskom ons bevinden.

Het geheele gebied van den Plasmolen en de Mookerheide, van de Meerwijken en Berg-en-Dal ligt op dagwandelingen open voor wie Groesbeek kiest als vacantieoord.

Allerlei uitstapjes kunnen dan aan zulk een dagtocht verbonden worden, een rit met de bergspoor door “Mooi-Nederland” naar Nijmegen, van waar men per trein weer Groesbeek kan opzoeken, een bezoek aan de Heilige Landstichting, een kennismaking met de naaste omgeving van het Witte Huis op de Mookerheide, met Heumen en Mook en steeds kan dan tegen dinertijd Groesbeek weer bereikt zijn, alwaar “hotels en pensions van den eersten rang” als “Groesbeek” en “Gelria” en zoovele andere vriendelijke “oorden” gastvrij den stadsmensch ten dienste staan.

Bij een avondwandeling zult U, met het uitzicht over het veldenland van Grafwegen de glorierijke dagglans zien vervloeien in de groeiende schemering. Wanneer men dan de avonddamp ziet opstijgen over de gesluierde velden en het “wald” in de onbewogenheid van den zomernacht, blauwzwart ziet afgeteekend, tegen de matelooze klaarheid van een hemel die nog iets van de daghitte geborgen houdt in zijn zwakpurperen weerschijn, dan zal zoo ergens, in Groesbeeks landouwen de overtuiging bij den stadsmensch zich vestigen, dat de natuur van dit jarenlang dood vergeten oord bij gemeenzaam omgang en dieper doordringen, bij de verruiming van den blik, zoowel als bij het scherp waarnemen en opmerken van wat er groeit en bloeit, onder de aarde huist, in ’t woudwater schuilt, aan de bermen leeft en voor de voeten kruipt of wegritselt, blijft boeien in de stemmingen van morgen- en avond-, van voor- en najaars, van zomer- en winterleven.

VEEL VERANDERD

Sedert 1918 is er wel heel veel in en om Groesbeek veranderd, maar het bovenstaande artikel is van zoveel belang daar het vooral de zgn Stekkenberg- en Siepbewoners waren die het bedoelde bosterrein van de heer Van Stokkum als hun domein beschouwden, zoals in het volgende hoofdstuk wordt beschreven, doch het waren tevens deze eenvoudige mensen waarvan een groot aantal jarenlang voor de heer Van Stokkum in zijn bossen werkten.

HOOFDSTUK 3

P.J.M. van Stokkum kocht “Het Maldensche Vak” te Groesbeek

TOT 1918 HET SLECHTSTE BOS

Fiat uit 1918FOTOs/027-4.png

Op 26 juli 1918, dus kort na de (eerste) wereldoorlog, kocht de heer Van Stokkum, destijds woonachtig te Rotterdam, van jhr.mr.D.J.A.H. van Lawick van Pabst van Nijevelt een derde van diens bezit, de Wolfsberg te Groesbeek, n.l. het door de bocht der spoorlijn Nijmegen-Groesbeek, de Maldensebaan en de Bruglaan, begrensde bosterrein, groot ca 130 hectare en dat daarvan tevens het hoogst gelegen gedeelte was.

Door de Stekkenberg- en Siepbewoners van het dorp Groesbeek werd dit bosterrein toen aangeduid met “het slechtste bos”, maar de overige Groesbekers wisten de ligging ervan niet eens en wandelaars kwamen er hoogst zelden.

Deze benaming was evenwel zeer goed gekozen, want het gehele terrein was destijds een grote wildernis.

Op een terreinkaart, die vermoedelijk is gemaakt tussen 1866 en 1890, in opdracht van de eigenaar daarvoor, de heer Rijnbende, was dit gedeelte van de Wolfsberg aangegeven met: Het Maldensche Vak.

STELEN, SCHERING EN INSLAG

FOTOs/027-11.jpeg Omdat naar dit gedeelte van de Wolfsberg nooit werd omgezien (de eigenaar kwam er naar eigen zeggen hoogstens één maal per jaar, terwijl zijn boswachter de handen reeds vol had aan het overige gedeelte van zijn uitgestrekte bezit dat aan de andere kant van het spoorlijn-ravijn lag), waren sprokkelaars, maar ook stropers hier heer en meester.

Indertijd sprokkelden vele Groesbekers hout, waarvan takkenbossen werden gebonden en kachelhoutjes gehakt; ouderen zullen zich ongetwijfeld nog wel de optocht van hoog opgeladen sprokkelkruiwagens herinneren, welke werden voortgeduwd en met één schouder ondersteund door middel van een brede band vanaf de grepen.

Door hele groepen, waaraan zelfs vrouwen deelnamen, werd overal gesprokkeld en (ook staand) hout gestolen; zowel overdag als ’s nachts. FOTOs/028-1.jpeg

In de begin periode ontmoette de heer Van Stokkum, zelfs op een zondag op weg naar zijn bezit, een kar (een open, hoge wagen op twee wielen met paard, zoals hierboven afgebeeld; eertijds ter plaatse hét vervoermiddel) volgeladen met pas geveld en geschild hout en even later ontdekte hij dat dit alles van zijn terreinen (vak 37) was “weggehaald”.

De gemeente- noch de rijkspolitie konden in die tijd deze diefstallen overal beletten, noch de daders opsporen en de koninklijke marechaussee was dringend nodig aan de vlak bij Groesbeek gelegen rijksgrens waar toen hevig werd gesmokkeld.

KARRENSPOREN EN BOSPAADJES

Door dit Maldensche Vak liepen slechts enkele karpaadjes die te voet heel erg moeilijk begaanbaar waren als gevolg van de dichte heide en het hoge gras, de aan weerszijden diep ingereden karsporen, gaten en kuilen, en door paarden ingeslagen middenstrook.

Overigens trof men kris kras over deze terreinen, door sprokkelkruiwagens ontstane, mansbrede bospaadjes aan.

VERARMDE GROND

Van grond-VERZORGING was hier in het geheel geen sprake geweest.
De voortdurende beletting van humusvorming, door de bodem te beroven van nagenoeg alle o r g a n i s c h e stoffen (takafval, de zeer geringe blad-afval enz.), maar ook de nadelige werking van de ZON in de talloze open plekken, alsook op de lang braak liggende vakken, had o.m. tot gevolg gehad: bodem-afsluiting – door een dikke naaldenkorst – mosvorming, verarming en verzuring van de grond.

VERWAARLOOSDE OPSTAND

In de oude en de jonge Pinus sylvestris bosvakken waren door sterfte, diefstal, onoordeelkundig dunnen enz. vele open plekken ontstaan, dichtgegroeid met heide, overigens waren al deze grovedennen-vakken dicht bezet met de op verzuurde grond welig groeiende bosbessenstruiken.
Slechts de vakken 61b en 43e vormden hierop een gunstige uitzondering, evenals een gedeelte van vak 87, dat in een betere staat verkeerde (zie de grote terreinkaart (Par 4.17), waarop al deze bijzonderheden door de heer Van Stokkum zijn vermeld).

GEEN VOGELSTAND

Vogels hadden hier geen enkele “levenskans” en aan vogelbescherming werd toen nog niets gedaan.
Hier en tot in verre omtrek was voor vogels trouwens gedurende lange perioden nergens water.
Waar afstromend hemelwater op een karpad hinderde, werd dit b.v. niet in een kuil vergaard, maar met een schop een gat gestoken zodat dit in deze zandbodem natuurlijk snel verdween!
Een vogelstand trof men hier dan ook niet aan. Wanneer ergens eens een vogelnestje was gebouwd, werd dit met een zgn “sprokkelaars-treklat” – welke uiteraard erg lang waren – verstoord of uitgehaald door de jeugd.
Ook eekhoorns, wilde katten, over trekkende roofvogels enz. vormden destijds nog een groot beletsel.

De talloze schadelijke insecten hadden hierdoor overal vrij baan met een voor de opstand funest gevolg.

Voor de eertijds vaak enige wandelaar, de heer Van Stokkum, betekende dit bovendien een rondom overheersende onbehaaglijke doodse stilte en zelfs een drukkende eenzaamheid!

GEEN WILDSTAND

De wildstropers hadden hun “werk” grondig verricht en het af toe nog uit de omgeving naar hier komend wild verdween spoedig “in de pot”.

ONGUNSTIGE OMSTANDIGHEDEN

Met het voorgaande is zeer in het kort samengevat onder welke ongunstige omstandigheden deze terreinen werden aangetroffen; in welke miserabele toestand de houtopstand zowel als de bodem verkeerde en hoe slecht de enkele zg wegen waren.

De Stekkenberg- en Siepbewoners hadden gelijk: het was met recht “het slechtste bos” dat de heer P.J.M. van Stokkum in 1918 kocht.

HOOFDSTUK 4

IN 1918 LIEP BEHOUD BOSTERREIN ERNSTIG GEVAAR

Iedere andere koper zou stellig het meer zakelijk beleid hebben gevolgd van de eigenaren van de overige gedeelten van het toen nog enorme Groesbeekse woud, o.a.:

  1. het grote bosbezit dat aan de andere (zuid)zijde van het landgoed de Wolfsberg grensde;
  2. een groot gedeelte van het landgoed “De Jansberg”;
  3. het landgoed “Den Heuvel” aan de weg naar Wijler;
  4. het landgoed “Räthia” aan de Zevenheuvelenweg enz. enz.

tezamen weer een zeer aanzienlijk en voor altijd ontboste oppervlakte.

In dit geval zou de heer Van Stokkum ten aanzien van “Het Maldensche Vak” in 1918 als volgt hebben gehandeld: de gehele houtopstand verkocht en het kaalgekapte terrein als akkerland doorverkocht of behouden, maar woest laten liggen.

Dit werd de heer Van Stokkum ook van meerdere kanten aanbevolen, zelfs door ervaren bosbouwers!

De op het oorspronkelijke terrein van ca 130 hectare thans nog wassende mooie oude beuken langs de Spoorlaan, de Kapelleweg, de Marialaan, de Anthoniuslaan enz. waren in die tijd tegen zeer hoge prijzen verkoopbaar en zouden deze hoge prijzen, plus rente, later niet meer opbrengen!

Ditzelfde geldt voor de schilderachtige dikke oude grove dennen onder aan de Vogelslaan en alle andere mooie oude grovedennen, ook zelfs voor de toen nog jonge, maar inmiddels “volwassen” en mooie, grove dennenBOSSEN (men raadplege de jaartallen hieromtrent eens aandachtig op de eerder genoemde hierbij gevoegde grote terreinkaart).
Een kapverbod en/of herbebossingsplicht kende men toen nog niet.

Op boven genoemde eenvoudige manier behoefde de heer Van Stokkum aan zijn bezit slechts gedurende een zeer korte tijd een betrekkelijk geringe aandacht te schenken en DE OP DEZE WIJZE ONMIDDELLIJK VERKRIJGBARE GROTE WINST WAS DAAROM ZEER AANLOKKELIJK!

Indien de heer Van Stokkum indertijd b.v. het hout “op stam” had verkocht, dan zou hij reeds na enige maanden geen bewakings- en toezichtskosten meer gehad hebben, maar ook geen schade en voortdurende grote ergernis wegens diefstallen, vernielingen enz. enz.

Nadat de houtopstand gekapt en weggevoerd was, zou op zijn geheel “kale” terreinen “geen blind paard” meer schade hebben kunnen aanrichten; zelfs geen sprokkelaar nog iets van zijn gading hebben aangetroffen.

UIT HET VOORGAANDE BLIJKT DAT HET BEHOUD VAN DIT BOSTERREIN IN 1918 ZONDER ENIGE TWIJFEL HOOGST ERNSTIG GEVAAR LIEP! Indien de heer Van Stokkum indertijd “zakelijk” had gehandeld – dus eens GEEN natuurliefhebber was – dan was daar zelfs stellig nooit een landgoed De Hooge Hoenderberg gesticht! En uit het navolgende wordt het duidelijk dat de heer Van Stokkum dit bosterrein niet alléén behoedde voor algehele ondergang (zie in dit verband ook zijn brief aan de Vereniging, dd 28.8.1927, Par. 8.6).

REDENEN TOT AANKOOP

De heer Van Stokkum kocht “Het Maldensche Vak” in 1918 allerminst uit zgn “speculatieve overwegingen”. Hij kocht het om van deze onvoorstelbare wildernis binnen de korst mogelijke tijd een waarlijk “lusthof” te maken voor iedereen. En temidden van deze bossen kon zijn grote gezin de “grote” vacantie jaarlijks werkend doorbrengen en geen enkele tegenslag heeft hem daarna ooit weerhouden deze zichzelf opgelegde taak geheel te volbrengen.

KEUZE NAAM: “LANDGOED DE HOOGE HOENDERBERG”

De benaming “Het Maldensche Vak” stond de heer Van Stokkum in het geheel niet aan en zoekende naar een meer geschikte naam ontdekte hij, dat dit gedeelte van het landgoed de Wolfsberg op een stafkaart stond aangegeven met “De Hooge Hoenderberg”. Dienovereenkomstig noemde hij sindsdien het gehele door hem oorspronkelijk aangekochte bosterrein van ca 130 ha. (Bij de uitgifte van plattegronden wordt hiervan steeds opnieuw afgeweken en een gedeelte ten onrechte “De Lage Hoenderberg” genoemd!)

DESKUNDIGE AANPAK

In verband met de genoemde houtdiefstallen op zeer grote schaal, was de heer Van Stokkum verplicht direct een boswachter (onbezoldigd rijksveldwachter) aan te stellen en korte tijd daarna zelfs nog een bekwaam assistent. Tientallen processenverbaal werden in die begin periode (nood gedwongen) opgemaakt, doch de vernielingen en houtroof hielden nog geruime tijd aan. Tenslotte gelukte het de twee boswachters, in nauwe samenwerking met de overheid, paal en perk te stellen aan de allerergste vernielingen en houtdiefstallen.

TIENJARENPLAN

Inmiddels was dadelijk na de aankoop begonnen met aan de hiervoor omschreven wildernis een geheel ander aanzien te geven. Dit geschiedde volgens een door de heer Van Stokkum persoonlijk ontworpen gedetailleerd “tienjarenplan” voor herbebossing en wegenaanleg, welk plan en tekeningen hij van jaar tot jaar aanvulde en verder uitwerkte.

60 H.A. VERWAARLOOSDE OPSTAND GEKAPT

Gekapt werd ongeveer 60 hectare, voornamelijk niet meer of slecht groeiënde grovedennen vakken, dus uitsluitend minderwaardige opstand, terwijl mooie boomgroepen, zg singels of alleenstaande mooie bomen daarbij alle zorgvuldig werden gespaard “als rustpunten voor het oog”, zoals de heer Van Stokkum dat noemde.

Met dit kappen werd door drie man begonnen in vak 37 (zie de grote terreinkaart Par. 4.17) aan de Maldensebaan, doch de volgende morgen bleek al het die eerste dag gekapte hout ’s nachts te zijn gestolen (zie onder “Stelen, schering en inslag”, Par. 3.2).

DE BOUWPLAATS

Op het nabij het middengedeelte van het terrein gelegen hoogste punt van ca 83 m + N.A.P., overwoog de heer Van Stokkum in 1919 voor zijn gezin een zomerhuis te bouwen. Doch nadat hij in de gemeente Groesbeek in 1922 nog een terrein aankocht (zie onder “De Panoramaberg”, Par. 6.1), werd dit hoogste punt door hem definitief bestemd tot “De Bouwplaats” voor het toekomstige hoofdgebouw van een groot vacantiehuisjescomplex.

In 1923 werden op deze plaats een halfcirkelvormige oprijlaan en verschillende wandelwegen uitgezet, aangelegd en opgeplant (welke wegen – hoewel met heide dichtgegroeid – ook thans nog goed zichtbaar zijn).

WEGEN EN BRANDKERINGEN

Door het gehele uitgestrekte bezit werden mooie brede wegen aangelegd welke tevens als brandkeringen dienst moesten doen. In het bijzonder aan de (Van Stokkum’s) Hoofdlaan (aangelegd 1919-1923) besteedde de heer Van Stokkum bijzonder veel aandacht.

Deze prachtige laan volgt van de Bruglaan af tot aan de eerder genoemde halfcirkelvormige oprijlaan naar De Bouwplaats de terreingolvingen en heeft daardoor een gelijkmatig beloop; van dit punt af loopt deze laan rechtdoor tot aan de Maldensebaan. In 1919 deed de heer Van Stokkum namelijk ernstige pogingen om ook het aangrenzende (en in veel betere staat verkerende) landgoed de Muntberg aan te kopen en dan zou hij deze Hoofdlaan doortrekken met aansluiting op de Gele Hekkenweg. Indien het Staatsbosbeheer dat gedeelte alsnog zou aanleggen, wordt dit stellig een der mooiste verbindingen dwars door deze bossen, aldus de heer Van Stokkum! (Zie hieromtrent zijn brief aan de Vereniging, dd 15.8.1927, in Par. 8.5)

Ook was genoemd laatste deel der Hoofdlaan recht gehouden terwille van het prachtige uitzicht op Dekkerswald, doch na 1930 plantte de Staat dit laatste weggedeelte dicht en dat groeit thans zo hoog op dat bedoeld uitzicht helaas verloren gaat.

De heer Van Stokkum was van mening dat, ook uit een esthetisch oogpunt, een sierlijk gebogen laan in dit landschap beter voldoet dan de gebruikelijke rechte. De prachtige bochten van de Hoofdlaan werden daarom door hem persoonlijk heel zuiver uitgezet en hierbij werden ook zijn grotere kinderen ingezet. Zij moesten de stokken-met-vlaggetjes vasthouden terwijl vader op grote afstand, met een fluitje en armgezwaai, aanwijzingen gaf waar zij die stokken in de grond moesten steken enz. (volgens vakmensen zou met moderne hulpmiddelen geen beter beloop zijn verkregen, hetgeen goed is te zien op een in 1944 gemaakte luchtfoto).

De zgn “sierstroken” ter weerszijden van de Hoofdlaan werden opgeplant in de jaren 1924-1926. Zowel deze Hoofdlaan als de Vogelslaan (sedert 1920 door de heer Van Stokkum genoemd naar zijn schoonvader, maar die door het Staatsbosbeheer met de nietszeggende naam “Vlagbaan” wordt aangeduid!), welke elkaar langs De Bouwplaats kruisen, hebben – gemeten tussen de bomen – een breedte van 8 m en doen, mede door hun centrale ligging, dienst als hoofdbrandkeringen (indien deze steeds van de daar- op voortwoekerende vegetatie worden gezuiverd).

BODEMGESTELDHEID

Het terrein is zeer geaccidenteerd, waardoor vele fraaie vergezichten zijn te bewonderen. De hoogteverschillen zijn voor onze begrippen vrij aanzienlijk en lopen uiteen van ongeveer 45 tot 85 m + A.N.P.

De heer Van Stokkum heeft met zijn zoon Antoon het gehele uitgestrekte terrein gewaterpast en de diverse hoogten vermeld op de eerder genoemde grote terreinkaart.

Geologisch is het terrein uitsluitend gevormd uit zuidelijk materiaal, dat door rivieren is afgezet.

De bodem van de Groesbeekse bossen bestaat uit grofkorrelig zand, vermengd met leem. In de lagere terreingedeelten is het meeste leem aanwezig. Op de hogere gedeelten vindt men grindveren, plaatselijk in rijke, ongeveer in de richting zuid-noord lopende aders (waar veel grind werd aangetroffen gaf de heer Van Stokkum aan op genoemde grote terreinkaart. Dit deed hij eveneens van plaatsen waarvan zijn mensen bij het spitten vaststelden dat “de grond zo hard was als staal”, zie o.m. in vak 38).

Harde lagen zandoer trof hij evenwel nergens aan.

Op deze bodem groeit gemakkelijk struikheide, blauwe bosbessen (Vaccinum myrtillis), kamperfoelie, brem, adelaarsvarens (in groepen) en buntgras. Open terreinen, oudere dennenbossen en hakhoutvakken vertonen dan ook gewoonlijk een dichte bodemvegetatie.

JHR. VAN LAWICK: “VOOR HERBEBOSSING TOCH TE SLECHT”

Hoe arm de bodem daar was blijkt wel overtuigend uit een uitspraak van de vorige eigenaar, jhr.mr.D.J.A.H. van Lawick van Pabst van Nijevelt: “een groot gedeelte heb ik ontdaan van slecht hout en woest laten liggen omdat die grond voor herbebossing toch te slecht is!”

TOCH PRACHTIGE RESULTATEN

Men ga zich echter THANS eens ter plaatse overtuigen van de prachtige resultaten als gevolg van de destijds toegepaste bodembewerking, de wijze van bemesting en de keuze van eerste aanplant in de jaren 1919 t/m ’26, o.m. van dit bedoelde slechtste gedeelte van het oorspronkelijke bezit, n.l. de vakken 40, 40bis, 42 en 42bis, met een gedeelte van de Hoofdlaan. Zo zou Picea excelsa (fijnspar) hier niet groeien; men zie nu eens langs de Hoge Krommeweg, alsook vak 80 bij De Bouwplaats; de Franciscuslaan en elders (zie grote terreinkaart Par. 4.17).

GRONDBEWERKING

Van 1918 tot 1923 werden ca 23 ha ontboste en harde heidegrond, onder dagelijks toezicht van de boswachter en regelmatige controle van de heer Van Stokkum, door een groot aantal arbeiders, enige tijd zelfs 55 man tegelijk, 2 steek diep gespit (de heer Van Stokkum controleerde de diepte der gespitte vakken o.a. met zijn puntstok, een zgn bergstok).

Vervolgens werden ca 14 ha betere bosgrond ca 40 cm diep omgeploegd (met 5 sterke paarden ervoor) en na 1 jaar zg “gesleept”, maar volgens de ervaringen van de heer Van Stokkum gaf spitten de beste resultaten.

Deze grondbewerking is duidelijk te zien op een luchtfoto welke de heer Van Stokkum van de stand der werkzaamheden liet maken van een hoogte van ongeveer 2000 m, in 1922.

BIJZONDERE ZORG MIDDENGEDEELTE

Met het oog op de voornoemde Bouwplaats besteedde de heer Van Stokkum bijzondere aandacht aan het middengedeelte van zijn bezit. Zo werden o.m. ter weerszijden van een groot gedeelte van de Hoofdlaan stroken, ter breedte van 7,5 m, ca 85 cm diep gespit op een manier die later heel goede resultaten bleek te geven.

De dikke ros werd klein gehakt en zorgvuldig in de opvolgende spitvoren verdeeld, zodat in die stroken, over de volle hoogte van 85 cm overal delen van de ros terecht kwamen. Na het aanzakken volgde de beplanting met verschillende soorten naald- en loofhout, meest in groepen van dezelfde soort.

Achter deze als sierbeplanting bedoelde stroken, werden heidestroken ter breedte van 3 m niet gespit, maar kaal gehouden. Deze kale stroken zouden later dienen voor het afvoeren van het dunsel uit de achter die sierstroken geplante dennenvakken. Deze kale stroken dienden bovendien om het beschadigen der sierstroken te voorkomen.

Langs de brede Vogelslaan, de Anthoniuslaan en andere lanen, werd geplant in zgn plantkuilen van 150 x 150 cm en 100 cm diep, onder toevoeging van straatmest. (Bij St. Anna, gemeente Nijmegen, werden hiervoor alleen al ca 100 karren straatvuil aangevoerd.)

BEMESTING

Al naar de plaatselijke gesteldheid van de grond en de voorgenomen beplanting werd bemesting gegeven.
De slechtste percelen werden o.a. bestrooid met 300 tot 500 kg kaïniet per hectare en de eerder genoemde plantkuilen werden bemest met ongeveer één à twee kruiwagens straatvuil per kuil.
Beuken- en Am. eikenlaanbomen werd enig straatmest gegeven in plantkuilen; geplant in anders bewerkte grond ca 300 kg slakkenmeel per hectare.

EIGEN KWEKERIJ

De Hoofdlaan en andere wegen werden merendeels opgeplant met zelf gekweekt plantsoen; zowel verschillende loof- als naaldhoutsoorten.

Hiervoor werd door de heer Van Stokkum, aan de Vogelslaan bij de Hoofdlaan, speciaal een kwekerij aangelegd van ruim 5000 m2.

Vooral met zelf gekweekte groene douglas, groene lariks, tamme kastanje, Am. eik, Sorbus aucuparia en Prunus serotina, werden prachtige resultaten verkregen. Zelfs slaagde, op daarvoor uitgekozen plaatsen, een aanplant van Picea excelsa (zie ook onder “Toch prachtige resultaten”, Par. 4.11).

EERSTE AANPLANT 1919 t/m 1926

Pijnbomen: 1.485.000 stuks

Ter spoedige sluiting werden de grovedennen geplant (waar nodig tot 2 x doorgeplant) in rijen op afstand van 65 cm en op 65 cm afstanden tussen de rijen, dus geen vierkantsverband.

Aan andere soorten, waaronder hier nog niet groeiende loof- en naaldhoutsoorten, vooral Pseudotsuga douglasii en Lariks leptolepis,gekweekt in genoemde eigen kwekerij (welke na 1930 door het Staatsbosbeheer nog jaren werd gebruikt): 100.000 stuks

Totaal 1.585.000 stuks

[Kaart] Terreinkaart oorspronkelijk bezit van 130 ha, uit 1926

FOTOs/036-1.jpg

Dit is de – op verkleinde schaal – door de heer Van Stokkum in 1926 persoonlijk, naar een luchtfoto uit 1922, ruw getekende terreinkaart van zijn oorspronkelijke bezit van ca 130 hectare, gedateerd 4.2.1926, waarop hij tevens alle bijzonderheden aantekende.

Toevoeging dd 2026
Transcriptie bij de weg rechtsonder:

OUDE KLEEFSCHE OF BISSELTSCHE BAAN – NAAR STATION MOOK–>

Transcriptie bij de gestreepte lijn:

<–SPOORLIJN NIJMEGEN – KLEEF–> – – SPOORLIJN (RAVIJN)

Transcriptie van de teksten rechtsonder:

Deze hoek (aantal graden) stemt precies overeen met luchtfoto (1922).
HET KRUIS IN DE WOUDKAPEL
v = 40 cm diep geploegd (5 paarden)
w = plantgaten getrokken
[] = 40 cm diep gespit
K = 500 K.g. Kainiet per H.A. gestrooid
De in de oranjeblokken ingeschreven jaren zijn die der aanplant of doorplanting (voorjaar).
z = gezaaid
60[onderstreept] = hoogte in meters boven Amsterd. peil
X = Zitbank
+ : Uitkijk (in …)
o : Uitzichttoren (in …)

SCHAAL 1 Á 5000
P van Stokkum, 4-2-1936.

Analyse De tekst geeft een gedetailleerd beeld van de bosbouw- of landbouwactiviteiten in 1936. Vooral de vermelding van “5 paarden” om 40 cm diep te ploegen is een prachtig historisch detail over de werkkracht die destijds nodig was.

Over deze terreinkaart sprak hij o.a. in zijn brief aan de Vereniging dd. 15.8.1927, zie Par. 8.5

HOOFDSTUK 5

BESCHERMING VOOR MOEDWIL

(Zie ook onder “Van Stokkum vroeg om behoud natuurschoon”, Par. 18.1)

Naast genoemde vele werkzaamheden, werd het uitgestrekte boscomplex reeds na korte tijd tevens doeltreffend beschermd tegen de alles vernielende ruiters (dit was vooral van belang in de perioden na het uitzetten van de kleine plantjes), en de vele sprokkelaars (welke de hier zo noodzakelijke “takbemesting” volkomen onmogelijk maakten).

Deze bescherming tegen baldadigheid en ontmesting bestond o.m. uit het moeizaam herstellen van de ruim 2 km lange grensomwalling – bestaande uit een met eikenstruikhout begroeide wal met aan de buitenkant, pal daarvoor, diepe en brede greppel, welke naar verluidt Fürst Von Wied heeft laten aanleggen toen hij deze terreinen in 1793 verkreeg, alsmede door het afsluiten (voor paard en kar en sprokkelkruiwagens) van de elf ingangen (toegangswegen) met draaibare, ijzeren stangen met hangslot op bazaltlavapalen.

VOEDING “BOSBOMEN” NOODZAKELIJK

De Groesbekers, die gewoon waren hier en overal elders te sprokkelen en dit “recht” ontleenden aan een eeuwen oud privilege, verkeerden in een “ongunstige positie” toen de heer Van Stokkum hun dit oude sprokkelrecht wilde ontnemen in 1921, terwille van het invoeren van het zgn “takbemestingssysteem”.

Immers de bosoppervlakte in de omgeving van Groesbeek werd in die jaren steeds geringer terwijl de bevolking daarentegen voortdurend toenam. Het sprokkelen geschiedde ten gevolge hiervan “per hectare” veel intensiever dan ooit tevoren.

Deze mensen werd door de boswachter en de heer Van Stokkum persoonlijk, op vriendelijke, gemoedelijke wijze, voorgelicht “waarom het nu eigenlijk ging” en het was aan de heer Van Stokkum toevertrouwd dat tactvol en met voorbeelden duidelijk te maken. Dat boeren zich b.v. de mest niet kunnen laten ontnemen, was deze mensen natuurlijk bekend, dat zij voor hun tuintje de nodige bemestingstoffen ook niet konden missen, gaven ze grif toe en dat zelfs de “bosbomen” voeding nodig hebben, minstens de natuurlijke tak- en bladbemesting, begrepen zij tenslotte eveneens.

Het gelukte de heer Van Stokkum, wat niemand toen voor mogelijk hield. En sedert 15.10.1921 werd op deze manier het takbemestingssysteem toegepast op de oorspronkelijke terreinen van het landgoed De Hooge Hoenderberg en dat wist elke Groesbeker, die gewoon was daar te sprokkelen.

(Zie hieromtrent het slot van zijn brief, die de heer Van Stokkum dd 22.8.1930 schreef aan boswachter Schoonenberg, in Par. 18.1)

GRATIS BOSBESPLUKVERGUNNINGEN

Voor het gratis mogen bosbessen plukken, heide- en grassnijden, wortels rooien, grovedenappels rapen (waarmee vuur werd aangemaakt), grovedennaalden en mos halen, stelde de heer Van Stokkum korte tijd na de aankoop van deze bosterreinen twaalf beperkende bepalingen op.

Deze bepalingen liet hij vermelden op gedrukte aanvraagformulieren, welke bij zijn boswachter gratis verkrijgbaar waren.

Alle hiervoor in aanmerking komenden ontvingen, ook weer gratis, een op naam gestelde vergunning alsmede een stevig toegangsbewijs voor zijn terreinen.

Op deze vergunning waren genoemde 12 bepalingen eveneens gedrukt, terwijl op het toegangsbewijs o.m. naar die bepalingen werd verwezen.

De bosbessen-pluktijd en de bosbrand gevaarlijke tijd vereist uiteraard extra bewakingspersoneel. Hierom is het gebruikelijk, ook bij het Staatsbosbeheer, dat voor bosbessen-plukvergunningen wordt betaald, doch deze kosten droeg de heer Van Stokkum altijd zelf.

WELWILLEND VRIJE WANDELING

Door zijn bezit op de eerder genoemde wijze af te sluiten wilde de heer Van Stokkum het publiek allerminst daaruit weren. Integendeel. Van de aankoop in 1918 af was op zijn terreinen voor iedereen vrije wandeling welwillend toegestaan, maar de vernielers van het natuurschoon wilde hij op die manier de weg versperren.

Daar hij persoonlijk een vreselijke hekel had aan alle soorten verbodsbordjes in de vrije natuur, want “de kwaadwillenden storen er zich toch niet aan en bij de goedwillenden wekken ze ergernis op”, plaatste de heer Van Stokkum aanvankelijk vele zg “zwerfstenen” van graniet, met daarin de naam van de weg gebeiteld ofwel met door hem in dichtvorm gestelde regels.

Deze zwerfstenen werden niet ter plaatse gevonden, zoals thans (reeds) wordt verondersteld en zelfs soms min of meer geologisch verklaard! Maar deze “Findlingen” zocht de heer Van Stokkum destijds persoonlijk stuk voor stuk uit in het Zwarte Woud en in het Fichtelgebirge. In 1922 liet hij hiervan een totaalgewicht van 30.000 kg aanvoeren!

Grootste Groesbeekse keiFOTOs/039-9-cropped.jpeg

De grootste Groesbeekse kei komt uit de omgeving van het plaatsje Waldulm, plm 750 m boven de zeespiegel gelegen, in het Zwarte Woud. Deze kei heeft een inhoud van ruim 2 m3 en staat sinds maart 1957 aan de Biesseltsebaan, hoek Oost-West-laan. Aanvankelijk stond deze, vanaf 1922, voor de zgn “rotspartij” welke de heer Van Stokkum bouwde bij de spoorbrug, hoek Bruglaan en Spoorlaan (zie grote terreinkaart, Par. 4.17).

Het daarin gebeitelde gedicht roept een ieder een hartelijk welkom toe, maar wekt hen tevens op zich – als gasten – te houden aan zijn regels-op-rijm. Het luidt aldus:

Geniet in vreugd, in stille vrêe,
Van ’t geen Uw oog of oor moog’boeien;
Beschadig niets, neem ook niets mee,
Spaar dieren en laat alles groeien.
Houd honden stevig aan den band,
Blijf kalm op de wegen wand’len;
Rook niet: de kleinste vonk sticht brand.
Treedt ge hier in, dan ook zoo hand’len!

P.J.M. VAN STOKKUM,
1923

MANKRACHT, PAARD EN KAR, SLECHTE WEGEN

Het laat zich denken hoeveel moeilijkheden in 1922 overwonnen moesten worden vooraleer b.v. dat enorme blok graniet, die “onhandelbare” kei, met een gewicht van maar liefst ca 6000 kg aangevoerd en ter plaatse was opgericht en in beton verankerd, zonder moderne vervoer- en hulpmiddelen, maar met paard-en-kar, over zeer mulle zandwegen. Want alle werkzaamheden geschiedde daar eertijds nog met man-kracht, paard en kar, over bijzonder slechte toegangswegen, zoals gezegd mulle zandwegen.

TOETSSTEEN
Bij een der toegangen tot het landgoed. De Hoge Hoenderberg in GROESBEEK staat een reusachtige zwerfsteen, waarop in een aantal dichtregels de bezoekers wordt gewezen op hun verplichtingen. De eigenaar van dit landgoed die het vers in 1923 opstelde meende na enige tijd dat aanzijn natuurwetten nog iets ontbrak. Daarom liet hij op de achterzijde van de steen het volgende vers aanbrengen:
 
Waar niemand spied
is God en ziet
zelfs ons geheimst verlangen
genot en vreugd
in eer en deugd
doen nimmer tranen prangen


uit DE VOLKSKRANT van 18 AUGUSTUS 1962FOTOs/039-9.jpeg

En deze waren o.a. over de Heumensebaan, de Biesseltsebaan en de Maldensebaan, bovendien veel steiler dan thans en volkomen onbereidbaar per rijwiel of een auto (de beide laatstgenoemde wegen werden pas gedurende de jaren 1932 t/m ’37 aanzienlijk verbeterd, o.m. door daaruit enkele hoge heuvelkoppen te verwijderen en ze te verharden met grind; de Heumensebaan in de jaren 1935 t/m ’37. Eind 1963 werd de Maldensebaan geasfalteerd).

EIGEN MIDDELEN

Het spreekt vanzelf dat de heer Van Stokkum alles uit eigen middelen moest bekostigen.

IDEALIST

Er zijn voorbeelden die aantonen, dat de uitvoering van dergelijke – in feite idealistische – plannen tot bittere ontgoocheling kunnen leiden, o.a. de débâcle der “Heerlijkheid Sterksel” in Noord-Brabant.

Nagenoeg gelijktijdig met het “bosbouw-tienjarenplan” van de heer Van Stokkum voor dit “Maldensche Vak”, kwam ook gencemd project tot uitvoering en dat verkreeg allerwege grote medewerking, b.v. de reeds lang vervallen en zelfs misschien al weer vergeten spoorweghalte “Sterksel”.

Na de enthousiaste persberichten volgden na enkele jaren reeds de berichten over de volslagen ondergang dezer onderneming en de zeer grote financiële verliezen welke de ondernemers alsmede een bank daarbij leden.

Op een dergelijk groot grondbezit aanzienlijke kapitalen te verwerken en geheel of gedeeltelijk te verspillen, is heel gemakkelijk en gebeurt niet zelden. Er met bescheiden middelen iets moois en goeds tot stand brengen en daar eventueel na verloop van ca 25 jaren zelfs enigszins bevredigende financiële resultaten verkrijgen, is buitengewoon moeilijk en vergt vooreerst liefde voor plant en dier, maar daarnaast een grondige kennis van bosbouw.

VOGELSTAND

Een vogelstand werd door de heer Van Stokkum destijds o.m. bereikt door het langs en aan de voet van terreinhellingen maken van 6 grote en kleine – deels nog bestaande – betonnen “vogeldrinkbakken”. Voorts ca 50 grote en kleine “regen-opvangbakken” met wanden en bodem voorzien van een harde leemlaag en verbonden met speciaal hierheen gegraven aanvoer-sleuven, welke eveneens waren voorzien van een dergelijke leemlaag.

Deze drinkbakken waren beschut geplaatst onder opgaand gewas in verband met de voorkomende roofvogels.

Bij regen automatisch gevuld, trokken deze drinkplaatsen al spoedig de nuttige vogels aan.

Na deze deugdelijke voorbereiding lieten de “gevleugelde-bosarbeiders” niet lang meer op zich wachten en op enkele volgden meerdere, ja vele – in tal van soorten.

In het eerstvolgende voorjaar werden ca 70 controleerbare nestkastjes opgehangen (systeem Freiherr von Berlepsch en door de heer Van Stokkum gekocht in Büren, Westfalen), maar tevens werd gewaakt tegen het nestkastjes-uithalen en bleek het bovendien noodzakelijk nog geruime tijd systematisch te doen jagen op wilde katten, Vlaamse gaaien (Meerkollen), een te veel aan eekhoorns enz.

Daarenboven werden duizenden stuks vogelkers geplant in soorten (Prunus serotina, Sorbus aucuparia, Prunus padus enz., waarvan de laatst genoemde soort hier slecht groeit, zoals de heer Van Stokkum heeft ervaren).

WATERAANVOER VANUIT GROESBEEK

Voor het maken van beton, nodig voor genoemde vogeldrinkbakken, het vastzetten van de zwerfstenen enz., moest het water per paard en kar vanuit het dorp Groesbeek worden aangevoerd; op die tijdrovende manier werd dit ook voor b e v l o e i i n g van de jonge aanplant gehaald, in langdurende droogte perioden b.v. in juli 1921 alleen al ca 21600 liter! Enkele vogeldrinkbakken werden bovendien regelmatig gecontroleerd en zo nodig bijgevuld om het wegtrekken der vogels te voorkomen.

DE NOODZAAK VAN VOGELSTAND

Reeds voordat de heer Van Stokkum “Het Maldensche Vak” in 1918 kocht, was hij een ijverig onderzoeker van alles wat er in de natuur leeft en deze hobby bleek van veelzeggende invloed op de uitstekende groeiresultaten van de jonge aanplant.

Zonder hier in een biologisch betoog te vervallen, is het wel vermeldenswaard dat hij zijn aanvankelijke theorie, opgedaan tijdens zijn vele boswandelingen o.m. in Duitsland, België en elders, omstreeks 1926 in zijn eigen bossen zag bevestigd.

Sindsdien meende hij n.l. met grote stelligheid te kunnen aantonen dat o.m. een vogelstand in bossen pure noodzaak is.

Een van zijn uitspraken uit die tijd is: “wil men natuurreservaten intact houden, dan moet het beheer aan àlles wat daar leeft regelmatig aandacht schenken; slechts bescherming voor moedwil zal niet voldoende blijken”.

Over dit onderwerp wisselde de heer Van Stokkum graag van gedachten o.m. met de directeur van het Staatsbosbeheer, de heer E.D. van Dissel, die zich hiervoor eveneens bijzonder interesseerde.

(Zie onder “Directeur Staatsbosbeheer vroeg advies over beheer”, Par. 18.5)

EINDE TIENJARENPLAN (1928)

Dank zij de vastomlijnde, deskundige plannen en tekeningen, alsmede het vlugge tempo waarin gedurende tien jaren met een groot aantal arbeiders en onder de bezielende leiding van de heer Van Stokkum was gewerkt, had het gehele uitgestrekte complex na afloop van dit tienjarenplan het aanzien van een welverzorgd, jong opgroeiend bos, precies zoals de heer Van Stokkum zich dat van de aanvang af had voorgesteld.

Ook de brede (Van Stokkum’s) Hoofdlaan met de prachtige sierstroken en de vele mooie zijwegen waren klaar. Hierdoor had ook het (weinige) publiek toegang tot in alle delen van het landgoed.

Op hun zwerftochten ontdekten de, veelal argeloze, wandelaars meerdere prachtige vergezichten, maar ze hadden er geen vermoeden van dat, bij de aanleg dezer wegen, speciaal ook daarop was gelet.
Op tal van mooie punten troffen de bezoekers bovendien houten uitzichttorentjes aan met een ladder, waardoor zij ook “rondom” van het uitzicht konden genieten.
Deze torentjes zijn evenals de vele zitbanken verdwenen (vermolmd), doch het Staatsbosbeheer heeft de laatste jaren gelukkig weer enkele zitbanken geplaatst.

De vogelstand was toen al heel bevredigend en de in 1918 nog overheersende onbehagelijke doodse stilte en drukkende eenzaamheid werden verbroken door een oor en oog boeiend vertier, fluiten en zingen, hakken en springen, fladderen en vliegen, van ijverig naar de “vijanden van de bosbouwer” zoekende vogels. Er leefde ook het schrijverke. Het twinkelde lustig over de vogeldrinkbakken, waarvan legerscharen bijen eveneens profiteerden. Zelfs kikkers trof de heer Van Stokkum er aan. En dit alles schonk de natuurvriend Van Stokkum grote voldoening en vreugde en vooral later, toen het Boshuis was gebouwd, kon hij gedurende de volkomen stilte van de late avond en nacht menigmaal genieten van de heerlijke zang van nachtegalen.

De bestrijding van schadelijke insecten had, mede als gevolg van deze vogelstand, uitstekende resultaten opgeleverd in die eerste 10 jaren.

HOOFDSTUK 6

DE PANORAMABERG

In 1922 had de heer Van Stokkum intussen, eveneens in de gemeente Groesbeek, een braakliggend, als vuilnisbelt gebruikt, terrein aangekocht, genaamd “De Knotsche Klef”, groot ca 1,7 hectare en tegen de kom van het dorp gelegen, aan de Zevenheuvelenweg.

De naam De Knotsche Klef was ontleend aan de tien arbeiderswoningen onder één kap, die aan de voet van deze stijle helling stonden, aan de noordelijke kant, en om die reden door de bevolking de Tiengeboden werden genoemd. Maar als Groesbekers spraken over De Tiengeboden, dan hadden ze het over De Knots; bij een heuvel over Klef, vandaar: Knotsche Klef.

LANDHUISJESCOMPLEX OP PANORAMABERG

In 1923 besloot de heer Van Stokkum op dit hooggelegen terrein een complex zomerhuisjes te bouwen en deze zelf te gaan exploiteren of te verkopen voor normale bewoning.

Vanaf het hoogste punt had men een prachtig uitzicht op het dorp Groesbeek, de landgoederen “Ingina Heuvel”, de “Wolfsberg”, het Kleefse Reichswald enz.

In dit verband plaatste hij daar voor het publiek een grote ronde natuurstenen tafel met dito zitbank en gaf hij deze bouwplaats de toepasselijke en later door de gemeente overgenomen naam “de Panoramaberg”.

In de jaren 1926-1927 werden de eerste vier moderne landhuisjes gebouwd, onder leiding van de Rotterdamse architect Corn. Elffers.

In één dezer huisjes bracht de fam. Van Stokkum jaarlijks de vacantie door n.l. in 1926 en 1927 in de “Pionier”; van 1929 t/m 1933 in “Stuwing” (zie ook onder “Welstandsbepalingen”, Par. 8.15).

AANLEG EIGEN DRINKWATERLEIDING IN 1926

Ten behoeve van dit landhuisjescomplex liet de heer Van Stokkum een e i g e n drinkwater-installatie en buizennet aanleggen, waarvoor hij o.a. een 24 meter diepe betonringenput en een volautomatisch electrisch pompstation (zuig-perspomp) bouwde. Bij deze aanleg die in 1926 gereed kwam had hij rekening gehouden met de aansluiting ervan op de streekwaterleiding met welke aanleg destijds juist was begonnen.

STREEKWATERLEIDING PAS GEREED IN 1929

Was het dorp Groesbeek omstreeks 1917 aangesloten op het prov. electriciteitsnet, een waterleiding was er nog niet. Men had het in die dagen nog niet zo erg op “al dat nieuwerwetse gedoe” en zeker de oudere generatie, die met de pomp was opgegroeid en oud geworden, voelde aanvankelijk weinig of beter gezegd niets voor een waterleiding, welke bovendien jaarlijks nog zoveel kostte.

Een eerste poging om te komen tot de aanleg van een streekwaterleiding deed de heer De Jongh uit Ubbergen in 1922, maar deze mislukte. De bewoners van Beek en Ubbergen dienden een request in, waarin zij verklaarden geen prijs te stellen op een waterleiding!
De (eerste) wereldoorlog belette hem een verdere aanpak.

Eerst in 1925 deed de heer De Jongh een tweede poging. Hij kreeg de medewerking van de directeur van het Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening, ir. Krul, alsmede van de heer Van der Veur, directeur van “Mooi Nederland”.

In mei 1925 werd de stichting “De Waterleiding Berg en Dal” te Ubbergen opgericht (dit is trouwens de oudste streekwaterleiding van Gelderland).

De oprichting geschiedde onder leiding van de toenmalige burgemeester van Ubbergen mr.E.H.J. baron van Voorst tot Voorst.

De aanleg duurde ongeveer vier jaren, terwijl het verzorgingsgebied destijds de navolgende dorpen en buurtschappen omvatte: Ubbergen, Beck, Leuth, de Zandpol, Kokerdom, Berg en Dal, de Ploeg en Groesbeek.

FOTOs/043-12.png

Op 5 october 1929 werd deze voor de gemeenten Ubbergen en Groesbeek officieel in gebruik gesteld, door de toenmalige commissaris der koningin in de provincie Gelderland mr. S. baron van Heemstra, door het openen van een kraan van de hoofdleiding.

Het moge duidelijk zijn, dat de aanvankelijke tegenkanting van de zijde der bevolking geheel is overwonnen; de mentaliteit reeds vele jaren volkomen is omgeslagen ten gunste van de waterleiding.

AANSLUITING BUIZENNET PANORAMABERG IN 1934

Het duurde evenwel nog acht jaren voordat ook het landhuisjescomplex van de heer Van Stokkum, op de Panoramaberg, op de hoofdleidng van deze streekwaterleiding kon worden aangesloten.

HOOFDSTUK 7

KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJ

Sedert de heer Van Stokkum als lid der Nederlandsche Heidemaatschappij was ingeschreven, n.l. op 28.8.1916 (reeds 2 jaren dus voordat hij “Het Maldensche Vak” aankocht), maakte hij bijna alle jaarvergaderingen met aansluitende excursies hiervan mee.

HEIDE MIJ – UITMUNTENDE ORGANISATIE

Dat er tijdens deze uitmuntend georganiseerde excursies niet alleen verrassend veel moois te genieten, maar bovenal heel veel te leren valt is zonneklaar voor wie met bosbouw te maken heeft en uit ervaring weet hoe daarbij gemaakte fouten zich dikwijls ernstig wreken, zelfs gedurende lange tijd (zie in dit verband onder “Idealist”, Par. 5.7).

EXCURSIES VAN ONSCHATBARE “AANVULLENDE” WAARDE

De bestudering van bosbouw o.a. van de boomsoorten en hun eisen aan de bodem, grondonderzoek, grondbewerking, bemesting, kweken van bosplantsoen, aanplanten, door-, onder- en tussenplanten, vogelbescherming, voorkoming en bestrijding van insectenschaden, bosbrand en bestrijding ervan enz. enz., is bij dit werk onontbeerlijk en daarvoor zijn deze leerzame excursies, soms tot over onze grenzen, zoals de heer Van Stokkum heeft ervaren, van onschatbare aanvullende waarde.

HEIDE MIJ SCHREEF OVER WERK VAN STOKKUM

[Bron H] Hetgeen eerder is vermeld onder: “Wegen en brandkeringen”, “Grondbewerking”, “Bijzondere zorg middengedeelte”, “Bemesting”, “Eigen kwekerij”, “Eerste aanplant 1919 t/m ’26”, “Bescherming voor moedwil” en “Vogelstand”, werd in het nummer van 1 october 1935, van het tijdschrift van de Heide Mij, redactioneel uitvoerig belicht in verband met een door deze Mij georganiseerde excursie naar de boswachterij Groesbeek, waarbij ook een bezoek aan het landgoed De Hooge Hoenderberg op het programma stond.

Aan deze excursie werd door ongeveer 140 personen deelgenomen, onder wie de heren jhr.mr.Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck (toen geen minister meer), E.D. van Dissel en mr.P.G. van Tienhoven, met wie de heer Van Stokkum ter plaatse nog eens van gedachten wisselde over zijn aanvankelijke grootse bouwplannen en die welke, dank zij het accoord van 28.12.1929, inmiddels klaar dan wel in uitvoering waren. Ook vertelde de heer Van Stokkum, omstreeks 1932 te zijn besloten tot voorlopig uitstel van de aanvankelijk grootse bouwplannen, o.a. het vacantie-dorpje. Hierover merkte hij toen o.m. op: “waarschijnlijk laat ik het bouwen daarvan aan mijn kinderen over”.

VAN STOKKUM OVER BALDADIGHEID

[Bron H] Eerder nog, n.l. in het nummer van december 1929 van genoemd tijdschrift der Heide Mij, werd het onderstaande door de heer Van Stokkum ingezonden artikel opgenomen, met foto van de reeds besproken ca 6000 kg wegende “Findling”, de Groesbeekse kei (zie Toetssteen in Par. 5.5)

BETEUGELING VAN BALDADIGHEID IN LANDGOEDEREN

Welk een genot verschaffen den groot-stedeling de uitgestrekte landgoederen! Uren lang kan hij er ronddwalen en genieten van de vrije natuur, gezonde lucht en rust. Ja, rust!

Het zenuwsloopende, jachtende leven van den tegenwoordigen tijd ontvloden, komt hij daar onder de indruk van de schoonheid, de doelmatigheid, den rijkdom van Gods schepping.

Hij komt weer tot zichzelf en aanschouwt met vreugde, wat ook de mensch daar wrocht. Hij gevoelt zich als ontlast van ’s werelds beslommeringen en … vrij!

Wat mag hij echter niet vergeten?
Dat al dit schoon, waarvan hij geniet, slechts in stand kan blijven (voor hem en anderen), indien hiervan naar b e h o o r e n gebruik wordt gemaakt.
Niet immer uit baldadigheid, meestal uit onnadenkendheid of domheid, verricht hij daden, die schade ten gevolge hebben. Planten, banken, wegen worden beschadigd, vogels verontrust, vaak zeer nuttige dieren gedood, pas ontkiemde plantjes vertreden, flesschen en papieren achteloos weggeworpen enz.

Zelfs wil men, ondanks in de pers herhaaldelijk gelezen waarschuwingen en in de bosschen aangebrachte verbodsbordjes, voor dezen keer niet eens het rooken nalaten!

Bij zóóveel gratis geboden genot wil men zich dit kleine offertje niet getroosten en bedenkt men niet, dat de vreugde van het verblijf ter plaatse ten slotte te danken is aan den eigenaar van het betreffende bezit, die door openstelling ervan blijk geeft ook anderen daarvan te laten genieten. Die anderen zijn veel en veel talrijker dan de leden van zijn gezin. Aan welke zijde is dan gewoonlijk het grootste aantal genotsdagen?

Herhaalde boschbrand, vernieling, beschadiging enz. noopten al menigen bezitter het publiek den toegang te verbieden. Aan de verbodsbordjes stoorde men zich eenvoudig niet! Zulke bordjes: Verboden dit en verboden dat en … denkt aan de boschwachter en het liefst dubbel procesverbaal, stemmen menigen, zich eindelijk eens vrij gevoelenden, wandelaar niet bijster prettig. Die verboden en bedreiging wekken vaak ergernis bij hem op ook tegenzin zich iets te ontzeggen, een offertje te brengen.

De eigenaar van een in het wonderschoone, boschrijke heuvelland tusschen Maas en Waal, nabij Groesbeek, gelegen boschbezit, wil de prettige stemming van den wandelaar niet bederven maar deze er liever inhouden, ja, als ’t kan verhogen!

Zooals op deze foto – van een rotspartij met grot – te zien is, wil hij den wandelaar niet ergeren, niet afstooten, maar voor zich innemen en roept hem bij den hoofdingang van zijn bezit dan ook toe:

    “Geniet in vreugd, in stille vrêe, Van ’t geen Uw oog of oor moog’boeien”.

De door dit vriendelijk woord in prettige stemming gehouden of gebrachte en zich welkom gevoelende gast, leest dan verder met belangstelling al datgene, waaraan hij zich heeft te houden, indien hij het landgoed binnentreedt, zoomede het slot:

    “Treedt ge hier in, dan ook zoo hand’len!”

Dus: wilt ge na lezing mijner rechtmatige voorwaarden mijn gast zijn, aanvaard dan ook de consequentie, handel overeenkomstig mijn voorschriften. Aan U wandelaar is de vrije keuze: Treed in, wees welkom, geniet, maar gedraag U overeenkomstig mijn wenschen of … richt Uw schreden elders heen!

Aldus toegesproken, in goede stemming, neemt de wandelaar het den eigenaar niet kwalijk meer, dat deze, gelijk elk andere gastheer (de wandelaar zelf inbegrepen) verlangt, dat de gasten zich naar zijn wensch, dus behoorlijk, gedragen. Hij vindt het tenslotte vanzelfsprekend, dat de eigenaar hun, die zich niet naar zijn billijke eischen voegen willen, den toegang ontzegt, bij betrapping op een overtreding der voorschriften een tweetal processenverbaal doet opmaken: 1e wegens het betreden van verboden terrein, 2e wegens beschadiging, vernieling of diefstal

Is het wonder, dat de betreffende eigenaar, die vroeger twee malen boschbrand had en evenmin (als vele andere boschbezitters) van lijsterbessen-, eikenbladeren- enz. plukkende dames en rookende heeren verschoond bleef, sedert het aanbrengen van zijn op vriendelijken maar meest gestrengen toon, op rijm gestelden wenk, zich over geen noemenswaardige baldadigheden meer behoeft te beklagen?

Hij plaatste inmiddels reeds een tweede blok Schwarzwald-graniet met hetzelfde opschrift bij een anderen ingang.

Het spreekwoord: “Een vriendelijk woord vindt altijd een goede plaats”, heeft zich ook hier weer bewaarheid.

43 JAAR LID; 29 JAAR AFDELINGSVOORZITTER HEIDE MIJ

Nadat hij 14 jaren lid was van de Nederlandsche Heidemaatschappij, werd aan de heer Van Stokkum in 1930 de voorzittershamer aangeboden van de afdeling Zuid-Holland, welke afdeling hij toen al sinds september 1920 als afgevaardigde vertegenwoordigde op de jaarvergaderingen te Arnhem.

Bij zijn vertrek uit Rotterdam in 1950 moest hij deze functie na 20 jaren neerleggen, maar hij nam die voor de afdeling Zuid-Oost-Gelderland aanstonds op zich, toen een beroep op hem werd gedaan.

Hij was 43 jaren lid, waarvan 29 jaren afdelings-voorzitter, toen hij in 1959 wegens zijn hoge leeftijd en het inmiddels slecht ter been worden, van verdere activiteiten moest afzien. En als gevolg hiervan moest hij in 1963 tot zijn groot leedwezen zelfs verstek laten gaan op de uitnodiging voor de viering van het 75-jarig jubileum, tijdens welke gelegenheid aan de Mij het predicaat “Koninklijk” werd toegekend.

Dankbetuigingen

Dankbrief1 van Nederlandse HeidemaatschappijFOTOs/picture-scan-47.png

Zeer geachte Heer van Stokkum,

Het Bestuur van de Nederlandache Heidemaatschappij heeft met leedwezen kennis genomen van uw brief van 14 dezer, waarin u bericht, dat het u wegens gezondheidsredenen niet langer mogelijk is een bestuursfunctie naar behoren te vervullen.

Het is mij als voorzitter der Maatschappij een behoefte u hartelijk dank te zeggen voor het vele belangrijke werk, dat u sedert 1930 eerst als voorzitter van de afdeling Rotterdam en vanaf 1950 in dezelfde kwaliteit in Nijmegen voor de Maatschappij hebt gedaan. Node ziet het bestuur der Maatschappij een zo trouw bestuurslid gaan.

Gaarne spreek ik de wens uit, dat de gezondheidsredenen, waarvan in uw brief sprake in, van zodanige aard zijn, dat het u gegeven zal zijn het werk van de Maatschappij, zij het niet meer in een bestuursfunctie, toch nog een aantal jaren te blijven volgen.

Met mijn beste wensen en vriendelijke groeten, ook aan Mevrouw van Stokkum, verblijf ik met de meeste hoogachting,

Jhr.Dr.C.G.C.Quarles van Ufford,
Voorzitter

Dankbrief2 van Nederlandse HeidemaatschappijFOTOs/048.png

Aan de Weledele Heer P.J.M. van Stokkum
Nijmeegsebaan 64
Nijmegen.

Betreft: Uw schrijven 14 juli 1959

Nijmegen, 15 augustus 1959


Zeer geachte Heer van Stokkum,

Op een dezer dagen gehouden vergadering van het bestuur van onze afdeling namen wij met leedwezen kennis van Uw schrijven dato 14 juli, waarmede U bedankt als voorzitter en bestuurslid.

Het bestuur betreurt het ten zeerste, dat U om gezondheidsredenen tot dit besluit meent te moeten overgaan, doch wij hopen, dat Uw gezondheidstoestand zich spoedig zo gunstig zal wijzigen, dat U nog meerdere malen in de toekomst in staat zult zijn als bevriend lid onze bijeenkomsten bij te wonen.

Uw aanwezigheid en optreden tijdens het leiderschap van onze afdeling schepte immer een prettige sfeer en daaraan danken wij het op de eerste plaats, dat een vaste kern van onze leden zich steeds om U schaarde, als U hun opriep voor onze bijeenkomsten.
Ongetwijfeld vertolken wij dan ook de gevoelens van al onze leden, als wij U dankzeggen voor hetgeen U voor de afdeling als voorzitter sinds 1950 hebt verricht. Het zal ongetwijfeld zijn stempel drukken op het verdere verloop van onze vereniging.

Als bestuur zullen wij trachten Uw voetstappen te drukken. Wij danken U nogmaals voor het onvermoeid werken voor onze afdeling en wensen U een algeheel herstel van Uw enigszins geschokte gezondheid.

Ook aan Mevr. van Stokkum onze dank. Zij was meerdere malen onze hartelijke gastvrouwe en immer een prettige reisgenote tijdens onze excursies.

Aan U beiden derhalve onze hartelijke groeten en laten wij hopen: tot een voorspoedig weerziens!

Het Bestuur van de Afd.Z/O Gelderland
Mr.P.M.H. Gassen, Ondervoorzitter
Th. van Rens, Secretaris

HOOFDSTUK 8

DE MUNTBERG EN DE WOLFSBERG

In 1927 vernam de bekende Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, dat de beide landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg gelegen in de gemeente Groesbeek te koop waren.

De actieve natuurbeschermer en voorzitter dezer vereniging, mr. dr. P.G. van Tienhoven, in nauwe samenwerking met de directeur van het Staatsbosbeheer, de heer E.D. van Dissel, rustte destijds niet voordat genoemde gebieden aan de eigendommen van de vereniging waren toegevoegd.

Tezamen vormden deze terreinen een oppervlakte van ca 525 hectaren en dit bracht uiteraard grote financiële zorgen met zich voor deze instelling. Hierom zocht de heer Van Tienhoven aanvankelijk steun o.a. bij de gemeenten Nijmegen en Groesbeek, waarvan hij de beide burgemeesters persoonlijk benaderde.

De gemeente Nijmegen noemde evenwel een veel te geringe bijdrage; de gemeente Groesbeek had eertijds te kampen met grote werkeloosheid, was zelfs op sociale zaken aangewezen en kon uit dien hoofde moeilijk iets toezeggen.

MET STEUN REGERING

De aankoop van de beide landgoederen werd tenslotte mogelijk, na persoonlijk overleg van de heer Van Tienhoven met minister Kan (Binnenlandse Zaken), die in verband hiermede de beide landgoederen tezamen met de directeur van het Staatsbosbeheer is gaan bezichtigen, zonder voorkennis van de eigenaren of de heer Van Tienhoven (welke laatste hierover een bericht aantrof in het Algemeen Handelsblad. Geprikkeld schreef hij daarop een brief over dit voorval aan de directeur van het Staatsbosbeheer), en minister De Geer (Financiën).

Op 13.2.1928 had de heer Van Tienhoven te Den Haag een onderhoud met minister De Geer “om tevens van gedachten te wisselen over het voornemen ook een gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg, dat als een enclave tussen de terreinen van de Muntberg en de Wolfsberg is gelegen, ter verrijking aan dit te stichten”National Park” toe te voegen”.

(Dit bezoek aan minister De Geer ging vooraf aan de dag waarop de Vereniging (de heer Van Tienhoven) aan minister Kan, dd 14.2.1928, een uitvoerige brief schreef, zie Par. 8.22)

Met genoemde uitbreiding kon, volgens de heren Van Dissel en Van Tienhoven, een “schoone eenheid” en tevens een definitieve “afronding” van het als natuurreservaat te bestemmen gebied worden verkregen (zie in dit verband de brief van de Vereniging aan het Staatsbosbeheer, dd 26.9.1929, Par. 12.2, alsmede die van van de Vereniging aan Van Stokkum, dd 26.8.1930, Par. 18.2).

GEEN MISPLAATST VERTROUWEN

In dit verslag zouden de onderhandelingen over de tweevoudige bestemming – gevolgd door een definitieve splitsing – van de terreinen van het landgoed De Hooge Hoenderberg niet zo uitvoerig en zo gedocumenteerd zijn weergegeven, indien de overheid de voor de minister officieel afgelegde verklaringen aan de heer P.J.M. van Stokkum, ingevolge waarvan het accoord van 28.12.1929 tussen de betrokken partijen tot stand kwam, formeel bekend had gemaakt aan die overheidsinstanties welke daarvan, blijkens o.m. het schrijven van B.&W. van Groesbeek, dd. 24 november 1962, zie Par. 19.6, kennelijk niet op de hoogte zijn, getuige de met genoemde overeenkomst in strijd zijnde beslissingen.

Het tussen de betrokken partijen bereikte accoord van 28 dec. 1929 bracht voor de heer P.J.M. van Stokkum namelijk mee, dat hij o.a. zijn sedert 1926 voorgenomen plannen inzake de bouw van een groot toeristen-centrum moest wijzigen in dier voege, dat bij genoemde tweevoudige bestemming van zijn terreinen de zgn “Sanatoriumweg” als scheiding tussen die beide delen moest worden aangehouden, zodat hij van zijn oorspronkelijke bezit van ca 130 ha een aanmerkelijk groter gedeelte dan aanvankelijk bedoeld onbebouwd liet en dat grootste gedeelte ongerept zou afstaan ter verrijking, doch tevens als afronding van het als natuurreservaat bestemde gebied, maar dat hij daar tegenover, ten aanzien van zijn genoemde plannen, o.a. de uitdrukkelijke toezegging verkreeg dat het resterende gedeelte van overheidswege nimmer als natuurreservaat of dergelijke zou worden aangemerkt, dat dit gedeelte tegelijkertijd officieel werd bestemd tot een voor ons land uniek gelegen toeristencentrum en dat bij het verwezenlijken van de bouw van dit vacantie-dorpje op royale medewerking kon worden gerekend van de zijde van de overheid.

Dat bedoelde en in dit verslag nader te noemen verklaringen op 28.12.1929 voor de minister werden afgelegd door daartoe bevoegde personen, blijkt onomstotelijk uit de navolgende geciteerde correspondentie, dit ondanks het feit dat hieraan geen brieven of andere bescheiden van de heer P.J.M. van Stokkum zelf konden worden toegevoegd daar zijn archief bij het bombardement van Rotterdam in mei 1940 totaal werd vernietigd. (In verband met het vertrouwelijke karakter van het navolgende verslag verwijst de samensteller naar een bepaling hieromtrent in zijn voorwoord.)

VERZOEK AAN VAN STOKKUM

Alhoewel de onderhandelingen over de aankoop door de Vereniging, van de landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg nog gaande waren nam genoemde Vereniging middels haar voorzitter, mr. dr. P.G. van Tienhoven, met de eigenaar van het landgoed De Hooge Hoenderberg, reeds contact op.

[Bron V] Op 11.8.1927 schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Wij vernamen, dat U een belangrijk deel bezit van het bosch en open terrein, gelegen bij de Muntberg en den Wolfsberg, en vertrouwelijk kom ik U vragen, of U genegen zoudt zijn om mede te werken bij een pogen onzer Vereeniging om dit schoone complex, hetwelk van groot algemeen belang te achten is, te behouden als een “National Park” ten behoeve van degenen, die van het natuurschoon om en bij Nijmegen kunnen genieten. Mocht dit zoo zijn, dan zou ik gaarne van U willen vernemen, hoe groot het terrein is en als het kan met opgave van de kadastrale nummers, opdat wij een oordeel kunnen vormen.

60 H.A. IN NOORD-WESTHOEK TE KOOP – DE REST NIET

De in onderstaande brief genoemde “gearceerde N.W.-hoek” is met “TUSCULUM” aangegeven op de terreinkaart Par. 8.13.

[Bron V] Op 15.8.1927 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging, o.m.:

Ter Uwer informatie, heb ik de eer U hierbij ter inzage te doen toekomen een door mij, naar luchtfoto 1922, voorlopig nog slechts betrekkelijk ruw, geteekende terreinkaart van het mij toebehoorend boschbezit groot + 130 H.A., waarvan ik echter de gearceerde N.W.-hoek, groot + 9,5 H.A. onlangs voor een Tusculum verkocht. Betreffende een naastgelegen terrein groot + 9 H.A. ben ik in onderhandeling, tevens met eene groote instelling betreffend een deel van + 50 H.A., waaronder die 9 H.A. ook behooren. Het ligt in mijne bedoeling het dan over”blijvende terrein te behouden. Op de luchtfoto, schaal 1: 5000 komt ook voor een belangrijk deel van het landgoed de Muntberg, terwijl ik nog luchtfoto’s bezit op kleiner schaal van de langoederen de Muntberg, Hooge Hoenderberg, Inginaheuvel en een deel van de Wolfsberg. Gaarne ben ik bereid U deze te toonen. Van de Muntberg heb ik (in verband met aankoopplan) in 1919 eene ruwe terreinkaart gemaakt (met inl. inz. oppervlakten, houtopstanden enz.), welke ter Uwer beschikking is, voor Uwe Vereeniging. Tot eind Aug. woon ik te Groesbeek in de “Pionier”, waarheen U tot dan event. corresp. kunt richten. Mocht U dezer dagen in de buurt komen, mijn terrein willen bezichtigen, dan ben ik gaarne bereid U rond te geleiden.”

Bron V] Op 17.8.1927 schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Onder dankzegging voor de verstrekte inlichtingen ontving ik Uw schrijven van 15 Augustus, waarvan de inhoud mijne volle belangstelling had. Het kaartje mag ik zeker nog eenige dagen behouden, omdat de tijd mij op dit oogenblik ontbreekt om al de daarop voorkomende gegevens na te gaan. Aangezien het schijnt gedrukt te zijn, zoudt U mij met een exemplaar voor ons archief groot genoegen doen en eveneens door mij de aangeboden ruwe terreinkaart van den Muntberg toe te zenden, want hoe meer gegevens men bezit, hoe gemakkelijker een voorstelling wordt gemaakt van het terrein. Gaarne zal ik, indien mijn wegen voor eind Augustus naar Nijmegen voeren, U een bezoek brengen te Groesbeek, doch gaarne vernam ik, of reeds de in uitzicht gestelde verkooping van Uw terreinen heeft plaats gevonden, in het bijzonder het stuk van 50 H.A., dat een groot gedeelte van Uw bezit uitmaakt.

VAN STOKKUM: “WOLFSBERG EN MUNTBERG NU NOG VOORDELIG TE KOOP”

[Bron V] Op 28.8.1927 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging (doch met geen woord ging hij in op het gevraagde. – Zie aangaande de inhoud van deze brief ook een schrijven van het Staatsbosbeheer aan minister Kan, dd 15.3.1928, Par. 8.21):

Overeenkomstig Uw schrijven van 17 dezer, heb ik de eer U bijgesloten de kaart van het landgoed “De Muntberg” te doen toekomen, benevens een exemplaar van de nieuwe wandelkaart van de V.V.V. te Groesbeek, waarop de verschill. landgoederen voorkomen. De terreinkaart van De Hooge Hoenderberg liet ik inderdaad “Immigrafeeren”. U kunt de in Uw bezit zijnde kaart desgewenscht voor Uwe Vereen. behouden. Dat gedurende den oorlog in de gemeente Groesbeek zeer veel bosch gevallen is, om plaats te maken voor den verbouw van veldvruchten en hier vorige 2 jaren voor hetzelfde doel weder ruim 100 H.A. bosch den bijl ten offer viel (men spreekt van ruim 150 H.A.!), Landgoed “Den Heuvel” ook “Räthia”, zal U niet onbekend zijn. Zelfs de prachtige lanen van “Den Heuvel”, ook de mooie beukenrijen langs den weg Wijler-Groesbeek, maakten reeds grootstendeels plaats voor aardappelen enz. De rest volgt. Het gaat hier Cressendo! De stad Nijmegen breidde zich vooral sedert het jaar 1900 sterk uit. In de gemeente Groesbeek, is in de laatste jaren al veel veranderd (Dekkerswald, H. Landstichting, Villapark). Vooral sedert de oprichting der R.K. Universiteit, breidt Nijmegen zich bijzonder sterk uit. In de laatste jaren vestigen zich hier meerdere groote R.K. instellingen en vele zullen volgen. Deze koopen rond Nijmegen groote terreinen. In verband hiermede zal de “voorraad” terrein gaan slinken en Muntberg en “Inginaheuvel” spoedig in andere handen overgaan. NU zal Uwe Vereeniging deze twee prachtige, aaneengclegen complexen nog voordcelig kunnen aankoopen. Maar, ik behoef er U niet op te wijzen, zoodra er een groote instelling of combinatie ernstig op reflecteert, zal zulks groote moeilijkheden baren. Een deel van Inginaheuvel, het terrein langs Spoorlijn, zoudt U tegen goede prijzen, bij flinke stukken kunnen verkoopen om de koop van het overige mogelijk te maken als het niet anders gaan zou. Daar is heel gemakkelijk waterleiding aan te leggen hetgeen ik U alles kan aantoonen (maakte zelf reeds waterleiding in landhuisjescomplex op de “Panoramaberg” te Groesbeek).

Enkele datums:

Het sanatorium Dekkerswald werd opgericht op 16.10.1913; de H. Landstichting bij akte dd 28.2.1911; de R.K. universiteit op 31.5.1923.

OP OOSTELIJK TERREIN NIET BOUWEN (20 H.A.)

Voordat de Vereniging hem verzocht een gedeelte van het door hem gecreëerde landgoed De Hooge Hoenderberg ongerept af te staan ter completering van een te stichten natuurreservaat, had de heer Van Stokkum reeds overwogen om niet dit gehele gebied van ca 130 ha te bestemmen tot recreatie-centrum. Een brede strook ten oosten van de Hoofdlaan, groot ca 20 ha, tussen de beide landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg gelegen, dacht hij toen al als ongerept bosgebied af te zonderen en niet te bebouwen, doch evenmin te verkopen!

UITSLUITEND NOORD-WESTHOEK TE KOOP (60 H.A)

Zoals ook uit de voorstaande brief aan de Vereniging blijkt (dd 15.8.1927, Par. 8.5), was het de bedoeling van de heer Van Stokkum ongeveer 60 ha van zijn bezit te verkopen met bestemming villa’s, zomerhuisjes, rusthuizen enz., kortom als recreatie-woongebied.

LANDHUISJESCOMPLEX (50 H.A.)

Voorts wilde de heer Van Stokkum geen wijziging aanbrengen in zijn sedert 1926 voorgenomen plannen – door aan wie ook verder grond af te staan – om op een oppervlakte van ca 50 ha een complex zomerhuisjes te bouwen met een hoofdgebouw enz.

Indertijd voorzag hij dit: “in de nabije toekomst zullen vooral gezinnen de vacantie het liefst in een vrijstaand huisje en buiten gelegen, willen doorbrengen, zoals ik dat zie in het buitenland; zéker als iedereen meer dan een week vacantie krijgt, wat stellig komt! En die huisjes moeten in een landelijke stijl worden gebouwd!”

Bovendien was hij toen al overtuigd dat dit vacantie-dorpje met een totaal oppervlakte van ca 110 ha straks aan een EVEN GROTE behoefte zou voldoen als het ongerepte recreatie-gebied er omheen, welk behoud de Vereniging voorstond.

IN DIT VERBAND ACHTTE HIJ EEN SAMENWERKING TUSSEN DE VERENIGING EN HEM IN HET ALGEMEEN BELANG ZELFS GEWENST EN DAAROM WAS HIJ VOORNEMENS MET DE VERENIGING EN HET STAATSBOSBEHEER HIEROVER VAN GEDACHTEN TE WISSELEN EN EVENTUEEL TE ONDERHANDELEN OM TOT EEN VOOR BEIDE PARTIJEN BEVREDIGENDE OPLOSSING VAN DIT GEHELE RECREATIEGEBIED TE GERAKEN, MAAR DAN MOEST DEZE SAMENWERKING DE BASIS VORMEN!! (Zie Par. 12.12)

LUCHTKUUROORD BIJ UITSTEK

Op zijn vele buitenlandse zakenreizen maakte de heer Van Stokkum o.m. kennis met de talloze, vooral in bergstreken gelegen, luchtkuur- en ontspanningsoorden. Het viel hem daarbij herhaaldelijk op, dat die streken de vele bezoekers, waaronder verscheidene Nederlanders, vaak minder boden dan de streek rondom Groesbeek waarin zijn landgoed De Hooge Hoenderberg is gelegen.

Vooral zijn – toen nog welhaast geheel onbekende – terreinen boden daartoe een ideale ligging: hoog boven de omgeving, het middengedeelte ervan zelfs ca 83 m + N.A.P., op een uitloper van het aan natuurschoon zo uitgestrekte heuvelland tussen Maas en Waal, de “Nederlandse Eiffel”, slechts op 9 km afstand van het Nijmeegse stadscentrum en dicht bij het dorp Groesbeek, de “Gelderse Parel” genoemd. Dat deze streek daarbij ook nog volop gezonde lucht biedt, bewijst wel het in 1913 juist hierin vestigen van het sanatorium Dekkerswald voor longleiders en zwakke kinderen…

Hetgeen naar de mening van zovele landgenoten slechts in het buitenland was te vinden, doch waarvan destijds zeer weinigen (om financiële en/of anderen redenen) konden gaan genieten, kon hier voor talloos velen in eigen land – zelfs gunstiger dan waar ook – worden verkregen (zie onder “Circulaire 1: verkoop percelen”, Par. 9.2).

Het genieten van een vacantie kan welhaast geschieden op evenveel manieren als er mensen zijn, doch de heer Van Stokkum was indertijd de mening toegedaan, dat in de nabije toekomst ontelbaar velen de natuur zouden verkiezen. Er zelfs graag in een “eigen huisje” willen verblijven, mits dat deel uitmaakt van een soort vacantie-dorpje, een kleine gemeenschap, want zij moeten zich ook hier met elkaar verbonden weten: “slechts weinigen zullen de omringende, werkelijk ongerepte, vrije natuur opzoeken – te voet verkennen – de meeste vacantiegangers zullen, precies zoals dat toegaat in het buitenland, blijven of gaan waar ook anderen zijn”, aldus de heer van Stokkum.

Het op deze wijze genieten van de vacantie, van de natuur, kon hier, van passief tot in hoge mate actief, geschieden. Hoe men dat genieten ook zou doen, lui op de rug liggend en een beetje kijkend naar wat traag wuivende boomtakken of statig voortdrijvende wolken, of, gewapend met grote activiteit, met sport en spel, dan wel met een plantenbus, dit “Lustoord De Hooge Hoenderberg”, met zijn direct aangrenzende uitgestrekte mooie bosrijke omgeving, zou aan zeer velen een gezonde ontspannende vacantie kunnen bieden.

Deze bijzonder gunstige factoren brachten de heer Van Stokkum in 1926 op de gedachte te midden van het door hem gecreeerde boscomplex een groot aantal landhuisjes te bouwen. Het moest een doelmatig luchtkuuroord worden. En dit dorado zou volgens hem zonder enige twijfel voorzien in een straks toenemende behoefte aan gezonde lucht, ontspanning, vreugde en bovenal aan rust, maar ook aan het herstel en behoud van gezondheid van zeer veel landgenoten! Met recht: een luchtkuuroord bij uitstek!

DIT WAREN ZIJN PLANNEN IN 1926

De hieronder genoemde terrein-gedeelten zijn, met eenzelfde nummer, aangegeven op de terreinkaart die hierna volgt in Par. 8.13.

  1. Het oostelijke terreingedeelte (ca 20 ha), omgeven door de Maldensebaan, de Bruglaan en de Hoofdlaan, overwoog de heer Van Stokkum als ongerept bosgebied af te zonderen en zelf te behouden; mogelijk daarop de erfdienstbaarheid van niet-bebouwing te vestigen (zie ook onder 3);
  2. Het noord-westelijke terreingedeelte (ca 60 ha), omgeven door de Maldensebaan, de Hoofdlaan, de Vogelslaan (Vlagbaan) en de Biesseltsebaan, zou hij met als bestemming recreatie-woongebied verkopen (een aldaar gelegen perceel groot da 9,5 ha werd door hem met die bestemming reeds op 2.1.1927 verkocht aan rector G. Lamers van Bergmanianum voor de bouw van een rusthuis, genaamd: “Tusculum”, later: “De Campagne”; zie brief Van Stokkum aan de Vereniging, dd 15.8.1927, Par. 8.5);
  3. Het zuidelijke terreingedeelte (ca 50 ha), omgeven door de Vogelslaan (Vlagbaan), de Hoofdlaan, de Bruglaan (slechts een kort stukje hiervan), de spoorlijn Groesbeek-Nijmegen (ravijn) en de Biesseltsebaan, zou hijzelf met als bestemming recreatie-woongebied in exploitatie nemen.

    Hierop zou een groot landhuisjes-complex komen in harmonie met het landschap (zie onder “Circulaire 2: vacantie-huisjes-complex”, Par. 9.3).
    Het hoofdgebouw hiervan kwam aan de noordelijke kant op dat terreingedeelte, aan de Hoofdlaan, op het daar gelegen hoogste punt; de half cirkelvormige oprijlaan was daarvoor toen, zoals gezegd, in 1923 al aangelegd (en is er nog; daarbij staat thans de uitzichttoren van de staatsbosbrandwacht – zie hieromtrent onder “Bouwplaats” Par. 4.7; “Wegen en brandkeringen” Par. 4.8 en onder “Bijzondere zorg middengedeelte” Par. 4.13).

    Op de eerder genoemde in 1926 door de heer Van Stokkum naar een in 1922 gemaakte luchtfoto ruw getekende terreinkaart van het landgoed De Hooge Hoenderberg, gedateerd 4.2.1926 (Par. 4.17) en genoemd door de heer Van Stokkum in zijn brief aan de Vereniging dd 15.8.1927 (Par. 8.5), staat voornoemd punt daarom aangegeven met “DE BOUWPLAATS”.

    Op een dergelijke terreinkaart werd door de heer Van Stokkum tijdens een der eerste ontmoetingen met de heer Van Tienhoven ter verduidelijking, het onder 1 genoemde terreingedeelte met een rood potlood omgeven, waarna hij (ook) deze terreinkaart aan hem meegaf voor het archief van de Vereniging. (Zie onder “Van Stokkum deed voorstel”, Par. 10.2)

[Kaart] Terreinkaart vacantiedorpje groot 110 ha; plan 1926

Deze terreinkaart geeft de indeling weer welke is beschreven onder “Dit waren zijn plannen in 1926”, Par. 8.12. Totaal oppervlakte vacantie-dorpje (2 + 3) 110 hectare. Zonder indeling is deze terreinkaart afgedrukt in Par. 4.17.

FOTOs/002-1.png

VRIJWILLIG BEPALINGEN OMTRENT BEHOUD NATUURSCHOON

Vanaf de aanvang zijner arbeid in de gemeente Groesbeek beschermde de heer Van Stokkum – zonder daartoe verplicht, aangezocht of gesuggereerd te zijn – zowel op het landgoed De Hooge Hoenderberg als op “de Panoramaberg” de gemeenschapsbelangen betreffende natuurschoon, door bepalingen op te stellen betreffende de minimum breedte van wegen, het ver genoeg van uit het midden der wegen plaatsen van eventuele afrasteringen en gebouwen, de welstand der gebouwen, het niet mogen kappen van mooie (oude) bomen en later zelfs tegen rustverstoring en dergelijke, en door deze bepalingen bij verkoop van percelen in de verkoopakten te doen opnemen.

WELSTANDSBEPALINGEN IN 1927

(Zie in verband met het onderstaande ook de bijdrage van ir. M.C.A. Meischke, Par. 1.2)

Dat de gemeente Groesbeek indertijd nog geen schoonheidscommissie kende is allerminst verwonderlijk als men bedenkt dat de heer Van Stokkum daarmede een stad als Rotterdam zelfs een slag voor was. Daar werd in december 1926 n.l. een z.g. welstandsbepaling opgenomen in de bouw- en woonverordening, beogende de architectonische verzorging der nieuwe wijken in betere banen te leiden.

Deze commissie werd op 21.6.1928 door de toenmalige wethouder van Rotterdam A. Heijkoop als waarnemend burgemeester geinstalleerd.

In zijn toespraak waarschuwde deze tegen te straffe en eenzijdige eisen: “Houdt alleen vast aan de grote lijnen en streeft naar bouwkundige orde. Toont geen speciale voorkeur voor scholen, richtingen of -ismen, voorkomt dat er een z.g. ambtelijke officiële stijl ontstaat.”

Door zijn bouwkundige opleiding wist de heer Van Stokkum dat het omschrijven van welstandsbepalingen zeer moeilijk was en tijdens zijn voordrachten over natuursteen bracht hij dit toen actuele onderwerp wel ter sprake, o.m.: “een welstandscommissie heeft geen scheppende taak en haar bemoeienis leidt derhalve niet direct tot goede architectuur. Haar advies beperkt zich bovendien tot het uitwendige en daardoor heeft zij geen invloed op de volledige architectuur, doch slechts op haar uitwendige verschijning. Dit brengt het gevaar mede, dat practisch en aesthetisch een conflict tussen gevel en interieur ontstaat. Dit gevaar dient vermeden te worden door overleg met de betrokkenen, want anders zou een dergelijke welstandsbepaling een hoogst bedenkelijk lapmiddel zijn. Een commissie die dit overleg schuwt en op een star ambtelijk standpunt staat, is zich dit gevaar niet bewust en derhalve niet voor haar taak berekend.”

Begin 1927 verzocht de heer Van Stokkum daarom aan ir.M.C.A. Meischke uit Rotterdam, de opdracht te willen aanvaarden de tekst dezer bepalingen voor hem te willen opstellen “zodat de architectuur der te bouwen opstallen met het landelijke karakter zou harmoniëren”.

[Bron B] Vanaf juni 1927 stonden deze richtlijnen vast en duidelijk omschreven om in de koopakten te worden opgenomen (ze werden kort daarna nog uitgebreid) o.m.:

Op het gekochte op te richten gebouwen en opstallen zullen moeten voldoen aan billijke eischen van landelijke welstand, ter beoordeeling van verkooper of diens deskundige. Er moet worden gestreefd naar horizontaalbouw. Verticalisme is dan alleen geoorloofd, indien verticalisme het horizontalisme accentueert, dus alleen voor onderdeelen. Gebouwen en opstallen, welke tot eenzelfde groep behooren moeten een harmonisch geheel vormen, hetwelk in hoofdzaak gezocht zal moeten worden in dakhelling, alsmede in de keuze der te gebruiken materialen, zoodat niet alleen in vorm, maar ook in kleur eenheid verkregen wordt. Platte en gebroken daken zijn niet toegelaten. enz.

Volledigheidshalve zij nog vermeld dat:

De Federatie Welstandstoezicht in mei 1931 werd opgericht;
de Rijksdienst voor het Nationale Plan een bezettingsregeling is, die in opzet werd gehandhaafd bij de wet van 28 september 1950, S nr K 415, houdende voorlopige regeling inzake het Nationale Plan en Streekplannen;
de Planalogische Dienst voor de provincie Gelderland werd opgericht bij besluit van Gedeputeerde Staten van 26 maart 1956.

NATUURSCHOON RIJKSTE TERREINGEDEELTE

Op het verzoek van de Vereniging aan haar een gedeelte van zijn bezit ongerept af te staan, waardoor met de terreinen van de beide landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg één groot “National Park” werd verkregen, kon de heer Van Stokkum om verschillende redenen toen niet ingaan.

Alhoewel hij de idee reëel vond en, zoals gezegd, hijzelf al had overwogen een brede strook van zijn terreinen niet te bebouwen maar ongerept af te zonderen (zie onder 1 in Par. 8.12), het afstaan van dat gedeelte ter completering van het te stichten natuurreservaat, waarvan hij ondertussen al had gehoord, was toen zelfs nog niet bij hem opgekomen.

Bovendien sprak de Vereniging al direct over een groter gedeelte èn over juist het aan natuurschoon rijkste èn het door hem meest verzorgde middengedeelte (zie Par. 4.13).

Ook zou hij zijn plannen van het stichten van een vacantiedorpje moeten wijzigen, het op dat middengedeelte (hoogste punt!) geprojecteerde hoofdgebouw moest daardoor b.v. meer westelijk komen.

Doch het zwaarst woog wel voor de heer Van Stokkum, ten eerste, afstand te doen van hetgeen hij, op dat middengedeelte, in nauwelijks tien jaren met grote liefde tot stand had gebracht en ten tweede, dat hij dit alles creëerde om daarvan later zeer velen te doen genieten in een groot toeristen-centrum.

Het nemen van een beslissing was voor hem daarom heel erg moeilijk. Immers het afstand doen van datgene wat men zelf met een bepaald doel heeft gecreëerd, zeker wanneer een zichtbaar resultaat nog vele jaren op zich laat wachten, zoals bij een dergelijk omvangrijk project, doet iemand met zulk een groots en vooruitziend plan niet voetstoots. Het is overigens een natuurlijke reactie: iets nog niet kúnnen loslaten voordat het daaraan gestelde doel zichtbaar is.

STAATSBOSBEHEER ERBIJ BETROKKEN

Evenals bij de aankoop van de terreinen van de beide landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg door de Vereniging, was het Staatsbosbeheer bij de onderhandelingen met de heer Van Stokkum, over de tussen genoemde terreinen gelegen enclave, met name een gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg, van het begin af aan betrokken (zie onder “Met steun regering”, Par. 8.2).

NAMENS DE MINISTER

De directeur van het Staatsbosbeheer, de heer E.D. van Dissel, onderhandelde met de heer Van Stokkum uiteraard namens de minister, omdat hij voor dit overheidsorgaan optrad (dat sinds 1929 ook ten aanzien van de natuurbescherming deel uitmaakt van het Landbouwministerie – later dat van Landbouw en Visserij), dat dus voor zijn gestie verantwoordelijk is.

MINISTER MACHTIGDE TOT SCHATTING BOSSEN

In zijn brief dd 29.8.1927, no 1277, Afd. 2 Dom, machtigde de minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw het Staatsbosbeheer een gratis schatting te doen verrichten van de bossen bij Nijmegen, in verband met de plannen tot aankoop hiervan door de Vereniging. Er was destijds n.l. reeds sprake van dat de aldaar door de Vereniging over te nemen terreinen eventueel in Staatseigendom zouden overgaan, althans bij het van regeringswege verlenen van financiële steun werd later een dergelijke bepaling gemaakt, met een termijn van 40 jaar.

STAATSBOSBEHEER DEED BEROEP OP MINISTER

[Bron S] Op 15.3.1928 schreef de directeur van het Staatsbosbeheer, de heer E.D. van Dissel, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, o.m.:

Ik heb de eer Uwer Excellentie – met terugzending der bijlage van nevenvermelden kantbrief en met bijvoeging van eene kaart, drie schattingsstaten en eene rentabiliteitsberekening – het onderstaande te berichten:
  De landgoederen De Muntberg, de Wolfsberg en de Hooge Hoenderberg zijn gelegen ten westen en noordwesten van het dorp Groesbeek, tusschen de wegen Nijmegen-Groesbeek en Groesbeek-Heumen. Zij maken deel uit van een boschrijke streek, die zich uitstrekt van den hoogen heuvelrand, die bij De Plasmolen het Maasdal begrenst, tot aan den steil in het Rijndal afvallenden rand bij Ubbergen-Beek. Deze bosschen, waarin zoowel opgaand loofhout, hakhout, als naaldhout voorkomt, hebben aan Nijmegens omgeving de vermaardheid verschaft zeer rijk te zijn aan natuurschoon; dit laatste wordt verhoogd door de heuvelachtigheid van het landschap, voor ons land iets zeer bijzonders. In de laatste jaren is de rijkdom aan natuurschoon ook in deze fraaie omgeving zienderoogen aan het verminderen; verschillende landgoederen zijn reeds verkaveld en het bosch ervan is verdwenen. Dit is b.v. het geval met de bosschen ten noorden van den Jansberg en met het Landgoed Den Heuvel en het voormalige St. Annabosch, voor een paar jaar nog een zeer fraai Landgoed, waarvan thans vrijwel geen boom meer is overgebleven. Misschien nog meer dan elders in het land doet zich in deze omgeving het verschijnsel voor, dat particuliere bezittingen, die voorheen vrije wandeling boden, voor het publiek worden afgesloten; zeer vaak worden zij daarbij door eene afrastering omringd. Dit laatste is b.v. het geval met het Jonkerbosch tusschen den Graafschen weg en den Hatertschen weg, met Heijendaal, met Brakkenstein, met de terreinen der Heilige Landstichting, met het Nederrijksch woud, terwijl, zonder te zijn afgerasterd, een aantal terreinen voor het groote publiek zijn verboden, zooals het geval is met de beide Meerwijken, Mariënbosch, Dekkerswald, om slechts de grootere te noemen; voor de kleinere bezittingen is het regel, dat deze zijn afgerasterd en afgesloten. Het bosch der gemeente Nijmegen, tot de laatste jaren toe bovendien zeer verwaarloosd, kan slechts in zeer beperkte mate als ontspanningsterrein in aanmerking komen, omdat het blijvend is verhuurd als schiet- en oefenterrein voor het garnizoen en dus telkens onveilig is, waardoor het dan ook als wandelterrein feitelijk slechts weinig gebruikt wordt. Op de hierbij ter inzage gaande stafkaart schaal 1:500 is de ligging van bovengenoemde landgoederen globaal met eene blauwe lijn aangegeven. In den laatsten tijd doet zich nog een nieuw gevaar voor. Het tegenover Dekkerswald gelegen Landgoed, toebehoorend aan een particulier uit den Haag, wordt n.l. rijk voorzien van harde wegen, in perceelen gelegd om het zoodoende rijp te maken voor villaterrein. Hetzelfde lot treft het eertijds zoo fraaie Mariënbosch met omgeving, in handen van een bouwspeculant, waar dit proces reeds ver is voortgeschreden.

Na een uitvoerig betoog over o.a. de doelstellingen en de al bereikte resultaten in het algemeen belang van de “Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland”, alsmede de enge grenzen binnen welke haar financiële middelen beperkt waren op het gebied van de aankoop van dergelijke omvangrijke terreinen besloot de heer Van Dissel:

Met warmte meen ik dan ook Uw Excellentie te mogen aanraden op het verzoek der Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten een gunstige beschikking te bevorderen.

VERENIGING SCHREEF MINISTER AL EERDER

VERENIGING: “… DOCH HET LIJDT GEEN TWIJFEL, DAT DEZE BEZITTINGEN VERKAVELD ZULLEN WORDEN, ALS NIET ONZE VEREENIGING OF DE STAAT TUSSCHENBEIDE TREEDT…”

[Bron S] Voorafgaande aan voorstaande brief van het Staatsbosbeheer, schreef de Vereniging dd 14.2.1928 aan mr. J.B. Kan, minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw:

Terugkomende op het onderhoud, dat ondergetekende eenigen tijd geleden met Uwe Excellentie mocht hebben, veroorloven wij ons schriftelijk onze suggestie te herhalen. Wij mochten Uwe Excellentie mededeelen, dat onze Vereeniging door het Staatsboschbeheer een taxatie liet maken der boschcomplexen Muntberg, Wolfsberg en “Hooge Hoenderberg”, gelegen ten Zuiden van Nijmegen, in de nabijheid van de gemeente Groesbeek. De Hooge “Hoenderberg” behoort aan de heer Van Stokkum te Rotterdam, die op dit oogenblik niet geneigd is tegen een redelijken prijs zijn “bezitting te verkoopen.

(Deze zin over de heer Van Stokkum werd door de heer Van Tienhoven onjuist geformuleerd. Er was zelfs nog over geen koopsom “gesproken”. De Heer Van Stokkum wilde dat gedeelte van zijn bezit aan NIEMAND “verkopen”, zoals blijkt o.a. uit zijn brieven dd 15.8.1927, Par. 8.5; van dd 25.10.1928, Par. 8.24; maar dit blijkt wel glashelder uit een brief van het Staatsbosbeheer aan de Vereniging dd 12.9.1929, bijna één jaar dus ná deze brief aan de minister!, in Par. 12.1 – vSt.)

Doch de Muntberg, toebehoorend aan Mevrouw von Hemert-Rijnbende en de Wolfsberg, toebehoorend aan jhr. van Lawick van Pabst vormen een aaneengesloten boschbezit, waarvan het behoud, volgens ons, van het hoogste belang is als recreatieterrein en als een boschbezit, dat een aantrekkelijkhoid voor vreemdelingen van de Gemeente Groesbeek uitmaakt en welk behoud bij zulk een groot bevolkingscentrum als Nijmegen, noodzakelijk is te achten. Beide eigenaren voelen voor het intact bewaren van hun bezitting doch het lijdt geen twijfel, dat deze bezittingen verkaveld zullen worden, als niet onze Vereeniging of de Staat tusschenbeide treedt, om het behoud in den tegenwoordigen staat te verzekeren. Het Staatsboschbeheer heeft een nauwkeurige taxatie gemaakt, welke tot een eindcijfer voor deze beide bezittingen komt van (bedrag), terwijl de grootte 520.43.99 H.A. is. Onze Vereeniging heeft reeds enkele maanden lang onderhandelingen gevoerd met de eigenaren en heeft niet bij Uwe Excellentie met de hiernavolgende vraag willen aankomen, tot zij zeker was, dat de terreinen tegen billijken prijs voor het hierboven omschreven doel aangekocht zouden kunnen worden. Zij heeft aan de eigenaars aangeboden (bedrag). Onlangs ontving zij de bereidverklaring, dat voor (bedrag) de goederen voor onze Vereeniging te koop waren, doch wij hebben hoop dezen prijs tot ons bod te kunnen verlagen. Waar het Rijk bij herhaling heeft blijk gegeven, dat het prijs stelt op uitbreiding van zijn boschbezit en waar de Staat door rentelooze voorschotten aan Gemeenten heide omzet in bosch, waarvan de financieele uitkomsten problematisch genoemd kunnen worden, gelooven wij, dat het Rijk bij aankoop der bovenomschreven boschcomplexen niet alleen het Rijksboschbezit belangrijke uitbreiding geeft en terreinen behoudt, die voor recreatie en gemeentebelang van onschatbare waarde zijn, doch ook, dat de financieele uitkomsten zoodanig zullen zijn, dat, zonder overdreven verwachtingen, dit boschbezit jaarlijks 2½ à 3% rente netto zou kunnen opbrengen. Wij geven Uwe Excellentie daarom in overweging een voorstel te doen aan de Staten-Generaal om, door bemiddeling van onze Vereeniging deze bosschen tegen een prijs, door onze Vereeniging in overleg met de eigenaars vast to stellen, aan te koopen en deze onder beheer te stellen van het Staatsboschbeheer, dat reeds verschillende complexen grond in den omtrek van Venlo-Nijmegen onder zich heeft. Deze belangrijke zaak vereischt eenigen spoed, omdat de eigenaars aan ons de terreinen in handen hebben gegeven tot 1 Maart, doch aangezien deze tijd veel te kort is, willen wij trachten dezen termijn te verlengen tot l Juli a.s. Wij durven echter niet langer uitstellen de zaak onder de aandacht van Uwe Excellentie te brengen, omdat zelfs bij uitstel de tijd van voorbereiding slechts kort is te noemen. Tenslotte wil ik hieraan toevoegen, dat de taxatie, door het Staatsboschbeheer der bovengenoemde terreinen gemaakt, in ons bezit is, benevens een rentabiliteitsberekening waaruit Uwe Excellentie zal zien, dat de aankoop voor de Staat aanbevelenswaardig is. Wij voegen deze stukken hier niet bij, omdat Uwe Excellentie zeer zeker van het Staatsboschbeheer een copie dezer verschillende bescheiden zal kunnen ontvangen. Ter bespoediging zenden wij een copie van dit schrijven aan Uw ambtgenoot, den Minister van Financiën.

OPNIEUW VERZOEK AAN VAN STOKKUM

VERENIGING: “… OPDAT EEN GEHEEL KAN WORDEN VERKREGEN …”

[Bron V] Op 17.10.1928 schreef de Vereniging aan Van Stokkum:

Terugkomende op onze correspondentie van eenige maanden geleden deel ik U mede, dat onze Vereeniging, zooals U zeker reeds gezien zult hebben eigenaresse is geworden van den Muntberg en van den Wolfsberg te Groesbeek. In het algemeen belang acht ik het wenschelijk dat ook Uw terrein of een gedeelte althans aan onze Vereeniging overgaat, opdat een geheel kan worden verkregen. Mocht U genegen zijn om deze gedachte te helpen verwezenlijken, dan ben ik gaarne bereid met U to overleggen onder welke voorwaarden en op welke wijze U Uw eigendom aan onze Vereeniging wilt overdragen, opdat wij tezamen meerdere eenheid kunnen tot stand brengen in het behoud van het belangrijke complex terreinen. Tot overleg ben ik gaarne bereid en zie Uw berichten met belangstelling tegemoet.

VAN STOKKUM BEREID GEDEELTE AF TE STAAN

Nadat de heer Van Stokkum had vernomen, dat de Vereniging er in was geslaagd de terreinen van de beide landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg over te nemen, kwam het hem voor, dat hij in het algemeen belang verplicht was het als een enclave tussen genoemde terreinen liggende gedeelte van zijn bezit af te staan voor het te stichten natuurreservaat.

Dienovereenkomstig nam hij zich voor het reeds door hem afgezonderde gedeelte groot ca 20 hectare aan de Vereniging aan te bieden (zie onder 1 in Par. 8.12).

[Bron V] Op 25.10.1928 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging:

Erkennend de goede ontvangst van Uw geëerd schrijven van den 17en dezer, dank ik U voor de mij daarin gedane mededeeling. Inderdaad, ik droeg bereids kennis van het welslagen Uwer plannen ten opzichte der Landgoederen De Muntberg en De Wolfsberg te Groesbeek en zou niet verzuimd hebben U mijne gelukwenschen in deze aan te bieden, indien ik er zeker van geweest was dat zulks in de gegeven omstandigheden geen aanleiding tot misverstand kon geven. Op Uw vraag inzake mijn bezit De Hooge Hoenderberg kan ik U antwoorden niet ongenegen te zijn een deel hiervan aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland over te dragen. Ik verklaar mij dus bereid om, indien U mij een voorstel zoudt doen, dit in ernstige overweging te nemen.

HOOFDSTUK 9

VAN STOKKUM WERKTE DOOR AAN EIGEN PLANNEN

In verband met zijn voorgenomen plannen beschreven onder “Dit waren zijn plannen in 1926”, Par. 8.12, maakte de heer Van Stokkum op 27.3.1929 twee uitvoerige circulaires.

Deze circulaires dienden zowel ter oriëntatie van gegadigden voor de aankoop van percelen in de noord-westhoek gelegen, als ter informatie van hen die belangstelling toonden voor dit te stichten vacantie-dorpje.

Deze laatste circulaire was tevens nodig bij de stukken om ter verwezenlijking van de grootse opzet de benodigde credieten te verkrijgen, n.l. voor het deel dat hijzelf wilde bouwen.

[Bron W] Circulaire 1: verkoop percelen

Hierin gaf de heer Van Stokkum een zeer uitvoerig beeld van de ligging en de wijde omgeving van het landgoed, alsmede de vele recreatie mogelijkheden “naast de deur”, o.m.:

Het boschrijke heuvelland is tevens een erkende bron voor levensenergie, een luchtkuuroord van hoge waarde, hierom ook wel genoemd: de longen van Nijmegen. Dat voor de vestiging van het groote R.K. Sanatorium voor longlijders deze streek gekozen werd, wijst óók hierop. De natuurschoon minnende wandelaar vindt in deze streek nog tal van wonderschoone plekjes, woudreuzen waarvan men den leeftijd slechts gissen kan. Schitterende vergezichten en gunstig gelegen banken nooden tot het in rust en stille vrêe genieten van het oog en oor bekorende heerlijkheden van Gods Schepping. Tal van boomsoorten, zoowel loof- als naaldhout, ja de gehele vegetatie wedijvert onderling als ’t ware in schoonheid om den mensch te bekoren. Een stralenkrans van wegen met ontelbare tusschenwegen geven gelegenheid om in alle richtingen telkens nieuwe verrassingen biedende wandel- en fietstochten te maken. Kan men in ons land een oord vinden, dat voor vestiging van bovengenoemde instellingen beter geschikt is?

In deze circulaire maakte de heer Van Stokkum op voorhand melding van de aanleg van een drinkwaterleiding; electriciteit enz. De titel hiervan luidde aldus:

Landgoed De Hooge Hoenderberg. Het bij uitnemendheid geschikte oord voor de vestiging van VACANTIE- en ONTSPANNINGSOORDEN, RUST- of GEZONDHEIDSHUIZEN.

[Bron W] Circulaire 2: vacantiehuisjescomplex

De titel hiervan luidde:

INLICHTINGEN welke kunnen dienen bij de nadere overweging van het plan om op het landgoed De Hooge Hoenderberg, Gemeente Groesbeek, een complex landhuisjes voor Zomerbewoning te vestigen.

De inhoud dezer circulaire was als volgt:

Zij, die over Nijmegen reizen, zouden het landhuisjes complex vanuit deze stad voorloopig nog het gemakkelijkst per auto kunnen bereiken. Bij overeenkomst komt deze rit op f 3.50 à f 4.-. Duur der rit 20 à 25 minuten. Zij die per spoor of autobus tot Groesbeek reizen, kunnen de reis vandaar per rijtuig (f 2.-) of per auto (f 2.50 à f 3.-) voleinden. Voor hen, die vanaf deze plaatsen, Mook of elders per rijwiel of te voet willen komen, dient onderstaande afstandlijst. Voor het vervoer van kisten, alsmede koffers en andere groote reisbagage, zoude eveneens met een vervoerder te Nijmegen gecontracteerd kunnen worden. Voor vervoer van en naar het station te Groesbeek, gaf de heer Th. Braam, de eigenaar van Hotel Gelria te Groesbeek, f 2.60 per paardenvracht van 500 à 1000 kg op. Levensmiddelen kunnen zéér voordeelig uit Groesbeek betrokken worden. Het brood (in soorten) is van zeer goede kwaliteit en goedkooper dan in Nijmegen, evenzoo melk, eieren, vleesch, groenten, aardappelen enz. Alles wordt zonder prijsverhooging per fiets of wagen in het op te richten landhuisdorp thuis bezorgd. Voor inlichtingen kan men zich ook wenden tot den Secretaris van de Vereen. Vreemdeling Verkeer Groesbeek’s Belang.

Afstand to voet (gewone gang) vanaf den Kleinen Brugweg van het landgoed De Hooge Hoenderberg naar:

1 Station Mook-Middelaar 18 min.
2 Kerk der Eerw. paters passionisten bij Mook 23 min.
3 Malden, halte der stoomtram Nijmegen-Venlo 25 min.
4 Hatert 1,5 uur
5 Brakkestein, R.K. Kerk en halte der bussen n. Nijm. 45 min.
6 Sation Nijmegen 1,5 uur
7 Berg Nebo, Kerk der Eerw. Paters Redemptorist 35 min.
8 Heilige Landstichting 40 min.
9 De Water Meerwijk 50 min.
10 Grindweg Mijmegen-Groesbeek, Autobushalte 23 min.
11 Berg en Dal, Mooi Nederland en Duivelsberg 1 a 1,5 uur
12 Wijler 1,5 uur
13 Rotspartij, de Grot, Landg. De Hooge Hoenderberg 15 min.
14 Prot- en R.K. Kerken te Groesbeek 35 min.
15 Station Groesbeek 35 min.
16 Kleefsche Reichswald 1,5 uur
17 De Plasmolen, St. Jansberg 1,5 uur
18 De Mookerheide 1,5 uur
19 Hoogste punt van Landg. De Hooge Hoenderberg, uitkijk met zitbank pl.m. 87 M. boven A.P. 10 min.
20 Bijzonder mooie Kraaiendal, Landg. de Muntberg 5 min.

AANLEG WATERLEIDING NAAR DE HOOGE HOENDERBERG

Ofschoon de heer Van Stokkum op “de Panoramaberg” prima drinkwater had door middel van een eigen moderne installatie (zie Par. 6.3), was hij – na een proefboring in 1927 – besloten een dergelijke watervoorziening,n.l. ten behoeve van het te stichten vacantie-dorpje op De Hooge Hoenderberg, niet zelf aan te leggen.

[Bron W] In dit verband had hij zich begin 1928 in verbinding gesteld met de Stichting De Waterleiding Berg en Dal te Ubbergen, welke stichting destijds met de aanleg van een streekwaterleiding bezig was o.m. naar het dorp Groesbeek (zie onder “Streekwaterleiding pas gereed in 1929”, Par. 6.4).

Voor het in aanbouw zijnde rusthuis (Tusculum) van rector Lamers was intussen echter dringend behoefte aan een watervoorziening, terwijl een definitieve prijsopgave voor een aansluiting op genoemde streekwaterleiding, die al geruime tijd geleden was aangevraagd, alsmaar uitbleef.

Rector Lamers overwoog derhalve reeds ernstig een eigen installatie aan te schaffen, een dergelijke installatie als de heer Van Stokkum had op de Panoramaberg.

RUSTHUIS EERSTE WATERAFNEMER

DE WATERLEIDING: “… NA HET VERTROUWELIJK ONDERHOUD MET DE HEER VAN STOKKUM KOMT HET MIJ VOOR DAT U VEILIG KUNT AANNEMEN, DAT ER NOG MEER BOUWPLANNEN HANGENDE ZIJN …”

[Bron W] Op 11.10.1928 schreef de Waterleiding aan rector G. Lamers van “Berchmanianum” (ook wel genoemd: St. Bonifacius Stichting”, of: “Bergmann-College” – zie onder 2 van “Dit waren zijn plannen in 1926”, Par. 8.12):

Hedenmorgen bereikte mij het telefonisch verzoek van den Heer Van Stokkum om voor een bespreking van waterleiding zaken naar Groesbeek te willen komen. Zooals U wellicht bekend ben ik de Bedrijfschef van de Waterleiding Berg en Dal, dewelke haar werkingsfeer ook tot Groesbeek uitstrekt. Ik heb aan het verzoek van den Heer Van Stokkum voldaan en vernam van genoemde Heer dat hij veel belang stelde in de tot stand koming van de waterleiding aan het door Uw College te bouwen Rusthuis aan de Maldensche Baan. Z. Edele vertelde mij dat men bij den bouw van het Rusthuis bezig was met den bouw van een eigen waterinstallatie in den geest als ook den Heer Van Stokkum een installatie heeft doen maken op de Panoramaberg. De mededeelingen van den Heer Van Stokkum zijn voor mij de aanleiding om U nog heden even te schrijven betreffende de door Uwen Heer Opzichter van Berkel aangevraagde waterleiding, welke aanvraag reeds eenigen tijd geleden bij mij in behandeling is gekomen. Weliswaar heb ik nadien aan den Heer Van Berkel medegedeeld dat mijn bedrijf tot waterlevering bereid was en heb ik eenige conditiën genoemd; doch tot op heden kon ik geen definitieve aanbiedingen doen, omdat een en ander eerst de instemming en goedkeuring van mijn Bestuur noodig had. De zaak is thans zoover gevorderd, dat ik de technische details heb ingezonden ter goedkeuring aan het Rijksbureau van Drinkwatervoorziening, zijnde de hoofdadviseur van onze stichting, en verwacht ik dat iederen dag ook hiervan de goedkeuring van het technische gedeelte zal afkomen. U zult misschien denken dat al deze dingen wel wat erg breedvoerig behandeld worden, doch Uw Eerw. gelieve rekening te houden met het feit, dat de aanvraag binnenkwam op een tijdstip dat ons bedrijf nog niet eens geformeerd en ondergetekende nog niet in functie was. Ik schrijf U deze mededeelingen dan ook alleen daarom dat het mij erg zou spijten indien U ongeduldig geworden, tot een eigen watervoorziening zoudt besluiten, dewelke straks zou blijken erg duur en niet naar genoegen te zijn. Geen enkele watervoorziching in deze omgeving geeft voldoening, eerstens omdat goed water ter plaatse niet of zeer moeilijk te vinden is en tweedens de pompkosten buitengewoon hoog zijn en derdens de bedrijfszekerheid ten eenemale ontbreekt. Deze motieven zijn het ook die de Heer Van Stokkum doen overwegen om zijn geheele eigen installatie voor het Villapark er aan te geven en aan ons net aan te sluiten. De installatie van den Heer Van Stokkum is vrij modern ingericht, de pompdiepte slechts ongeveer 24 meter en het stroomverbruik 25 cent per kubieke Meter water. Volgens ons ontworpen tarief bedraagt de hoogste waterprijs ongeveer 28 cent, de grootverbruikersprijs z.g. maandtarief gaat tot 10 cent per kubieke Meter. Weliswaar houden onze voorstellen in dat Uw College zelf de aanvoerdienstleiding zal moeten betalen, maar daar staat tegenover dat ons bedrijf genegen zal zijn, om restitutie van dit bedrag te geven indien na verloop van tijd blijkt dat deze leiding ook nog voor andere doeleinden dienstbaar is. Na het vertrouwelijk onderhoud met den Heer Van Stokkum komt het mij voor dat U veilig kunt aannemen, dat restitutie der kosten hetzij voor een grooter of kleiner gedeelte zal plaats vinden, omdat er nog meer bouwplannen hangende zijn. Beleefd geef ik U dus in overweging met Uwe beslissingen nog eenige dagen te wachten totdat de definitieve voorstellen mijnerzijds in Uw bezit zijn. Ik geef U de verzekering dat het mij in deze niet aan de noodige activiteit ontbreekt en zal gaarne van U eenig voorloopige toezegging hieromtrent ontvangen.

TRACE WATERLEIDING LANGS DE MALDENSEBAAN?

[Bron W] Het was aanvankelijk de bedoeling dat een 5 cm naadloze Mannesmann dienstleiding zou worden ingegraven langs de Maldensebaan, met een minimum gronddekking van één meter.

De lengte van deze leiding tot aan de hoofdleiding in de weg Nijmegen-Groesbeek, gerekend vanaf het rusthuis van rector Lamers, zou 2265 meter bedragen.

Met dit door de Waterleiding voorgestelde tracé was de heer Van Stokkum echter niet erg ingenomen; de afstand van deze leiding tot het de bouwen vacantie-dorpje vond hij te groot.

Hierom verzocht hij aan de directeur van de Waterleiding te willen doen nagaan of die aanvoerleiding vanaf de grote weg Nijmegen-Groesbeek naar zijn terreinen meer zuidelijk, dus door zijn terreinen, gelegd kon worden, waardoor een groter gedeelte van het te bebouwen gebied kon worden bestreken.

Bovendien vroeg hij de Waterleiding of de voorgestelde dikte dezer aanvoerleiding wel voldoende was met het oog op zijn voorgenomen omvangrijke bouwplannen.

DIKTE WATERLEIDING GEEN 5 MAAR 8 CM

DE WATERLEIDING: “… DAT METTERTIJD DIT BIJ UITSTEK GUNSTIG VACANTIE-OORD, NOG WEL VOOR MEERDERE BEBOUWING IN AANMERKING ZAL KOMEN, VOORAL AAN DE ZUIDELIJKE HELLING …”

[Bron W] Op 17.4.1929 antwoordde de Waterleiding aan Van Stokkum, o.m.:

Ingevolge onzen afspraak, is door mij het leidingnet naar De Hooge Hoenderberg ten behoeve van het Rusthuis-Bergmann-Colloge en eventueel te stichten tweede Vacantiehuis nog eens geheel nagegaan. Ik ben daarbij tot de ontdekking gekomen, dat een tracé mogelijk is, waarbij een regelmatige afloop van hoogte 75 tot 46 verkregen wordt. Dit tracé biedt een aanmerkelijk voordeel boven het vroegere tracé door de Maldense Baan, waarin twee verheffingen tot 80 en 85 + N.A.P. voorkwamen, De lengte van de leiding bedraagt slechts weinig meer. Het practische voordeel van dit gewijzigd tracé is, dat hierdoor een betere watervoorziening verkregen wordt en de leiding een veel grooter gedeelte van bebouwbare perceelen bestrijkt. Indien een 21 leiding wordt gelegd, zal het mogelijk zijn 2 gebouwen als het thans bestaande Rusthuis van water te voorzien. In verband echter met de vooruitzichten, dat mettertijd dit bij uitstek gunstig Vacantie-oord, nog wel voor meerdere bebouwing in aanmerking zal komen, vooral aan de Zuidelijke helling van de bergen, geef ik U in overweging, om direct een 80 mm. buis te laten leggen, dan is U voor alle eventualiteiten gewaarborgd.

Voor de ligging van het in bovenstaande brief genoemde rusthuis (Tusculum), de Maldensebaan alsmede de omvang der genoemde bouwplannen van de heer Van Stokkum, wordt verwezen naar: “Dit waren zijn plannen in 1926” (Par. 8.12).

JEUGDHUIS EN LANDHUISJESCOMPLEX

VAN STOKKUM: “…TEN OPZICHTE VAN HET JEUGDHUIS EN HET LAND-HUISJESCOMPLEX WORDT DEN MEEST MOGELIJKE SPOED BETRACHT …”

[Bron W] Op 20.4.1929 antwoordde Van Stokkum aan de Waterleiding:

In het bezit van Uw geëerd schrijven van 17 dezer met bijgesloten teekening haast ik mij U te melden, dat het nieuwe door U gekozen tracé (deels door Hooge Krommeweg en verder door Martinusweg) ook mij in meerdere opzichten veel gunstiger lijkt dan de voorgaande. Zoodoende ligt de leiding ongeveer in het midden van de noordelijke helft van het landgoed De Hooge Hoenderberg en wel bijna over de volle lengte hiervan. Hierdoor kan in dit gansche terrein zoowel rechts als links met betrekkelijk korte aansluitleidingen op de hoofdbuis worden aangesloten. In Uw voorstel is, zooals ik vaststelde niet meer dan 400 M. aansluitleiding ingerekend. Indien de eerste gezamenlijke aansluitleidingen deze lengte overschreden hebben, hoeveel moet dan voor meerdere lengte aansluitleidingen worden bijbetaald? Ik begrijp dat zulks verband houdt met het waterverbruik, de grootte der gebouwen. Kunt U mij misschien voorlopig de minimum en maximumcijfers voor die tegemoetkoming in de aanlegkosten opgeven? Dan kan hiermede rekening gehouden worden. Ik meen voorts te mogen aannemen dat U bij de zwaardere leiding op de brandkranen gerekend heeft en bij den aanleg ineens hier en daar kruisstuk wilt plaatsen. In verband met den verkoop van de terreinen 52a en 52b, waarop 2 of meer gebouwen zullen komen, is zulks daar reeds noodig. Ten opzichte van het Jeugdhuis en het Landhuisjescomplex wordt den meest mogelijke spoed betracht, en hoop ik dat binnen den door U opgegeven termijn het gewenschte accoord verkregen wordt; aan de teekening wordt reeds gewerkt.

Met diverse stukken o.m. de bovengenoemde tekening en de circulaire 2, dd 27.3.1929 (zie Par. 9.3), trachtte de heer Van Stokkum intussen, binnen een bepaalde termijn, de benodigde credieten te verkrijgen zodat de aanleg van de genoemde aansluitleiding in zuidelijke richting tegelijk met de aanleg van de hoofddienstleiding kon plaatsvinden.

Met de genoemde vakken 52a en 52b werd bedoeld het terrein van de St. Reinilda Stichting (zie terreinkaart in Par. 10.3).

VERZOEK AAN VERENIGING OM TOESTEMMING TOT AANLEG

[Bron W] Op 22.5.1929 richtte de Waterleiding het eerste verzoek aan de Vereniging, o.m.:

Ten behoeve van eenige gebouwen, liggende op het Landgoed De Hooge Hoenderberg te Groesbeek, is ons gevraagd om een waterleidingstoevoerbuis te leggen. Deze toevoerleiding moet dan noodwendig de terreinen van Uwe Vereeniging passeeren, en daarom verzoeken wij U beleefd, de noodige toestemming te willen verleenen aan onze Stichting “De Waterleiding Berg & Dal”, tot het leggen, hebben en onderhouden van deze buizen in Uwe terreinen.

CONTRACT WATERLEIDING MET VAN STOKKUM

[Bron W] Op 1.6.1929 werd tussen de Stichting “De Waterleiding Berg en Dal” en de heer Van Stokkum een overeenkomst gesloten, betreffende de door genoemde stichting aan te leggen waterleiding vanaf de grote weg Nijmegen-Groesbeek naar de terreinen van het landgoed De Hooge Hoenderberg. In dit contract werd vanzelfsprekend een b e g r e n z i n g opgenomen, waarbinnen op genoemde terreinen alle te bouwen opstallen op deze te leggen waterleiding zouden worden aangesloten.

Als terreinbegrenzing werd hiervoor het gehele oorspronkelijke landgoed van ca 130 hectare opgenomen, omdat een overeenkomst tussen de heer Van Stokkum en de Vereniging, over het afstaan van een gedeelte dezer terreinen, toen nog allerminst in zicht was.

Par. 4 van dit contract luidde als volgt:

De gebouwen en opstallen, welke opgericht zullen worden op het terrein, begrensd door de Bruglaan, de spoorlijn Groesbeek-Nijmegen, de Biesseltsche Straat en de Maldensche Baan, zullen door “De Stichting” zoo spoedig mogelijk na aanvrage op deze hare waterleiding worden aangesloten en wel tegen betaling van den prijs der te maken dienstleiding volgens de gewone tarieven der “Stichting”. De waterlevering zal geschieden tegen de gewone algemeen geldende tarieven en voorwaarden der “Stichting”.

(Na de t w e e v o u d i g e bestemming van de oorspronkelijke terreinen van het landgoed De Hooge Hoenderberg, ingevolge het accoord van 28.12.1929, wilde de heer Van Stokkum genoemde, in par. 4 omschreven, terreinbegrenzing doen wijzigen overeenkomstig de regelingen bij genoemd accoord.

Immers door de officiële bestemming van het grootste en aan natuuschoon meest rijke gedeelte van zijn oorspronkelijke bezit, als definitieve afronding van het als natuurreservaat bestemde gebied, kwam dát terreingedeelte voor bebouwing niet meer in aanmerking.
Volgens de heer Van Stokkum moest bovenstaande terreinbegrenzing in par. 4 daarom nog uitsluitend het resterende, en officieel als bouwterrein bestemde, gedeelte van het landgoed voornoemd omvatten – zie onder “Grenswijziging contract waterleiding”, Par. 16.1)

HOOFDSTUK 10

V E R E N I G I N G : “… WELKE BEDOELING HEBT U …”

[Bron W] Op 19.6.1929 schreef de Vereniging aan Van Stokkum:

Van de Stichting De Waterleiding Berg en Dal te Ubbergen bereikte ons het verzoek om toestemming te verleenen tot het leggen van een toevoerleiding door het terrein onzer Vereeniging, zulks in verband met de aansluiting van enkele gebouwen, liggende op het landgoed De Hooge Hoenderberg. Alvorens te besluiten zou ik het op prijs stellen te mogen vernemen, welke bedoeling U hebt met den Hooge Hoenderberg. Wellicht moet U binnenkort in Amsterdam zijn en in dat geval zouden wij er de voorkeur aan geven mondeling met U van gedachten over deze aangelegenheid te kunnen wisselen.

VAN STOKKUM DEED VOORSTEL

Tijdens het volgend onderhoud legde de heer Van Stokkum zijn voornemens, zoals omschreven onder “Dit waren zijn plannen in 1926”, [Par. 8.12](#8-120, grotendeels voor aan de heer Van Tienhoven.

Om de bedoelde toestemming tot het leggen van de buizen van de waterleiding in de eigendommen der Vereniging s p o e d i g te verkrijgen, vertelde de heer Van Stokkum hem besloten te zijn gedeeltelijk aan de wensen van de Vereniging en het Staatsbosbeheer tegemoet te komen, door het doen van het navolgende voorstel:

  1. het oostelijk gelegen terreingedeelte (ca 20 ha) zou hij voor een nader overeen te komen bedrag aan de Vereniging of de Staat a f s t a a n; dat gedeelte gaf hij, zoals gezegd bij een vorige bespreking, reeds op een terreinkaart aan door dit met een rood potlood te omgeven (dit gedeelte is met het cijfer 1 aangegeven op de terreinkaart van het oorspronkelijke bezit; zie komende Par. 10.3).
  2. het westelijk daaraan grenzende midden-gedeelte, tot aan de zg “Sanatoriumweg”, zou hij van zijn voorgenomen bouwplannen a f z o n d e r e n en niet bebouwen, doch als ongerept bosgebied zelf behouden (dit gedeelte is op genoemde terreinkaart gearceerd aangegeven).

De heer Van Stokkum was toen evenwel met de St Reinilda Stichting in onderhandeling over een perceel, gelegen in de noordwesthoek (de vakken 52a en 52b), waarop eveneens vacantiehuizen zouden worden gebouwd, zodat dit kleine stukje grond buiten deze afspraak moest vallen (zie ook hiervoor genoemde terreinkaart in Par. 10.3).

Bovenstaand voorstel deed de heer Van Stokkum echter onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat zowel de Vereniging als het Staatsbosbeheer accoord zouden gaan met zijn voorgenomen bouwplannen voor het gehele resterende gedeelte van het landgoed, zodat de Vereniging o.a. haar toestemming, voor het in haar eigendommen leggen van de buizen voor de waterleiding, DIRECT kon verlenen.

Door dit bovengenoemde voorstel van de heer Van Stokkum werden de eerder, onder 2 en 3 aangegeven in Par. 8.12, tot recreatie-woongebied te bestemmen terreinen door hem aanmerkelijk kleiner geprojecteerd, hetgeen duidelijk is te zien door onderstaande terreinkaart te vergelijken met de terreinkaart welke in Par. 8.13 is afgebeeld. Die oppervlakte werd teruggebracht tot ca 55 ha.

[Kaart] Terreinkaart met indeling volgens dit voorstel

FOTOs/017-1.png

GEEN BEGRIP VOOR AANVANKELIJK VOORSTEL

De heer Van Tienhoven bleek wel te zijn ingenomen met het feit, dat de heer Van Stokkum had besloten af te zien van het geheel bebouwen ook van het middengedeelte van zijn bezit, maar hij kon zich met genoemd voorstel toch allerminst verenigen en hij was overtuigd dat het Staatsbosbeheer eenzelfde standpunt zou innemen.

De heer Van Tienhoven stelde dat het “afzonderen van voorgenomen bouwplannen” geen enkele zekerheid tot behoud der ongereptheid gaf; slechts het “afstaan aan onze vereniging of de Staat en het onder beheer stellen van het Staatsbosbeheer van het gehele door ons gevraagde terreingedeelte van ca 70 hectare, dus van de gehele enclave tussen onze terreinen, is een aanvaardbare zekerheid voor behoud van het natuurschoon, want wie garandeert eenzelfde "afzonderen" door degene die U in eigendom opvolgt?”, aldus de heer Van Tienhoven en hij vervolgde (ongeveer): “het moet toch mogelijk zijn met U een regeling aan te gaan, waarbij Uw belangen en inzichten omtrent recreatie samenvallen met het algemeen belang, zonder dat wij moeten overgaan tot een soort van dwang-maatregel, want U weet dat de regering in deze zaak ook partij en zeer is gesteld op deze definitieve vaststelling der grenzen van Uw gehele landgoed bij een tweevoudige bestemming.”

Voorts kon, naar de mening van de heer Van Tienhoven, over de gevraagde toestemming inzake de waterleidingkwestie pas worden g e s p r o k e n na een volledige en definitieve regeling in de geest als hierboven omschreven, m.a.w. indien de heer Van Stokkum bereid was het gehele, door de Vereniging en het Staatsbosbeheer aangeduide terreingedeelte met als bestemming natuurreservaat af te staan, maar ook dan nog was eerst de Rijksgoedkeuring vereist.

VAN STOKKUM OPPERDE SUGGESTIE

Aangezien de heer Van Tienhoven voor het genoemde voorstel absoluut geen begrip kon opbrengen, opperde de heer Van Stokkum de navolgende suggestie.

Stel U voor, zo vroeg de heer Van Stokkum, dat ik in zou gaan op het verzoek van de Vereniging en het Staatsbosbeheer en de door U aangeduide enclave van ca 70 hectare aan Uw vereniging afstond, zou de overheid dan later niet ook nog aanspraak maken op het resterende kleine terreingedeelte van het landgoed, als natuurreservaat of dit resterende gedeelte als zodanig doen bestemmen, precies zoals dat toch nu feitelijk al het geval is?

Dit ontkende de heer Van Tienhoven nadrukkelijk en hij gaf de heer Van Stokkum de verzekering, dat het resterende gedeelte van het landgoed nimmer meer zou worden aangemerkt als natuurreservaat of dergelijke.

Het ging de Vereniging en het Staatsbosbeheer uitsluitend, aldus de heer Van Tienhoven, om het terreingedeelte van het landgoed dat tussen de beide landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg was gelegen. Die gehele enclave moest, in het algemeen belang, worden behouden als ongerept bosgebied. Het zou tevens de “afronding” betekenen van dit te stichten “National Park”.
De besproken bouwplannen voor het gehele resterende gedeelte van het landgoed konden verwezenlijkt worden naar het inzicht van de Heer Van Stokkum en de waterleidingkwestie werd dan natuurlijk ook direct geregeld, besloot de heer Van Tienhoven.

VERBETERING TOEGANGSWEGEN

Vervolgens vroeg de heer Van Stokkum of hij, in voornoemd geval, de toestemming en de medewerking van de Vereniging, dan wel van de Staat zou krijgen, tot het verbreden en verbeteren, met rechtverlening tot verharden, van de verschillende mulle zandwegen, welke als toegangswegen tot het resterende gedeelte van het landgoed moesten worden beschouwd. Hierop antwoordde de heer Van Tienhoven, dat zij het daarover wel eens zouden worden (zie zijn brief dd 16.12.1929, Par. 13.1).

WATER - ELECTRA - TELEFOON - GAS ENZ.

Voorts verzocht de heer Van Stokkum of in dat geval ook op de toestemming en de medewerking kon worden gerekend van het – in de eigendommen van de Vereniging en het onderwerpelijke gedeelte van zijn bezit – leggen van genoemde en reeds herhaaldelijk besproken drinkwaterleiding, het leggen van telefoon- en electriciteitskabels, alsook gasbuizen en dergelijke, want, zo stelde de heer Van Stokkum: “een dergelijk groot door Uw vereniging en de Staat te stichten natuurreservaat verdraagt en vereist het onmiddelijk ernaast liggen van een groot toeristen-centrum en dat zal straks aan een stellig toenemende behoefte voldoen.

De heer Van Stokkum vertelde vervolgens, dat hij in dit verband inplaats van een 5 cm maar ineens een 8 cm dikke toevoerleiding was overeengekomen voor de waterleiding naar het te stichten vacantie-dorpje, maar dat als die plannen voor het “lustoord De Hooge Hoenderberg” geheel tot uitvoering kwamen, ook deze leiding wel verzwaard zou moeten worden.

De heer Van Tienhoven gaf te kennen dat, indien de heer Van Stokkum bereid was deze suggestie als basis der onderhandelingen aan te houden, hij op loyale medewerking van de zijde der overheid kon rekenen.

Het vacantiehuisjes-plan vond de heer Van Tienhoven overigens heel erg revolutionair, maar de ligging ervan op de zuidelijke helling ideaal en hij voegde daar destijds woordelijk aan toe: “Dat landhuis-complex zal waarschijnlijk werken als een magneet en dan zal onze opzet van nog véél groter algemeen nut blijken, want juist daardoor kunnen velen van de omliggende en straks door de overheid beschermde bosterreinen gaan genieten, tot welker instandhouding U hebt bijgedragen, als wij het samen eens worden, waaraan ik niet meer twijfel”.

VERENIGING ONDERHANDELDE NAMENS HET RIJK

VERENIGING: “… OMDAT ZICH VELE KWESTIES VOORDOEN, DIE BEHALVE VOOR ONS OOK VOOR U VAN GROOT BELANG ZIJN …”

Voorstaande suggesties deed de heer Van Stokkum mede naar aanleiding van een door hem, nog vóór dat gesprek met de heer Van Tienhoven, ontvangen brief van de Vereniging, waaruit hij meende te mogen opmaken dat de heer Van Tienhoven inzake deze onderhandelingen ook namens de minister optrad.

Tijdens dat volgend onderhoud hiernaar gevraagd, bevestigde de heer Van Tienhoven dit aan de heer Van Stokkum o.m. met de volgende opmerking: “DE REGERING IS OOK PARTIJ EN WIJ HEBBEN DE RIJKSGOEDKEURING NODIG VOOR ONZE DADEN TE GROESBEEK” (zie onder “Mits goedkeuring Bestuur en RIJK”, Par. 13.9).

[Bron V] Op 27.6.1929 namelijk schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Natuurlijk willen wij U zooveel mogelijk helpen als goede buren, doch ik acht het noodzakelijk, dat wij eens met elkander spreken, omdat zich vele kwesties voordoen, die behalve voor ons ook voor U van groot belang zijn. Ik meen, dat Uw wegen U wel eens naar Amsterdam voeren en dan zou het mij zeer aangenaam zijn van U te mogen vernemen of U gelegenheid hebt op ons kantoor te komen ter bespreking van een en ander. Mocht U echter gebonden zijn aan Rotterdam, dan is er misschien wel gelegenheid dat wij elkander aldaar eens ontmoeten of in den Haag, doch ik vrees, dat dit mij den eersten tijd niet mogelijk zal zijn vanwege de vacantie van mijn kantoorpersoneel. Zooals ik U zeide, acht ik de kwestie van groot belang, ook omdat de Regeering gemoeid is bij onzen aankoop van den Muntberg en de Wolfsberg, waarover ik U meer kan en hoop te vertellen. Wij kregen van rector Lamers (van Berchmanianum, zie onder 2 van Par. 8.12 – vSt.) reeds verschillende brieven en zelf verkeert hij misschien in de waan, dat er oneenigheid bestaat tusschen U en de eigenaars van den Muntberg en dit is natuurlijk volstrekt niet het geval. Wij moeten echter weten wat van ons gevraagd wordt en hoe wij onze medewerking kunnen geven inzake de waterleiding. Zijn mijn inlichtingen juist, dan zullen naast het bestaande rusthuis nog twee rusthuizen worden gebouwd, doch dit zijn misschien geruchten, die op niets berusten. Een ontmoeting met U zou ik met het oog op ons beider belang ten zeerste op prijs stellen.

HOOFDSTUK 11

BEMIDDELAAR TUSSEN VERENIGING EN VAN STOKKUM

Aangezien de onderhandelingen tussen de Vereniging, het Staatsbosbeheer en de heer Van Stokkum, reeds anderhalf jaar voortduurden zonder enig resultaat, meende de directeur van de Stichting De Waterleiding Berg en Dal te Ubbergen, de heer J.M. Tesser, mogelijk als bemiddelaar tussen de partijen zijn goede diensten te kunnen aanbieden door o.a.:

  1. de heer Van Stokkum te bewegen, niet alleen de twee door hem als bouwterrein bestemde gedeelten veel kleiner te projecteren en het bebouwen van het middengedeelte definitief te doen vervallen (zie onder “Van Stokkum deed voorstel”, Par. 10.2), maar hem bovendien te doen besluiten tegemoet te komen aan de wensen van de Vereniging en het Staatsbosbeheer door het gevraagde terreingedeelte van ca 70 hectare in zijn geheel en ongerept af te staan aan de vereniging of de Staat;
  2. als concessie aan de heer Van Stokkum, voor dit tegemoetkomen aan de wensen van de vereniging en het Staatsbosbeheer als genoemd onder a, de door hem gevraagde toestemming te verkrijgen o.m. de buizen van de waterleiding te mogen doen leggen in de eigendommen van de vereniging of de Staat.

HOOFDGEBOUW MEER WESTELIJK

Na overleg met de Vereniging, welke de genoemde bemiddelingspoging dankbaar aanvaardde, ontmoetten de heren Tesser en Van Stokkum elkaar te Groesbeek op 16.6.1929.

Na langdurig overleg verklaarde de heer Van Stokkum zich tegenover de heer Tesser uiteindelijk bereid, overeenkomstig zijn aan de heer Van Tienhoven gedane suggestie (zie onder “Van Stokkum deed voorstel”, Par. 10.2), zijn plannen gedeeltelijk te wijzigen en wel in dier voege, dat de twee te bebouwen terreinen definitief kleiner werden, mits de andere partij geheel accoord ging met zijn eerder gedaan voorstel (zie onder “Van Stokkum opperde suggestie”, Par. 10.5).

Het op het middengedeelte geprojecteerde hoofdgebouw van het villa-complex kwam dan meer westelijk. Zijn voornemens om van de noord-westhoek percelen, met als bestemming recreatie-woongebied, te verkopen moest hij dan herzien. Dit gedeelte zou hijdar grotendeels toevoegen aan zijn plan tot het stichten van dit vacantieproject. Over enkele aldaar gelegen kleine percelen was hij evenwel opnieuw in onderhandeling (ca 4,5 ha, de vakken 52a en 52 b, werden overgedragen aan de St. Reinilda Stichting te Bloemendaal op 18.11.1929, doch na de (tweede) wereldoorlog werd de Staat ook eigenaar van dit perceel, n.l. dd 30.12.1949, zie de terreinkaart in Par. 10.3).

BEMIDDELING HAD NOG GEEN SUCCES

[Bron W] Op 22.7.1929 schreef de Waterleiding aan de Vereniging, o.m.:

Ingevolge het plaatsgehad hebbende mondeling en telefonische onderhoud met Ued., heb ik op 16 Juli j.l. een onderhoud te Groesbeek gehad met den Heer Van Stokkum. Dit onderhoud heeft tot resultaat gehad, dat de Heer Van Stokkum thans aanbiedt om een groot gedeelte van zijn bezit De Hooge Hoenderberg tot eeuwig ongerept boschbezit te laten. Dat terreingedeelte ligt geheel langs de scheiding van de Vereenigingsterreinen, zoodat men, over de Brug c.q. Bruglaan komende, een aaneengesloten boschterrein verkrijgt tusschen Wolfsberg en Muntberg v.v. Het gevaar, dat Uwe onderscheidelijke Vereenigingsgronden gescheiden worden door een storende bebouwing van een middenterreingedeelte, is hiermede geheel vervallen. De eventuele bebouwing in het achterliggende gedeelte, waarvan toch al weer eenige groote stukken voor vacantieoorden verkocht zijn, kan Uwe vereeniging dan ook geen enkel beletsel meer zijn in Uw gewaardeerd streven.

OVERLEG TER PLAATSE

VERENIGING: “…EEN ZO BIJ UITSTEK BELANGRIJKE KWESTIE VAN BEBOUWEN DER TERREINEN VAN DEN HOOGEN HOENDERBERG BEHOORT NIET IN EEN VLOEK EN EEN ZUCHT DOORGEDREVEN TE WORDEN. NOODIG IS AMPEL OVERLEG EN OVERWEGING EN HIERTOE ZIJN WIJ NATUURLIJK BEREID. WIJ HOPEN BINNENKORT GELEGENHEID TE HEBBEN TER PLAATSE NA TE GAAN, OF HET GEDEELTE DAT ONBEBOUWD WORDT GELATEN DOOR DEN HEER VAN STOKKUM, VOLDOENDE IS OM TEGEMOET TE KOMEN AAN ONZE BEZWAREN, DIE U BEKEND ZIJN. ZOOALS U WEET, MOET ONZE VEREENIGING IN DEZE KWESTIE OVERLEG PLEGEN MET HAAR GELDSCHIETERS, IN HET BIJZONDER MET DEN MINISTER…”

Dit werd ter plaatse het onderwerp van overleg tussen de Vereniging, het Staatsbosbeheer en de Waterleiding, op 14.8.1929, blijkens onderstaande brieven.

[Bron W] Op 25.7.1929 schreef de Vereniging aan de Waterleiding, o.m.:

Wij ontvingen Uw schrijven van 22 dezer, hetwelk een voorstel bevat van den Heer Van Stokkum omtrent het voor een gedeelte onbebouwd laten van den Hoogen Hoenderberg. Wij hopen binnenkort gelegenheid te hebben ter plaatse na te gaan, of het gedeelte dat onbebouwd wordt gelaten door den Heer Van Stokkum en dat hij ons in zijn vorig schrijven veel groter meldde, voldoende is om tegemoet te komen aan onze bezwaren, die U bekend zijn. Zooals U weet moet onze Vereeniging in deze kwestie overleg plegen met haar geldschieters, in het bijzonder met den Minister. Een spoedige beslissing kunnen wij U dus niet beloven, doch wel stellen wij ons voor spoedig te Groesbeek de kwestie te gaan opnemen. Een zoo bij uitstek belangrijke kwestie van bebouwen der terreinen van den “Hoogen Hoenderberg” behoort niet in een vloek en een zucht doorgedreven te worden. noodig is ampel overleg en overweging en hiertoe zijn wij natuurlijk bereid. Tenslotte is het ons aangenaam te ervaren, dat U Uwe medewerking tot de verkrijging van een goede oplossing wilt geven.

[Bron W] Op 10.8.1929 volgde hierover nog het onderstaande briefje van de Vereniging aan de Waterleiding, o.m.:

Thans heb ik het plan om Woensdag a.s. te gaan en hoop U dan op kantoor een bezoek te brengen om met U van gedachten te wisselen en te trachten een regeling te treffen met den Heer Van Stokkum. Misschien wilt U mij Maandag a.s. liefst vóór half elf opbellen, opdat ik een en ander met U telefonisch kan afspreken, hoe laat wij elkaar kunnen treffen.

Telefonisch werd afgesproken dat de grenzen ter plaatse definitief zouden worden vastgesteld door de Vereniging en het Staatsbosbeheer.

[Bron W] Op 13.8.1929 volgde daarom alsnog een briefje van de Vereniging aan de Waterleiding:

Naar aanleiding van Uw telefonische mededeeling van hedenmorgen deel ik U mede, dat ik hoop, morgen 14 Augustus, te Uwen kantore te komen omstreeks half 12, in gezelschap van den Directeur van het Staatsbosbeheer.

SANATORIUMWEG GRENS TE BEBOUWEN GEDEELTE

Op 14.8.1929 vonden, na een kort bezoek aan Ubbergen, op het landgoed De Hooge Hoenderberg te Groesbeek, de aangekondigde besprekingen plaats tussen de heren Van Tienhoven, Van Dissel en de bemiddelaar Tesser.

Ter plaatse werd nagegaan of het door de heer Van Stokkum aangeboden terreingedeelte inderdaad de gevraagde g e h e l e enclave tussen de Muntberg en de Wolfsberg omvatte, dus of dit als natuurreservaat te bestemmen gedeelte groot genoeg was.

Daarbij werd tevens de grootte opgenomen van het tot toeristencentrum te bestemmen resterende gedeelte, alsmede over de aanleg van de waterleiding van gedachten gewisseld.

Over deze besprekingen, beogende de officiële vaststelling der grenzen ten aanzien van de tweevoudige bestemming van de terreinen van het gehele landgoed, vernam de heer Van Stokkum van de heer Tesser o.m., dat de Vereniging in overleg met het Staatsbosbeheer had besloten haar toestemming tot bedoelde tweevoudige bestemming van het landgoed te verlenen indien de heer Van Stokkum afstand deed van ca 70 ha van zijn bezit overeenkomstig zijn suggestie gedaan aan de heer Van Tienhoven (zie Par 10.5).
Hierbij moest de zg “Sanatoriumweg” als scheiding tussen dat n i e t te bebouwen en het resterende als b o u w t e r r e i n te bestemmen gedeelte worden aangehouden.

Mocht de heer Van Stokkum met deze regeling accoord gaan dan kon hij, volgens de heer Van Dissel, zonder meer rekenen op royale overheidsmedewerking bij de uitvoering van zijn grootse bouwplannen en de waterleidingkwestie werd dan eveneens direct geregeld, aldus de heer Tesser.

VAN STOKKUM BOOD GEHELE ENCLAVE AAN

[Bron W] Op 22.8.1929 kon de heer Tesser, naar aanleiding van zijn besprekingen met de heren Van Tienhoven, Van Dissel en in aansluiting daarop met Van Stokkum, namens deze laatste, het onderstaande voorstel overbrengen aan de Vereniging (dit in deze brief genoemde terreingedeelte van ca 70 ha is aangegeven op de terreinkaart Par. 13.8), o.m.:

Ingevolge het mondeling onderhoud dd. 14 dezer te Groesbeek en de nadien plaatsgehad hebbende bespreking met den Heer Van Stokkum aldaar, kan ik U thans als resultaat het navolgende mededelen. De Heer Van Stokkum is genegen, op tweeerlei wijzen aan Uwe wenschen tegemoet te komen en wel
1e., door op een veel grooter gedeelte van zijn bezit de erfdienstbaarheid van niet-bebouwing te vestigen.
2e., door aan Uwe Vereeniging een gedeelte van zijn bezit ten verkoop aan te bieden, zulks naar aanleiding van de desbetreffende vraag door mij, in opdracht van U, gedaan.
In het eerste geval zal de scheiding van het niet-bebouwbare gedeelte loopen langs de z.g. Sanatoriumweg, welke weg U op bijgaand kaartje aangegeven vindt, echter met dien verstande, dat het reeds verkochte aan de Reinilda Stichting te Bloemendaal, voor het stichten van een Vacantiehuis, buiten deze overeenkomst valt.
Het terreinsgedeelte van den Heer Van Stokkum, hetwelk in dit geval van de erfdienstbaarheid van nimmer-bebouwing wordt belast, beslaat een oppervlakte van circa 70 H.A.
Als vergoeding voor deze concessie vraagt de Heer Van Stokkum het reeds besproken recht tot het hebben en houden van leidingen in de daarvoor geëigende weg van Uwe Vereeniging, het op een breedte van 8 M. open laten van dien weg voor vrij verkeer naar en van de achterliggende terreinen van den Heer Van Stokkum en ter aanvulling een geldelijke tegemoetkoming van (bedrag). Wat nu het tweede voorstel betreft, is de Heer Van Stokkum genegen, om het boven aangegeven terreinsgedeelte aan hem in eigendom toebehorend, aan Uwe Vereeniging af te staan tegen den prijs van (bedrag) per H.A., incl. al hetgeen zich op dat terrein aan beplanting en houtopstand en onder conditie, dat Uwerzijds aan den Heer Van Stokkum dezelfde faciliteiten worden verleend, als in het eerste voorstel bedoeld. Mijnerzijds is het mogelijke gedaan om deze voorstellen tot een werkelijk bruikbare basis van overeenstemming te maken en vermeen ik U deze voorstellen als volkomen billijk te mogen aanbevelen.

AANGEBODEN TERREIN OMVATTE GEHELE ENCLAVE

UIT HET ONDERSTAANDE ANTWOORD VAN DE VERENIGING AAN DE WATERLEIDING BLIJKT O.M. DAT HET STAATSBOSBEHEER HET, “AFGESCHEIDEN VAN DEN PRIJS”, MET DE VERENIGING EENS WAS OVER HET DOOR DE HEER VAN STOKKUM AANGEBODEN TERREINGEDEELTE, D.W.Z. OVER DE GROOTTE DAARVAN, ALS ENCLAVE TUSSEN DE “MUNTBERG” EN DE “WOLFSBERG”, TERWIJL DE KOOPSOM ERVAN VOORALSNOG NIET AAN DE ORDE WAS. DAAROVER KONDEN ZIJ N.L. NOG NIET GAAN ONDERHANDELEN, WANT “ALVORENS DEFINITIEF MET HEM AF TE SPREKEN MOET IK MEERDERE MOEILIJKHEDEN UIT DEN WEG RUIMEN”, WIJST OP HET VERLENEN VAN DE BEDOELDE TOESTEMMING TOT AANLEG DER WATERLEIDING ET HET BEBOUWEN VAN HET GEHELE RESTERENDE GEDEELTE VAN HET LANDGOED EN HIERVOOR MOEST DE VERENIGING EERST NOG EEN GUNSTIGE BESCHIKKING VAN DE MINISTER AFWACHTEN …

Een en ander staat in onderstaande brief.

[Bron W] Op 25.9.1929 antwoordde de Vereniging – op het door Tesser overgebrachte voorstel van Van Stokkum – aan de Waterleiding:

U zult wel gemeend hebben, dat ik Uw brief van 22 Augustus over het terrein van den Heer Van Stokkum naast mij neer heb gelegd, want het heeft eenigen tijd geduurd voordat ik U kon schrijven, hoezeer ik Uw medewerking in deze waardeer en hoe ik mij verheugde, dat U met den Heer Van Stokkum voeling hebt gehouden en ons een voorstel hebt gedaan. Toen Uw schrijven kwam was ik in het buitenland en bij mijn terugkomst heb ik de zaak dadelijk in behandeling genomen, doch aangezien hierbij verschillende factoren zijn, waarmede rekening moet worden gehouden, loopt de zaak niet zoo vlug als wij wel wenschten. Ik heb met den Heer Van Dissel gecorrespondeerd en het Staatsboschbeheer acht, afgescheiden van den prijs, het zeer wenselijk, dat de terreinen van den Munt- en Wolfsberg met het gedeelte van den Heer Van Stokkum worden uitgebreid. Ik stel mij dan ook voor om met den Minister te gaan spreken om te zien, of wij met den Heer Van Stokkum tot een accoord kunnen komen, maar U begrijpt, dat kost nog wel eenigen tijd, zoodat de Heer Van Stokkum geduld moet hebben. U kunt er alleen van overtuigd zijn, dat ik mijn uiterste best zal doen om de verschillende partijen te brengen tot een resultaat, dat voor allen aanbeveling verdient. Ik heb den Heer Van Stokkum nog niet geschreven, doch misschien ziet U hem wel en kunt U hem de inhoud van dit schrijven mededeelen, of acht U het beter, dat ik hem persoonlijk een brief schrijf? Ik wil dit natuurlijk gaarne doen, maar alvorens definitief met hem af te spreken, moet ik meerdere moeilijkheden uit den weg ruimen. Dit zal de Heer Van Stokkum zeer zeker kunnen begrijpen.

HOOFDSTUK 12

WAAROVER GINGEN VOORNOEMDE MOEILIJKHEDEN?

Het was de Vereniging en het Staatsbosbeheer, zoals gezegd, vanaf de aanvang der onderhandelingen bekend, dat de heer Van Stokkum op zijn bezit het landgoed De Hooge Hoenderberg grootse bouwplannen had, dat hij daar een toeristen-centrum wilde bouwen, een vacantie-dorpje zoals wij dat hier nog niet kenden.

Sedert ruim één jaar poogden de beide instellingen de heer Van Stokkum te bewegen voor die bouwplannen veel kleinere terreinen te bestemmen, dan welke hij daarvoor sinds 1926 had geprojecteerd (zie onder “Dit waren zijn plannen in 1926”,Par. 8.12), en het grootste gedeelte van zijn bezit in het algemeen belang af te staan aan de Vereniging, in casu aan de Staat.

Het door de Vereniging gewenste gedeelte lag n.l. als een enclave tussen de landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg en met het verkrijgen daarvan zou, volgens de genoemde instellingen, een “zeer welkome uitbreiding en verrijking, maar tevens een definitieve afronding van het als natuurreservaat te bestemmen gebied worden verkregen” (zie onder “Zeer welkome uitbreiding” en “afronding gebied”, Par 12.12).

De heer Van Stokkum voelde hier aanvankelijk niets voor en bood een kleiner gedeelte aan, een gedeelte dat hij van plan was ongerept te laten (zie onder “Van Stokkum deed voorstel”, Par. 10.2). Doch omdat de verwezenlijking van zijn eerder genoemde omvangrijke bouwplannen, zonder de medewerking en bedoelde toestemming inzake de waterleiding van de Vereniging en het Staatsbosbeheer onuitvoerbaar bleken, deed hij feitelijk door bovengenoemde omstandigheden ook enigszins gedwongen, het voorstel van het afstaan van het door deze instellingen gewenste en aan natuurschoon rijkste en door hem meest verzorgde middengedeelte, vervat in het schrijven van de Waterleiding, waarvan de directeur als bemiddelaar optrad, dd. 22.8.1929 (zie onder “Van Stokkum bood gehele enclave aan”, Par. 11.6).

Maar met voornoemd voorstel waren de moeilijkheden nog lang niet opgelost, integendeel. Zijn aanbod moest de weg vrijmaken voor een aanvaardbare officiële regeling ten aanzien ook van de bestemming van het hem resterende terreingedeelte en dat betrof meerdere punten dan alleen de toestemming tot aanleg van een waterleiding!

De toegangswegen naar dit resterende bouwterrein, dit recreatie-woongebied, liepen over de terreinen van de Vereniging of de Staat en dat waren, zoals eerder opgemerkt mulle zandwegen. Deze wegen moesten geschikt worden gemaakt voor autoverkeer, en tot openbare wegen verklaard, zodat de toekomstige bewoners van die resterende terreinen van het landgoed daarvan ongehinderd gebruik zouden kunnen maken.

Ook zijn omvangrijke bouwplannen had de heer Van Stokkum herhaaldelijk en uitvoerig besproken met de beide instellingen. De plannen van het te bouwen landhuisproject op het zuidelijke gedeelte, hetwelk hijzelf in exploitatie dacht te nemen, uiteraard gedetailleerd, want voor de overige objecten verkocht hij de percelen met die bestemming, al overwoog hij ook daarvan een groot gedeelte toe te voegen aan zijn vacantie-oord toen hij de gehele enclave had aangeboden. Het verkavelingsplan had hij reeds in deze geest uitgewerkt en besproken.

Betreffende zijn eigen bouwplannen had hij o.m. de omstandigheid besproken, dat hij dat daarvoor aanvankelijk bestemde gedeelte – althans wat daarvan overbleef – indien zijn bedoelde plannen toch te revolutionair mochten blijken of door andere (financiële) oorzaken nog niet dadelijk konden worden uitgevoerd, “VOOR ZIJN FAMILIE ZOU AFZONDEREN EN IN GEEN GEVAL AAN DERDEN VERKOPEN”. Zijn familie kon daarop dat besproken oord al naar gelang de omstandigheden, voor permanente dan wel voor zomerbewoning, dan later bouwen (zie hieromtrent de brief van de Vereniging aan Van Stokkum, dd 23.11.1929, in Par. 12.12).

Doch als logisch gevolg van zijn bovengenoemde voornemens, wilde heer Van Stokkum de toestemming en medewerking om in de eigendommen van de Vereniging of de Staat de voor die bestemming noodzakelijke buizen en leidingen te mogen doen leggen door openbare Nutsbedrijven, met name voor: DRINKWATER, ELECTRICITEIT, TELEFOON, GAS EN DERGELIJKE. (Zie hieromtrent eveneens genoemde brief van de Vereniging aan Van Stokkum, dd 23.11.1929, in Par. 12.12).

Deze punten stelde de heer Van Stokkum o.m. als zijn onherroepelijke voorwaarden waaronder hij slechts bereid was afstand te doen van dat grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte van zijn bezit (zie onder “Bijzondere zorg middengedeelte”, Par. 4.13).

Het waren bovenstaande “moeilijkheden” welke door de Vereniging werden bedoeld, in haar schrijven aan de Waterleiding dd 25.9. 1929 (zie Par 11.7) en welke op voorhand in een onderhoud met de minister uit de weg moesten worden geruimd, ALVORENS de Vereniging definitief met de heer Van Stokkum kon gaan afspreken om verder te onderhandelen, zoals in genoemde brief te lezen valt.

Van deze voorwaarden was de waterleidingkwestie echter zeer urgent; daarop werd al ongeveer één jaar gewacht door rector G. Lamers ten behoeve van een rusthuis “Tusculum”, gebouwd in de noord-westhoek op het onderhavige landgoed (zie onder 2 in Par. 8.12).

In overleg met het Staatsbosbeheer speelde de Vereniging dit inwilligen evenwel tevens uit om – in ruil hiervoor – het gewenste terreingedeelte van de heer Van Stokkum over te nemen bovendien tegen de laagst denkbare koopsom. Haar brief van 28.11.1929 wijst daarop (zie Par. 12.15), daarin schreef de Vereniging n.l. letterlijk aan het Staatsbosbeheer (spreekwoord gemakshalve vertaald):

"…IK VERMOED DAT ALS WIJ VOET BIJ STUK HOUDEN EN HET DOOR MIJ GENOEMDE BEDRAG ALS MAXIMUM AANNEMEN, DE HEER VAN STOKKUM WELLICHT EEN REGELING ZAL WILLEN TREFFEN OP ONZE BASIS. GEDACHTIG AAN HET SPREEKWOORD “ZACHT IN DE WIJZE VAN OPTREDEN, MAAR KRACHTIG WAT DE ZAAK ZELF BETREFT” MOETEN WIJ BEIDEN TRACHTEN MET DEN HEER VAN STOKKUM EEN ACCOORD TE KRIJGEN. DE WATERLEIDINGKWESTIE MOET NATUURLIJK RUSTEN TOT WIJ MET DEN HEER VAN STOKKUM ACCOORD HEBBEN VERKREGEN. HET IS ONS STERKSTE WAPEN, DAT WIJ NIET UIT HANDEN MOETEN GEVEN…".

In haar voorstaande brief dd 25.9.1929 (zie Par. 11.7), sprak de Vereniging ook over een BRIEFWISSELING TUSSEN HAAR EN HET STAATSBOSBEHEER. Hieronder volgen er drie van:

[Bron V] Op 12.9.1929 schreef het Staatsbosbeheer aan de Vereniging (deze brief behandelde meerdere onderwerpen):

dat de Heer Van Stokkum uit de hoek is gekomen met een vraagprijs, die niet zoo heel gek is, is een gelukwensch waard. Mag ik U verzoeken op bijgaande stafkaartje even met potlood in te schetsen, wat de Heer Van Stokkum wil verkopen; ik zeg dan spoedig mijne meening.

[Bron V] Op 24.9.1929 schreef het Staatsbosbeheer aan de Vereniging:

Ik heb de eer U naar aanleiding van nevensvermelden brief het navolgende mede te delen: De oppervlakte van het op de stafkaart aangegeven terrein bedraagt naar schatting ruim 66 H.A. zonder wegen. De waarde daarvan werd indertijd op plm. (bedrag) geschat, d.i. plm. (bedrag) per H.A. – Met inbegrip van de wegen zal het terrein naar ruwe berekening eene oppervlakte van plm. 75 H.A. beslaan. De vraag van den Heer Van Stokkum van (bedrag) per H.A. is dus wel hoog, maar er mag niet worden vergeten, dat het bezit van dit terrein van bijzonder groot belang is! Daarbij komt, dat de grondprijzen zich in steeds stijgende lijn bewegen, in dit geval in het bijzonder, omdat nu reeds een stichting op den Hoogen Hoenderberg gaat bouwen, en er allicht meer zullen volgen. Ook de omstandigheid dat de Wolfsberg en de Muntberg voor de toekomst behouden zijn gebleven, vermeerderd de waarde van den Hoogen Hoenderberg en de schatting van het Staatsboschbeheer was indertijd beslist aan den lagen kant. In verband met een en ander kan ik mij dus geheel met Uw plan vereenigen en ben ik van meening, dat nu U dit aanbod in handen hebt, het terrein in elk geval moet worden gekocht, in het uiterste geval voor den gevraagden prijs.

"ZEER WELKOME UITBREIDING EN “AFRONDING” GEBIED"

[Bron S] Op 26.9.1929 antwoordde de Vereniging aan het Staatsbosbeheer:

Van deze gelegenheid maak ik gebruik U dank te zeggen voor Uw brief van gelijken datum, Nr 3706, over den Hoogen Hoenderberg. Ik ben het geheel met U eens, dat het door den Heer Van Stokkum aangeboden terrein een zeer welkome uitbreiding en afronding van het gebied zou zijn en ik hoop, dat ook deze zaak tot een goed einde zal kunnen worden gebracht.

VAN STOKKUM KENDE RUIJS REEDS VANAF 1906

Vanaf zijn vierentwintigste jaar (1905), stelde de heer Van Stokkum meer en meer belang in o.m. de bestrijding van het alcoholisme en in wat men toen noemde “de oplossing van het sociale vraagstuk”.

Sedert omstreeks 1906 bekleedde hij bij deze organisaties bestuursfuncties, waaronder bij het Kruisverbond St. Bernardus. In die periode leerde de heer Van Stokkum o.a. de propagandist van “Sobriëtas” jhr. mr. Charles J.M. Ruijs de Beerenbrouck kennen. Deze was toen gemeenteraadslid van Maastricht en door het kiesdistrict Gulpen in 1905 afgevaardigd naar de Tweede Kamer.

Na 1916 ontmoetten zij elkaar ook regelmatig op de jaarvergaderingen van de Nederlandsche Heidemaatschappij, waarvan de vader van jhr. Ruijs de Beerenbrouck destijds voorzitter was.

PLANNEN GROESBEEK MET MINISTER BESPROKEN

Ook zijn werk te Groesbeek kwam na 1918 uiteraard veelvuldig ter sprake en toen jhr. Ch. Ruijs de Beerenbrouck op 10.8.1929 weer minister van Binnenlandse Zaken en tevens van Landbouw werd, lag het voor de hand dat de heer Van Stokkum zijn moeilijkheden inzake het verkrijgen van bedoelde toestemming tot het leggen van een waterleiding naar zijn terreinen, waarop o.a. – het rusthuis van rector G. Lamers – het door hem te stichten vacantie-dorpje moest worden aangesloten, uitvoerig met de minister besprak.

BARON VAN VOORST TOT VOORST: “MACHTSMISBRUIK”

[Bron W] Op 21.10.1929 schreef Van Stokkum aan de Waterleiding, o.m.:

Het wordt werkelijk meer dan tijd dat een eind gemaakt wordt aan hetgeen de Heer Burgemeester van Ubbergen, tevens voorzitter van het Bestuur der Waterleiding Berg en Dal, m.i. zeer terecht machtsmisbruik noemt.
U hebt mij indertijd te kennen gegeven over deze zaak den Minister te willen gaan spreken. Het komt mij voor, dat thans het gunstigste moment daartoe gekomen is. Z.Ex. Minister Ruijs de Beerenbrouck is nu reeds vrij goed op de hoogte met den stand van zaken, maar U kunt Z.Ex. nader aantoonen dat het verleenen der gevraagde toestemming niet in strijd is met de Staats- of gemeenschapsbelangen, integendeel. Bij onderzoek zal Z.Ex. blijken dat mijn arbeid in de Gemeente Groesbeek, nog nooit in het nadeel, maar steeds in het voordeel der streek geweest is en deze waterleiding-plannen door de Groesbeekse gemeenschap worden toegejuicht, en gesteund. Ik leverde bewijzen het natuurschoon zoo min mogelijk te willen schaden, en droeg veel bij tot verbetering. Indertijd heb ik U op een desbetreffende vraag geantwoord genegen te zijn U bij dat bezoek aan Z.Ex. te vergezellen. Indien U zulks noodig of nuttig acht, ben ik hiertoe thans nog gaarne bereid. P.S. Den Zeer Eerw. Pater Rector G. Lamers zond ik een doorslag van deze brief.

RECTOR LAMERS WIL DEFINITIEVE OPLOSSING

[Bron W] Op 12.11.1929 schreef rector G. Lamers aan de Waterleiding:

UEd. zou mij zeer verplichten, indien U mij kon mededeelen, of ons eertijds gesloten contract voor watervoorziening tot uitvoering komen kan en binnen welken tijd; ofwel dat een gunstige oplossing voorloopig niet te verwachten is. Indertijd was ons toegezegd, dat ingeval de Vereeniging tot Behoud enz.- bleef weigeren, U een andere oplossing zou doorzetten. Ook hierover had ik gaarne bericht. U begrijpt, dat de omstandigheden mij dwingen naar een definitieve oplossing uit te zien.
P.S. Tijdelijk in den Haag tot en met 15 November.

RECTOR LAMERS OVERHANDIGDE BRIEF AAN MINISTER

Na ruggespraak met de heer Van Stokkum, welke hierover nog contact opnam met de Waterleiding, schreef rector G. Lamers een uitvoerige brief met de hand aan de minister inzake genoemde waterleidingkwestie.

Deze brief hoopte de rector, in de week die hij in Den Haag verbleef, persoonlijk te overhandigen en te mogen toelichten (hierom ontbreekt op deze brief waarschijnlijk een datum).

[Bron W] Op 17.11.1929 schreef rector Lamers hieromtrent aan de Waterleiding, o.m.:

Ik heb in den Haag bij Minister Ruijs op 14 November 1.1. een uitvoerig schrijven privé kunnen overhandigen, waarin op een drang der Regeering wordt aangedrongen. Gaarne deze laatste phase afwachtend.

MINISTER BEMIDDELDE INZAKE BOUWPLANNEN

Haar aanleiding van de hem door rector Lamers op 14.11.1929 persoonlijk overhandigde uitvoerige brief en zijn toezeggingen dienaangaande aan de rector, richtte de minister zich (schriftelijk) tot de Vereniging met het verzoek de zg waterleiding-kwestie niet als middel aan te wenden om het gewenste gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg, tegen de laagste prijs bovendien van de heer Van Stokkum over te nemen, maar ook rekening te houden met diens belangen, m.a.w. met de door ie heer Van Stokkum op het resterende gedeelte van zijn bezit voorgenomen bouwplannen.

In haar antwoord wijst de Vereniging, bij monde van de heer van Tierhoven, de minister op het algemeen belang het bedoelde aan natuurschoon meest rijke gedeelte van De Hooge Hoenderberg ongerept te behouden. Tevens sprak de Vereniging de verwachting uit dat er spoedig een regeling gevonden zou worden zodat een accoord tot stand kwam en zij verzocht de minister dit op handen zijnde accoord nog even te willen afwachten.

OOK DE WATERLEIDING BEMIDDELDE HIEROMTRENT

Naar aanleiding van het schrijven van rector Lamers, dd 12.11. 1929 (zie Par. 12.6), dus na genoemde ruggespraak met de heer Van Stokkum, deed de Waterleiding op 13.11.1929 al een ernstig beroep op de Vereniging om de waterleidingkwestie spoedig tot een oplossing te brengen en de toestemming daarvoor niet afhankelijk te stellen van een accoord omtrent de koopsom bovendien.

Tevens herinnerde de Waterleiding er aan, dat het eerste verzoek om bedoelde toestemming werd gedaan aan de Vereniging op 22.5.1929 (zie Par. 9.9).

MINISTER MOEST WORDEN INGELICHT OVER BOUWPLANNEN

VERENIGING: “…IS EEN REGELING NIET ZOO GEMAKKELIJK DOOR ONZE VEREENIGING TE TREFFEN, OMDAT WIJ NIET ALLEEN TE BESLISSEN HEBBEN, DOCH DOOR EEN REGELING MET DEN MINISTER WIJ OOK DEZEN MOETEN INLICHTEN, WIENS GOEDKEURING EN STEUN GEVRAAGD MOET WORDEN BIJ DE UITVOERING ONZER PLANNEN…”

[Bron W] Op 18.11.1929 (vermoedelijk voordat zij bedoelde brief van het ministerie ontving, naar aanleiding van het schrijven van rector Lamers) antwoordde de Vereniging aan de Waterleiding:

In antwoord op Uw schrijven van 13 dezer willen wij U mededelen, dat de kwestie tot overname van de gronden bij Groesbeek met den Heer Van Stokkum, zeer zeker niet uit mijn gedachten is, maar toch, zooals ik U reeds heb mogen mededeelen, is een regeling niet zoo gemakkelijk door onze Vereeniging te treffen, omdat wij niet alleen te beslissen hebben, doch door een regeling met den Minister wij ook dezen moeten inlichten, wiens goedkeuring en steun gevraagd moet worden bij de uitvoering onzer plannen. Het is dus geen onwil, dat wij de regeling nog niet hebben getroffen, doch omstandigheden buiten onze wil hebben het tot nu toe onmogelijk gemaakt. Ik heb den Heer Van Stokkum geschreven om een onderhoud met hem te hebben als hij te Amsterdam komt, en ik wacht nog zijn antwoord af. Mochten wij in principe overeenstemming verkrijgen, dan zouden wij dit voorloopig schriftelijk kunnen bevestigen en dan eerst kunnen wij natuurlijk onze toestemming verleenen voor een en ander. Onbekendheid met de moeilijkheden, die onze Vereeniging bij een dusdanige regeling ondervindt, brengt de gemoederen misschien in Uw streek in beweging, doch men moet bedenken, dat grootere belangen op het spel staan dan persoonlijke. In elk geval zal ik mijn best doen om uitsluitsel te krijgen, dat voor alle partijen bevredigend zal zijn; ik weet, dat ik op Uwe medewerking een beroep mag doen, omdat ik overtuigd ben van Uw sympathie met het streven der Vereeniging, dat slechts gericht is op het algemeen belang. Vandaar, dat ik U moet melden, dat ik onmogelijk kan voldoen aan het ultimatum, als ik het zoo noemen mag van den datum, waarop U de beslissing afwacht volgens Uw schrijven. Mocht U meerdere inlichtingen willen ontvangen, zoo zouden wij met elkander door de telefoon hierover van gedachten kunnen wisselen.

SUGGESTIE MET MINISTER BESPROKEN

De in voorstaand schrijven genoemde brief aan de heer Van Stokkum welke hieronder volgt, is waarschijnlijk eveneens nog geschreven voordat de Vereniging bedoelde ministeriële brief ontving.

VERENIGING: “…OM MET HET STAATSBOSCHBEHEER TE OVERLEGGEN OP WELKE WIJZE WIJ MET U EVENTUEEL ACCOORD ZOUDEN KUNNEN KRIJGEN, ZOODAT AAN DEN EENEN KANT DE WATERLEIDINGKWESTIE, AAN DEN ANDEREN KANT DE KWESTIE VAN DE VASTSTELLING ONZER GRENZEN UIT DE WERELD ZOUDEN KUNNEN WORDEN GEHOLPEN…”

[Bron V] Op 16.11.1929 schreef de Vereniging namelijk aan Van Stokkum:

Ware het niet, dat ik de hoop koesterde U nog eens te ontmoeten, U had reeds eerder bericht van mij ontvangen over eventueele uitbreiding van het terrein van den Muntberg en Wolfsberg bij Groesbeek. Ik heb U reeds medegedeeld, dat onze Vereniging niet alleen staat bij het nemen van hare beslissing, doch dat ook het Rijk een woord heeft mee te spreken en enkele dagen geleden heb ik met den Minister over onze suggestie, die wij tezamen ter plaatse hebben besproken, van gedachten gewisseld, die natuurlijkerwijze van mij een afgerond voorstel verwachtte, doch wel sympathiek er tegenover stond. Ik stel mij thans voor om met het Staatsboschbeheer te overleggen op welke wijze wij met U eventueel accoord zouden kunnen krijgen, zoodat aan den eenen kant de waterleidingkwestie, aan den anderen kant de kwestie van de vaststelling onzer grenzen uit de wereld zouden kunnen worden geholpen. Mocht Ū in de gelegenheid zijn, als U Amsterdam bezoekt, mij even van te voren te melden waar wij elkander kunnen ontmoeten, dan doet U mij hiermede een groot genoegen. Het is een heel belangrijke zaak, die eenige voorbereiding vereischt.

BEMIDDELING MINISTER RUIJS HAD SUCCES (?)

Op 22.11.1929 vond te Groesbeek op verzoek van de heer Van Tienhoven opnieuw een ontmoeting plaats plaats tussen hem en de heer Van Stokkum, waarbij alle punten genoemd onder “Waarover gingen voornoemde moeilijkheden” (zie Par. 12.1), uitvoerig werden besproken en welke door de heer Van Stokkum ter plaatse opnieuw werden toegelicht.
Ditmaal had de heer Van Tienhoven vooral aandacht voor het, na afstand aan de Vereniging of de Staat van de gevraagde enclave van ca 70 ha, resterende gedeelte van het landgoed, welke terreinen geheel zouden worden bestemd als toeristen-centrum.

Na uitvoerige besprekingen zegde de heer Van Tienhoven aan de heer Van Stokkum toe, zo spoedig mogelijk een gunstige beschikking van de minister te bevorderen inzake de besproken tweevoudige bestemming van het landgoed, waarbij het resterende gedeelte, bij overdracht van het grootste deel als natuurreservaat, tegelijk en definitief werd bestemd tot recreatie-woongebied.

Hierdoor kon de Vereniging dan eindelijk de daarvoor gevraagde toestemming verlenen voor het o.m. leggen van de buizen en leidingen van openbare Nutsbedrijven.

Tevens zou de heer Van Tienhoven aan het Staatsbosbeheer vragen een nieuwe taxatie te maken van de opstand. Bovendien gaf de heer Van Tienhoven te kennen er niet meer aan te twijfelen dat de door de heer Van Stokkum aangeduide toegangswegen konden worden verklaard tot openbare weg en tegen het verharden ervan bestond er dan volgens hem ook geen enkel bezwaar meer.

VERENIGING: “…ER KAN DUS KWALIJK GESPROKEN WORDEN VAN TWEE TEGENOVER ELKAAR STAANDE PARTIJEN N.L. U EN WIJ, DOCH MEER VAN EEN SAMENWERKING, DIE TUSSEN ONS BEIDEN MOET BESTAAN OM DE PARTICULIERE BELANGEN VAN U SAMEN TE DOEN VALLEN MET HET ALGEMEEN BELANG…”

[Bron V] Op 23.11.1929 bevestigde de Vereniging genoemd onderhoud aan Van Stokkum:

Het deed mij genoegen U gisteren te hebben ontmoet en misschien zijn wel enkele misverstanden uit den weg geruimd, die bij U schenen te bestaan ten opzichte van de bedoelingen van onze Vereeniging, in het bijzonder omtrent de wijze, waarop zij haar doel tot behoud van de natuur en speciaal om en bij Groesbeek, tracht te bereiken. Er kan dus ook kwalijk gesproken worden van twee tegenover elkaar staande partijen n.l. U en wij, doch meer van een samenwerking, die tusschen ons beide moet bestaan om de particuliere belangen van U samen te doen vallen met het algemeen belang, dat min of meer door onze Vereeniging wordt voorgestaan. Ik heb U gisteren meegedeeld, dat ik persoonlijk, en ik vertrouw, dat het Bestuur hierin met mij meegaat, mij zeer zou verheugen, indien de bezittingen Muntberg en Wolfsberg vergroot zouden kunnen worden met een deel van Uw bezitting, groot ca. 70 H.A., zooals wij hebben afgesproken en waarvan de grens loopt langs den Sanatoriumweg. Aangezien dit schrijven slechts voorlopig is behoef ik niet nader de grens aan te duiden, omdat deze ons beiden en ook de andere heeren, die aanwezig waren, toen wij Uw terrein bezochten, bekend is. U weet echter, dat ook de Regeering een soort medezeggenschap heeft in de daden, die wij te Groesbeek verrichten en ik moet dus, als wij de plannen tezamen hebben vastgesteld en accoord hebben verkregen, met de Regeering voeling houden om haar medewerking te krijgen. Dit zij voorop gesteld bij onze besprekingen. Ik heb U medegedeeld, dat ik bereid ben aan het Staatsboschbeheer een nieuwe taxatie van Uw terrein te vragen, met het oog op de taxatie van vroeger, welke voor dit terrein ongeveer (bedrag) bedroeg. Om kort te gaan, ik ben bereid om aan ons Bestuur voor te stellen om, onder nadere goedkeuring van het Rijk, U voor dit terrein (bedrag) te geven, en daarenboven het recht om de buizen van de waterleiding te leggen door ons terrein, als vroeger aan ons gevraagd, en U tevens, ten behoeve van Uw terrein, vrijen overgang te verleenen over den weg, zooals aangegeven staat in het schrijven, ontvangen van de Waterleiding Borg on Dal, op 22 Augustus, welk schrijven U bekend is (zie Par. 11.6 – vSt). Ik veroorloof mij ook U erop opmerkzaam te maken, dat, zoo misschien in het bovenstaande niet de prijs wordt belichaamd, die U zich voor ogen stelde, een groot voordeel voor U is gelegen in het ontvangen van deze som om deze rentegevend te maken, zoodat na eenige jaren deze som met rente ongeveer zal gelijk komen met het bedrag, door U voorgesteld. Daarenboven zullen, indien dit terrein natuurmonument geworden is, de andere terreinen van U in waarde stijgen, omdat de bewoners tenvolle kunnen genieten van Uw ongerept groot stuk terrein en de kwestie van de waterleiding wordt dan ook op aangename wijze opgelost. Indien U voor Uw familie in dit terrein een gedeelte voor gebruik wilt afzonderen, zoo acht ik dit geen onoverkomelijk bezwaar voor het tot stand komen van deze transactie. Dit zijn echter secundaire punten, die wij met elkander kunnen bespreken, indien wij het over de hoofdzaak eens zijn geworden. In elk geval stel ik er prijs op U nogmaals te verzekeren, dat het ’doel, dat ik voor oogen heb, is om mijn bemiddeling te verleenen om met Uw hulp en medewerking een bevredigende oplossing te vinden voor beide partijen. Ik zou het waarderen om wan U te mogen vernemen of U, op basis van het bovenstaande, ons in de gelegenheid wilt stellen, de verdere stappen tot verwezenlijking te doen.

COMMENTAAR OP VOORGESTELDE KOOPSOM

VAN STOKKUM: “…UWE ANDERE OPMERKING, WAARDESTIJGING VAN DE HIJ OVERBLIJVENDE CA 40 H.A. INDIEN HET ZOOVEEL GROOTERE DEEL NATUURMONUMENT IS GEWORDEN, OMDAT DE B E W O N E R S DAARVAN TEN VOLLE KUNNEN GENIETEN EN DE KWESTIE VAN DE WATERLEIDING DAN OOK OP AANGENAME WIJZE WORDT OPGELOST…”

Op deze manier schreef de heer Van Stokkum de Vereniging letterlijk ná, in zijn hieronder volgend antwoord en zonder twijfel doelden beiden daarbij op het tegelijk en definitief als recreatie-woongebied bestemmen van het gehele resterende gedeelte van het landgoed, waarvan de toekomstige “bewoners” immers konden gaan genieten van het ca 70 ha grootte ongerept stuk bos dat de heer Van Stokkum met die bestemming zou afstaan …

[Bron V] Op 25.11.1929 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging, naar aanleiding van haar voorstaand schrijven dd 23.11.1929.

In dit uitvoerig commentaar gaf de heer Van Stokkum te kennen niet te kunnen inzien, waarom het leggen van leidingen van openbare Nutsbedrijven in de terreinen van de Vereniging of de Staat noodzakelijk gepaard moest gaan met het ver onder de waarde verkopen van het grootste gedeelte van zijn bezit aan de Vereniging of de Staat.

Voor de twee eerder verkochte terreinen van resp. 9,5 en 4,5 hectare, aan rector Lamers van St. Bonifacius- en de St. Reinildastichtingen, ontving hij, in vergelijking met hetgeen door de Vereniging voor 70 ha als waarde werd toegekend, resp. 2 x en zelfs 3 x dat door de Vereniging genoemde bedrag (per hectare), doch die opvallend hogere prijzen waren, aldus de heer Van Stokkum, allerminst een gevolg van de aankoop van de omliggende terreinen door de Vereniging, met name de Muntberg en de Wolfsberg, of omdat de houtopstand op voornoemde terreinen van resp. 9,5 en 4,5 ha van hoger waarde zou zijn maar, alleen en uitsluitend, omdat zijn landgoed, het terrein zelf, die hogere prijzen gemakkelijk deden verkrijgen en de betreffende kopers die prijzen blijkbaar billijk achtten.

Het ging daarom niet voornamelijk om de waarde van de houtopstand, maar om die van het terrein zelf, de grond, alsook om de bijzonder gunstige ligging ervan als vacantieoord.

Dat het direct rentegevend maken van die veel te lage koopsom, na enige jaren, deze som met rente, ongeveer gelijk zou komen met het door hem zich voorgestelde bedrag, was, aldus de heer Van Stokkum, om twee voor de hand liggende redenen al niet steekhoudend:

  1. omdat de als koopsom toegekende waarde blijkens de eerder verkochte twee genoemde terreinen feitelijk 1/3 der waarde van dat ogenblik uitmaakte;
  2. omdat de waardestijging van de grond en de opstand niet plotseling eindigde op het moment van de overdracht aan de Vereniging of de Staat, doch nadien stellig blijft toenemen.

en letterlijk vervolgde de heer Van Stokkum:

Uwe andere opmerking, waardestijging van de mij overblijvende + 40 H.A. indien het zooveel grootere deel natuurmonument is geworden, omdat de bewoners daarvan ten volle kunnen genieten en de questie van de waterleiding dan ook op aangename wijze wordt opgelost, lijkt mij beter, ofschoon de aankoop der omliggende landgoederen door Uwe Vereeniging mij nog geen voordeelen bracht, wèl langdurige, groote, moeilijkheden en schaden, zowel voor mij als voor de besturen der St. Bonifaciusen St. Reinildastichtingen. – Het zij mij vergund U, in verband met Uw voornemen aan het Staatsboschbeheer eene taxatie van het onderwerpelijke terrein aan te vragen, voor te stellen den Heer Van Dissel te verzoeken persoonlijk met mij een nauwkeurig onderzoek te willen instellen. Wat de houtopstand betreft beschik ik o.m. over de juiste oppervlakten van alle boschvakken. Naar mijn bescheiden meening is het voor de betrokken partijen een voordeel dat de Heer Van Dissel bij deze aangelegenheid betrokken is. Ik zal het op hoogen prijs stellen als U en de Heer Van Dissel eene zoodanige regeling mogelijk zouden willen maken, omdat ik overtuigd ben dat ook den Heer Van Dissel veel zal kunnen bijdragen tot het verkrijgen van een resultaat dat alle betrokkenen kan bevredigen. Ik kan mij tenminste niet voorstellen dat de Heer Van Dissel en ik het over de waarde van den houtopstand dan niet eens zullen worden. Naar ik hoop zullen U, de Heer Van Dissel en ik daarbij tevens, al is het dan niet omtrent de waarde van het terrein, dan toch omtrent koopprijs en voorwaarden, tot overeenstemming geraken.

MENINGSVERSCHIL OMTRENT OPPERVLAKTE

Het voorstel van de heer Van Stokkum, dat namens hem werd overgebracht aan de Vereniging door de heer Tesser, directeur der Waterleiding (zie onder “Van Stokkum bood gehele enclave aan”, Par. 11.6), alsook het schrijven van de Vereniging aan de heer Van Stokkum dd 23.11.1929 (zie in Par. 12.12), gingen uit van een oppervlakte van ca 70 hectare en deze oppervlakte van dit als natuurreservaat te bestemmen gedeelte werd plotseling oorzaak tot misverstand, ten aanzien van de door de Vereniging voorgestelde koopsom.

Noemde de heer Van Stokkum in zijn voorstel uitsluitend een prijs per hectare, de Vereniging daarintegen sprak aanstonds over een koopsom voor het gehele (door haar en het Staatsbosbeheer gevraagde) gedeelte en noemde een oppervlakte van ca 70 hectare.

Het Staatsbosbeheer baseerde zich bij een ruwe berekening van de oppervlakte op de stafkaart, waar de Vereniging het door haar gewenste terreingedeelte op had aangegeven, en schatte dat op ca 75 hectare (zie brief Staatsbosbeheer aan de Vereniging dd 24.9.1929 aan het eind van Par. 12.1).

Dit verschil in oppervlakte van ca 5 hectare vroeg de heer Van Stokkum, aan de hand van de door hem opgegeven prijs per hectare, te verrekenen. Doch de Vereniging, gesteund door het Staatsbosbeheer, hield voet bij stuk en bleef uitgaan van een totaalbedrag als koopsom voor het gehele aangeduide terreingedeelte, onverschillig het meer of minder daarvan. Dit geschilpunt vertraagde niet alleen de verdere afwikkeling met het Departement, doch hield eveneens de waterleidingkwestie slepende.

“ONS STERKSTE WAPEN, DAT WIJ NIET UIT HANDEN GEVEN…”

Dit schreef de Vereniging over de waterleidingkwestie aan het Staatsbosbeheer in haar onderstaande brief.

[Bron V] Op 28.11.1929 schreef de Vereniging aan het Staatsbosbeheer, o.m.:

Deze zaak laat mij niet met rust en ik heb na ons bezoek van 14 Augustus, zooals U weet, een schrijven ontvangen van den Heer Tesser, dd. 22 Augustus (zie onder “Van Stokkum bood gehele enclave aan”, Par. 11.6 – vSt.), bevestigende, dat de Heer Van Stokkum bereid was om het terrein, dat wij met elkander hebben aangeduid, te verkoopen. Daarop is nog een briefwisseling gevolgd en het einde is geweest, dat ik ongeveer een week geleden een ernstig verzoek kreeg om de waterleidingkwestie in orde te maken. Ik heb aan den Heer Van Stokkum geschreven om hem wat murm te maken en daarop hem verzocht om met mij samen te komen, welke ontmoeting heeft plaatsgevonden op 22 November j.l. Daarop schreef ik hem op 23 November (zie Par. 12.12 – vSt.) en uit mijn schrijven zult U mijn standpunt volkomen kunnen opmaken en zien, hoe ik op alle mogelijke wijzen getracht heb om den Heer Van Stokkum voor onze gedachten te winnen. Ik vermoed, dat als wij voet bij stuk houden en het door mij genoemde bedrag van (bedrag) als maximum aannemen, de Heer Van Stokkum wellicht een regeling zal willen treffen op onze basis. Gedachtig aan het spreekwoord “Suaviter mode fortiter in re” moeten wij beiden trachten met den Heer Van Stokkum een accoord te krijgen en ik weet zeker, dat de Regeering de belangrijkheid van deze transactie zal inzien en ons zal bijstaan met het geven van een bedrag ter bestrijding van de kosten van de koopsom, doch dit is natuurlijk van later zorg. De waterleidingkwestie moet natuurlijk rusten tot wij met den Heer Van Stokkum accoord hebben verkregen en dit kan ook best, aangezien de Heer Van Stokkum spreekt van een beslissing van vóór 1 Januari e.k. Het is ons sterkste wapen, dat wij niet uit handen moeten geven. Het is vervelend, dat de bewoners van Groesbeek en omgeving, die niet op de hoogte zijn van ons streven in het algemeen belang, ongeduldig worden, wat de waterleiding betreft, maar daar kunnen wij nu niets aan doen. Wij moeten trachten datgene te volbrengen wat later door iedereen zal worden toegejuicht. Wil mij morgenochtend, indien het U mogelijk is, even opbellen vóór half elf, om mij mede te deelen of U bereid zijt met de Heer Van Stokkum ter plaatse de terreinen op te nemen, of wel op een andere plaats met hem van gedachten te wisselen. Misschien is het laatste het beste, dat wij b.v. in den Haag bij elkander komen, hetgeen voor U, den Heer Van Stokkum en mij het gemakkelijkste is. Of hebt gij een andere meening, dan verneem ik dit gaarne. Ik zal, zoodra ik van U antwoord heb, direct aan den Heer Van Stokkum schrijven.

Dezelfde dag stelde de Vereniging ook de Waterleiding op de hoogte van de stand der onderhandelingen met Van Stokkum, in aansluiting aan haar schrijven van 18.11.1929, zie Par. 12.10.

[Bron V] Op 28.11.1929 schreef de Vereniging aan de Waterleiding:

In aansluiting aan mijn schrijven van 18 November heb ik thans het genoegen U mede te deelen, dat ik een onderhoud had met de Heer Van Stokkum, naar aanleiding waarvan ik hem een brief schreef op 23 November (zie Par. 12.12 – vSt.), welk schrijven door hem werd beantwoord op 25 November (zie onder “Commentaar op voorgestelde koopsom”, Par. 12.13 – vSt.). Omdat U zulk een bijzonder belang stelt in deze kwestie en wij Uw hulp in deze zoo moeilijk kunnen ontberen, zend ik U ter lezing de copieën van deze beide brieven toe. Ik heb thans aan den Heer Van Dissel gevraagd of het hem mogelijk zou zijn om met den Heer Van Stokkum over den prijs te onderhandelen. Ik denk, dat de Heer Van Stokkum wel bereid zal zijn ten slotte voor een bedrag van (bedrag) het terrein aan ons over te doen, nu hij in zijn schrijven aan U van 22 Augustus een prijs noemde van (bedrag) ongeveer (zie onder “Van Stokkum bood gehele enclave aan”, Par. 11.6 – vSt.). De Heer Van Stokkum begint nu weer met een veel hooger cijfer en dat maakt de afdoening steeds moeilijker en langduriger (zie onder “Meningsverschil omtrent oppervlakte”, Par. 12.14 – vSt.), doch laten wij hopen, dat, als alle handen in elkander worden gelegd en er een aangename samenwerking bestaat, een oplossing kan worden gevonden. Wilt U mij de copieën van mijn brieven terugzenden als U er kennis van hebt genomen en houd mij op de hoogte van hetgeen voor verdere onderhandelingen voor ons van belang kan zijn.

SCHERP ANTWOORD WATERLEIDING AAN VERENIGING

DE WATERLEIDING: “…ONZE PERSOONLIJKE MEENING GEVENDE, MOETEN WIJ ONS STELLEN AAN DE ZIJDE VAN HEN, DIE HET EERSTE STANDPUNT INNEMEN. ZULKS TEMEER, OMDAT UW BEZWAREN NIET TEGEN DE EIGENLIJKE WATERLEIDING ALS ZOODANIG ZIJN, OF GERICHT KUNNEN ZIJN, DOCH U MET HET GEVEN VAN UW TOESTEMMING EEN, OP ZICHZELF PRIJZENSWAARDIG, NEVENBELANG TRACHT TE BEREIKEN…”

(Zie in dit verband onder “Waarover gingen voornoemde moeilijkheden?”, Par. 12.1)

[Bron W] Op 3.12.1929 schreef de Waterleiding – in antwoord op haar schrijven van 18.11.1929, Par. 12.10 – aan de Vereniging:

Uw brief dd. 18 November 1929 heeft bij de betrokkenen een zeer slechten indruk gemaakt. Het principieele standpuntverschil in deze kwestie is n.l. dat de betrokken eigenaren, de Gemeenten en het Bestuur onzer Stichting, van meening zijn, lat het niets meer of minder dan een moreele plicht Uwer Vereeniging (als semi-overheidsinstelling) is, om de gevraagde toestemming zonder fnuikend oponthoud te verleenen. Terwijl U zich op het standpunt stelt, dat het Uwe Vereeniging even vrijstaat, om dit verzoek niet in te willigen. Onze persoonlijke meening gevende, moeten wij ons stellen aan de zijde van hen, die het eerste standpunt innemen. Zulks temeer, omdat Uw bezwaren niet tegen de eigenlijke waterleiding als zoodanig zijn, of gericht kunnen zijn, doch U met het geven van Uw toestemming een, op zichzelf prijzenswaardig, nevenbelang tracht te bereiken. Nu wij echter kennisnemen van de correspondentie en den stand der onderhandelingen met den Heer Van Stokkum, vinden wij het beter en meer in het belang van alle partijen, om den uitslag dezer onderhandelingen af te wachten, teneinde aan Uwe Vereeniging de kans te geven, met den Heer Van Stokkum en ook met onze Waterleiding, tot een prettige oplossing te komen, doch U gelieve toch vooral te bedenken, dat dit niet opnieuw een jaar moet duren. Zou het bovendien geen veel betere inleiding voor alle onderhandelingen zijn, indien Uwe Vereeniging begint met aan de Stichting De Waterleiding Berg en Dal te Ubbergen, reeds terstond de gevraagde toestemming tot het hebben en houden van buizen te verleenen? Deze geste is toch veel loyaler en zal toch zeer zeker de onderhandelingen in een gezondere atmosfeer doen plaats vinden?

AFLOOP ONDERHANDELINGEN TOCH AFWACHTEN

[Bron W] Op 14.12.1929 schreef Van Stokkum hieromtrent aan de Waterleiding:

Onder dankbetuiging voor de toezending heb ik de eer U de goede ontvangst te berichten van den doorslag van Uw schrijven dato 3 dezer aan den Heer Van Tienhoven, waarvan ik met groote belangstelling kennis nam. Bij de op 11 dezer tusschen de Heeren Van Dissel, Van Tienhoven en mij gevoerde bespreking deelde de Heer Van Tienhoven o.a. mede, dat Z.Ed. van U hem zeer onaangename brieven had ontvangen en hij bereid is de zaak thans zoo vlug mogelijk te willen regelen. Ik drong toen óók nog eens op het onmiddellijk, zonder verder uitstel, verleenen der gevraagde toestemming aan. De Heer Van Tienhoven antwoordde dat hem zulks onmogelijk is en hij U dan ook verzocht om nog even den afloop zijner onderhandelingen met mij af te wachten. Ik deed bereids een bijzonder billijk voorstel, dat de Heeren nader wenschen te onderzoeken. Onvoorziene omstandigheden voorbehouden, vinden op 28 dezer verdere besprekingen plaats. Ik hoop dan met de Heeren tot overeenstemming te kunnen geraken, en zal U nader berichten.

Dit “nader bericht” over bedoelde besprekingen op 28.12.1929, waarbij tussen de betrokken partijen een accoord tot stand kwam, zond de heer Van Stokkum aan de Waterleiding op 8.1.1930, zie in Par. 13.10.

RUSTHUIS EIGEN WATERINSTALLATIE?

[Bron W] Op 21.12.1929 schreef rector Lamers aan de Waterleiding, o.m.:

Uit het schrijven van den Heer Van Stokkum lijkt het mij toch nog waarschijnlijk, dat er een oplossing komt. Intusschen – het heeft al zoo lang geduurd – moest ik voor mij zelf gaan zorgen. En dat is nu langzamerhand voorbereid, zoodat ik dezer dagen zal beslissen. Heden is n.l. de eigen electrische installatie gereedgekomen. Ik heb hiervoor o.a. een flinke benzine motor, die – U begrijpt – ook voor andere doeleinden kan gebruikt worden. Verder ben ik gedwongen (na 6 maanden uitstel) te beslissen omtrent de pompinstallatie van aannemer Braam. Ik heb ze moeten koopen, omdat ik anders geen water had. Nu komt dus voor mij de vraag: eigen waterinstallatie of niet. En U ziet, ik ben reeds voor de helft met de oplossing klaar, al is dit gedwongen. Ook in dit geval wil ik dezer dagen beslissen over voor- en nadeelen overwegen.

HOOFDSTUK 13

AFSPRAKEN VOOR GROESBEEK OP 28.12.1929

[Bron S] OP 14.12.1929 schreef Van Stokkum aan het Staatsbosbeheer:

Uw geëerd schrijven van 12 dezer ontvangen en nam ik in dank goede nota van Uwe mededeeling dat U bereid zijt Zaterdag 28 December naar Groesbeek te komen. In verband met Uwe mededeeling dat U te 9 uur v.m. te Nijmegen kunt zijn, ben ik voornemens den 27en des ochtends naar Groesbeek te vertrekken. Ik kan dan eerst mijne andere zaken daar regelen en U Zaterdag ochtends aan Station Nijmegen (te 8.40 of 8.52 b.v.) per auto komen afhalen. Indien U mij vóór den 27en geen bericht meer doet toekomen, hoop ik U dus den 28en dezer vanaf des ochtends 8.40 bij den uitgang van het station te Nijmegen op te wachten.

[Bron V] Op 16.12.1929 schreef de Vereniging hierover aan Van Stokkum:

Van den Heer Van Dissel vernam ik, dat hij met U afsprak om Zaterdag 28 December naar Groesbeek te gaan. Ik zal ook dien dag probeeren te komen om te zien of wij accoord met elkander kunnen krijgen. Wil mij echter nog even opgeven de wegen waarover U sprak die langs onze terreinen liggen en die U gaarne als openbare weg beschouwd zoudt willen zien. Misschien is het het beste, dat U op een klein kaartje met een roode of blauwe lijn aangeeft over welke wegen het gaat. Het zijn immers de grenswegen langs onze terreinen?

[Bron S] Op 24.12.1929 schreef het Staatsbosbeheer aan de Vereniging:

Gaarne zou ik nog even van U vernemen, waar en hoe laat de Heeren Van Stokkum en Perk en ik U Zaterdagmiddag 28 December a.s. te Groesbeek kunnen treffen.

[Bron S] Op 24.12.1929 schreef het Staatsbosbeheer hierover nogmaals aan Van Stokkum:

Ik heb de eer U mede te deelen dat ik Zaterdag 28 December met den trein van 8.58 te Nijmegen hoop aan te komen; indien dit voor U geen bezwaar oplevert stel ik het natuurlijk zeer op prijs, dat U mij met Uwe auto komt afhalen. Ik heb den Heer Van Tienhoven gevraagd mij te berichten, hoe laat en waar wij elkaar te Groesbeek zullen treffen.

[Bron V] Op 23.12.1929 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging:

Ingevolge Uw geëerd schrijven van 16en dezer heb ik het genoegen U bijgesloten kaartje weder te doen toekomen, thans voorzien van de gevraagde gegevens. Ten Uwen dienste bovendien nog een duplicaat.
1. De in Art. 3 bedoelde weg gaf ik aan met doorgaande blauwe lijn (bedoeld werd, de aan te leggen weg breed 8,5 m, langs het tracé der waterleiding, de zg Oost-Westlaan – vSt.).
2. Het tot de Wolfsberg behoorende gedeelte der Biesseltsche straat (bedoeld werd, vanaf de spoorwegovergang tot aan de Heumensebaan – vSt.).
3. Het gedeelte der Spoorlaan (bedoeld werd, de weg langs het spoorravijn; vanaf de spoorbrug over het ravijn tot aan de Sanatoriumweg – vSt.) en
4. Het kleine gedeelte der Bruglaan (bedoeld werd, vanaf de spoorbrug over het ravijn tot aan de Heumensebaan – vSt.).
5. De aan de gemeente Nijmegen behoorende, voor autoverkeer geschikten weg, welke ik gaarne tot publieke weg verklaard zie, met rechtverleening tot verharden, gaf ik aan met blauwe stippellijn.
6. Het tot het landgoed De Muntberg naar mijne meening behoorende gedeelte der Biesseltsche straat, dat door Uwe Vereeniging bij niet binnen den overeengekomen tijd tot publieken weg verklaren van den met blauwen stippellijn aangegeven weg, eveneens tot een breedte van 7,50 M. voor auto’s berijdbaar te maken zou zijn, met verleening van het recht dit weggedeelte te verharden, gaf ik aan met een roode stippellijn. De grens aan Emileweg en Sanatoriumweg is te stellen op 5 Meter vanuit het midden van deze wegen, dus niet op de helft dezer wegen. Het door U gewenschte terrein heeft dan nog een oppervlakte van + 75.5400 hectaren. Ik hoop dus ook U a.s. Zaterdag te Groesbeek te mogen ontmoeten.

HERTAXATIE OPSTAND

Ingevolge het verzoek van de heer Van Stokkum aan de Vereniging in zijn brief met commentaar op de door de Vereniging, na overleg met het Staatsbosbeheer, voorgestelde koopsom, dd 25.11.1929 (zie Par. 12.13), vond op genoemde zaterdag, 28.12.1929, des morgens allereerst een hertaxatie van de opstand plaats door de heren Van Dissel, Perk en de boswachter van de Vereniging Brinksma, waarbij de heer Van Stokkum tegenwoordig was.

OFFICIELE ONDERHANDELINGEN OP 28.12.1929

Op 28.12.1929 vonden des namiddags in hotel “Gelria” te Groesbeek vervolgens de officiële en beslissende onderhandelingen plaats uiteraard over de koopsom, doch voornamelijk over de voorwaarden waaronder de heer Van Stokkum slechts bereid was a f s t a n d te doen van het door de Vereniging en het Staatsbosbeheer gewenste grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg.

Het gedeelte dat als een enclave tussen de terreinen van de Muntberg en de Wolfsberg was gelegen en dat “zo het als BOUWTERREIN IN EXPLOITATIE werd gebracht, het de ongereptheid ook van de reeds in handen der Vereniging zijnde goederen zou bedreigen” (dit verklaarden de ministers van Binnenlandse Zaken en Landbouw en van Financiën, in januari 1930 in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ter beantwoording van door het lid, de heer Hiemstra, nader gestelde vragen inzake de landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg onder Groesbeek – zie Par. 14.4).

DEELNEMERS DEZER ONDERHANDELINGEN

  1. de heer E.D. van Dissel, in zijn functie van directeur van het Staatsbosbeheer, voor de minister;
  2. de heer mr. P.G. van Tienhoven, in zijn functie van voorzitter van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland en, volgens zijn verklaringen tevens voor de minister;
  3. de heer P.J.M. van Stokkum, eigenaar van het landgoed De Hooge Hoenderberg te Groesbeek;
  4. in bijzijn van de heer J.H. Perk, technisch ambtenaar van het Staatsbosbeheer (van wie de heer Van Stokkum, op zijn verzoek, in 1948 een schriftelijke bevestiging ontving over de navolgende voor de minister officieel afgelegde verklaringen n.l.: “feiten zijn overeenkomstig de waarheid” zie Par. 19.5).

BASIS DEZER ONDERHANDELINGEN

Deze onderhandelingen te Groesbeek op zaterdagmiddag 28.12.1929 tussen voornoemde partijen gingen uiteraard over alle punten genoemd onder “Waarover gingen voornoemde moeilijkheden?” (zie Par. 12.1).

In vele gevallen was daarover al gecorrespondeerd, o.m. in de eerder geciteerde brieven waarvan hier enkele details volgen:

  1. dd 22.7.1929 (zie onder “Hoofdgebouw meer westelijk”, Par. 11.2), waarin Van Stokkum wel tegemoet kwam aan het ernstige verzoek der Vereniging en het Staatsbosbeheer en toezegde om een STORENDE BEBOUWING VAN HET MIDDENGEDEELTE TE LATEN VERVALLEN, DOOR ZIJN TWEE TE BEBOUWEN TERREINEN VEEL KLEINER TE PROJECTEREN (zie onder “Van Stokkum deed voorstel”, Par. 10.2), maar waarin hij nog met geen woord repte over het eventueel door hem a f s t a a n van genoemde enclave; dat middengedeelte wilde hij nog behouden, slechts een brede strook ter grootte van ca 20 ha afstaan;

  2. dd 25.7.1929 (Par. 11.4), waarin de Vereniging op het bovengenoemde voorstel van Van Stokkum antwoordde, EERST MET DE DIRECTEUR VAN HET STAATSBOSBEHEER TE WILLEN NAGAAN OF HET GEDEELTE, DAT VAN STOKKUM ON B E B O U W D WILDE LATEN, WEL GROOT GENOEG WAS OM TEGEMOET TE KOMEN AAN DE DOOR VAN STOKKUM GEVRAAGDE CONCESSIES TEN AANZIEN VAN HET RESTERENDE GEDEELTE, welke brief zij besloot met “EEN ZOO BIJ UITSTEK BELANGRIJKE KWESTIE VAN DE BEBOUWING DER TERREINEN VAN DEN HOOGEN HOENDERBERG BEHOORT NIET IN EEN VLOEK EN EEN ZUCHT DOORGEDREVEN TE WORDEN. NOODIG IS AMPEL OVERLEG EN OVERWEGING EN HIERTOE ZIJN WIJ NATUURLIJK BEREID.”

    (Over dit plaatselijk onderzoek en gevoerde besprekingen, zie onder “Sanatoriumweg grens te bebouwen gedeelte”, Par. 11.5);

  3. dd 22.8.1929 (Par. 11.6), waarin Van Stokkum zich bereid verklaarde onder bepaalde voorwaarden een veel groter gedeelte, n.l. ca 70 hectare af te staan aan de Vereniging of de Staat.
    In dit verband zijn twee te BEBOUWEN TERREINEN OPNIEUW KLEINER PROJECTEERDE overeenkomstig het verzoek der Vereniging en het Staatsbosbeheer.
    In dit voorstel noemde Van Stokkum voor het eerst een verkoopprijs en wel per hectare, terwijl zijn voorstel tevens de gehele gevraagde enclave omvatte;

  4. dd 24.9.1929 (eind van Par. 12.1, waarin het Staatsbosbeheer aan de Vereniging schreef “dat het bezit van dit terrein van bijzonder groot belang is”. En vaststelde, dat daar reeds door een stichting werd gebouwd “en er allicht meer zullen volgen”;

  5. dd 26.9.1929 (Par. 12.2), waarin de Vereniging antwoordde aan het Staatsbosbeheer “Ik ben het geheel met U eens, dat het door den Heer Van Stokkum aangeboden terrein een zeer welkome uitbreiding en a f r o n d i n g van het gebied zou zijn”;

  6. dd 25.9.1929 (Par. 11.7), waarin de Vereniging naar aanleiding van het voorstel van Van Stokkum antwoordde, dat ten aanzien van de door hem gestelde voorwaarden op voorhand een gunstige beschikking van de minister moest worden verkregen (zie hieromtrent ook de brief van de Vereniging aan de Waterleiding, dd 18.11.1929, Par. 12.10);

  7. dd 23.11.1929 (Par. 12.12), waarin de Vereniging, na overleg met het Staatsbosbeheer, voor de gehele gewenste enclave van ca 70 hectare waarvan de grenzen door haar tezamen met het Staatsbosbeheer ter plaatse officieel werden vastgesteld op 14.8.1929 (zie Par. 11.5) een koopsom voorstelde van 173 der toen geldende waarde. Terwijl zij dit voorstel motiveerde door o.m. het verlenen van haar toestemming (ruil) tot de aanleg der bewuste waterleiding in haar terreinen, zodat zij en het Staatsbosbeheer dan accoord zouden gaan met het als b o u w t e r r e i n bestemmen van het gehele resterende gedeelte van het landgoed, waarvan de WAARDE daardoor ZOU STIJGEN, ook omdat de B E W O N E R S ervan, volgens haar, ten volle konden gaan genieten van het door VAN STOKKUM aan de Vereniging of de Staat afgestaan groot stuk ongerept bosgebied.
    De Vereniging achtte het voorts geen onoverkomelijk bezwaar indien van dat resterende en geheel te bebouwen terrein, een gedeelte VOOR LATER GEBRUIK DOOR DE FAMILIE VAN STOKKUM ZOU WORDEN AFGEZONDERD.
    Vervolgens stelde de Vereniging in deze brief vast, dat er ten aanzien van de tweevoudige bestemming van de terreinen een samenwerking tussen haar en Van Stokkum moest bestaan, waarbij zijn particuliere belangen samen dienden te vallen met het algemeen belang, welke samenwerking tevens de basis moest vormen bij de verdere stappen tot verwezenlijking van een bevredigende oplossing voor de betrokken partijen. Dat bij een accoord met Van Stokkum ook nog de goedkeuring was vereist van de Regering, die in haar DADEN te Groesbeek medezeggenschap had, stelde de Vereniging in deze brief nogmaals nadrukkelijk voorop.

  8. dd 25.11.1929 (Par. 12.13), waarin Van Stokkum zijn uitvoerig commentaar gaf op de door de Vereniging voorgestelde koopsom voor de genoemde ca 70 ha van 1/3 der toen geldende werkelijke waarde van die grond en hij o.a. vroeg om een hertaxatie van de opstand door de heer Van Dissel persoonlijk. Deze brief besloot Van Stokkum: “Naar ik hoop zullen U, de heer Van Dissel en ik daarbij tevens, al is het dan NIET omtrent de WAARDE van het terrein, dan toch omtrent koopprijs en v o o r w a a r d e n tot overeenstemming geraken”;

  9. dd 23.12.1929 (einde van Par. 13.1), waarin Van Stokkum op het verzoek van de Vereniging, deze opgave deed van de door hem bedoelde toegangswegen welke over de eigendommen van haar of van de Staat liepen, maar welke ten behoeve van het te stichten vacantie-dorpje op de resterende terreinen voor autoverkeer moesten worden geschikt gemaakt en tot openbare wegen verklaard. Deze wegen gaf Van Stokkum bovendien aan op een bijgevoegd kaartje.

ONDERHANDELINGEN EN DOORSLAG TOT ACCOORD

(De tussen haakjes geplaatste getallen in de tekst duiden op de nummers waarmede de brieven zijn aangegeven in Par. 13.5)

Na langdurende onderhandelingen aanvaardde de heer Van Stokkum de door de Vereniging in haar brief (7) voorgestelde koopsom, waartoe hij “onder normale omstandigheden niet te vinden zou zijn geweest” (zie zijn brief aan de Waterleiding, dd 8.1.1930, in Par. 13.10).

Des morgens was, naar aanleiding van zijn verzoek (8), tijdens een summiere hertaxatie van de opstand, door de heren Van Dissel, Perk en Brinksma, met de heer Van Stokkum overeengekomen dat het voor de opstand bepaalde bedrag iets werd verhoogd, hetgeen neerkwam op ongeveer 6% van de door de heer Van Stokkum reeds aanvaarde koopsom, zodat hij in feite genoegen nam met een koopsom van ca 18% b e n e d e n zijn reeds uiterst laag gestelde vraagprijs per hectare (3); van de door hem al eerder gevraagde tegemoetkoming, eveneens genoemd in zijn desbetreffende voorstel (3) had de heer Van Stokkum toen reeds afgezien.

Met genoemde koopsom van 1/3 der werkelijke waarde van dat tijdstip nam de heer Van Stokkum genoegen, omdat hij het met de heren Van Dissel en Van Tienhoven in principe eens was, dat het onderwerpelijke gedeelte van zijn bezit, dat als een enclave tussen de Muntberg en de Wolfsberg was gelegen en welke terreinen inmiddels voor de toekomst behouden zouden blijven, beter voor altijd o n g e r e p t met elkaar verbonden konden worden dan gedeeltelijk bebouwd zoals zijn aanvankelijke opzet was (zie onder 3 van Par. 8.12).

Voorts aanvaardde de heer Van Stokkum genoemde koopsom ook in het algemeen belang dat met dit behoud werd voorgestaan, doch stelde daarbij nogmaals met grote nadruk dat de “waardevaststelling en prijsstelling” door het Staatsbosbeheer van de grond zowel als van de opstand (7) veel en veel te laag waren, ook na de geringe tegemoetkoming van die ochtend voor de meerwaarde van de opstand. Hij bleef bij hetgeen hij de Vereniging hierover in zijn uitvoerig commentaar schreef (8).

Doch de hoer Van Stokkum was het geheel eens met de opvatting van de heren, dat het resterende gedeelte in waarde zou stijgen door het officieel aanvaarden van de voorwaarden door hem gesteld, in aanmerking genomen de toegezegde royale medewerking van de overheid (7 + 8), in verband waarmede het gehele resterende gedeelte zou kúnnen worden bebouwd. Dit laatste punt gaf daarom bij de heer Van Stokkum de doorslag accoord te gaan met de in eerste instantie door de Vereniging voorgestelde koopsom van 1/3 der waarde.

ACCOORD VAN 28.12.1929

(De tussen haakjes geplaatste getallen in de tekst duiden op de nummers waarmede de brieven zijn aangegeven in Par. 13.5)

Doorslaggevend voor het aanvaarden van de koopsom van 1/3 der waarde, waren daarom de voor de minister tegenover de heer Van Stokkum officieel afgelegde verklaringen door voornoemde heren Van Tienhoven en Van Dissel, o.m.:

  1. dat deze welkome uitbreiding met ca 75 hectare tevens de definitieve “afronding” van het als natuurreservaat te bestemmen gebied was (5), dat als scheiding der genoemde tweevoudige bestemming van het gehele landgoed de “Sanatoriumweg” zou worden aangehouden (2), dat voor de resterende terreinen de besproken verkavelingen en bouwplannen – of het met die bestemming afzonderen van een gedeelte ervan voor de familie Van Stokkum – zonder enige beperking dadelijk of later konden worden gerealiseerd (7), ook omdat de overheid op dat resterende gedeelte nimmer aanspraken meer zou maken als natuurreservaat of dergelijke, zodat dit resterende gedeelte tegelijk bij de overdracht der genoemde ca. 75 ha aan de Vereniging of de Staat definitief werd bestemd als bouwterrein, doch dat daarop het natuurschoon zoveel als enigszins mogelijk gespaard moest blijven en de te bouwen opstallen in overeenstemming met het landschap;

  2. dat toestemming en volle medewerking werd toegezegd, overeenkomstig het schrijven van de heer Van Stokkum met bijgevoegd kaartje (9), dat de genoemde toegangswegen, welke alle over de eigendommen liepen van de Vereniging of de Staat, voor autoverkeer geschikt zouden worden gemaakt, door deze zo nodig te verbreden, te onderhouden en tot openbare wegen te verklaren en, indien de notaris dat gewenst achtte, daarop de erfdienstbaarheid van weg te vestigen met rechtverlening deze te doen verharden enz.;

  3. dat, als logisch gevolg van het tegelijk en officieel bestemmen van de gehele resterende terreinen van het landgoed De Hooge Hoenderberg tot het stichten van een vacantiedorpje, de toestemming en royale medewerking werd toegezegd, dat openbare Nutsbedrijven daarheen in de terreinen van de Vereniging of de Staat de noodzakelijke buizen en leidingen konden leggen, hebben, houden, vernieuwen, verzwaren enz., met name voor: drinkwater, electriciteit, telefoon, gas en dergelijke (7).

Op bovengenoemde, in tegenwoordigheid der genoemde drie heren, voor de minister officieel afgelegde verklaringen aan de heer Van Stokkum, volgde tussen de partijen nog een bespreking van diverse secundaire punten.

Hierbij kwam uiteraard de waterleiding weer ter sprake, daar de aanleg hiervan door zowel de Vereniging als het Staatsbosbeheer, al ruim een jaar was tegengehouden ook om de gewenste enclave tegen genoemde uiterst lage koopsom te verkrijgen (dit werd trouwens door de Vereniging reeds verondersteld in haar brief aan het Staatsbosbeheer, dd 28.11.1929, Par. 12.15).

In dit verband verzocht de heer Van Stokkum aan genoemde heren, onmiddellijk toestemming tot het leggen der buizen te geven, zoals door hem herhaaldelijk gevraagd en in bovengenoemd punt I toegezegd. Deze toestemming kon de heer Van Tienhoven echter nog niet geven en antwoordde: “Ik heb U al vaker gezegd en geschreven, dat voor een definitieve regeling dezer tweevoudige bestemming Uwer terreinen de goedkeuring noodzakelijk is van de minister, daarvan is het met de heer Van Dissel en mij overeengekomene dus nog altijd afhankelijk en daarop moet ook de waterleiding wachten” (zie aansluitend “Mits goedkeuring Bestuur en Rijk” Par. 13.9)
Hierna kwam de heer Van Stokkum alsnog terug op de order A genoemde verklaring en vroeg andermaal of de overheid op het resterende gedeelte van zijn bezit later toch beslist geen aanspraken meer zou maken als natuurreservaat of dergelijke, ook niet als hij zoals gezegd het genoemde vacantie-oord b.v. niet dadelijk kon bouwen, maar dat terrein of een gedeelte ervan met die bestemming zou afzonderen voor later gebruik door zijn familie (7).
Op deze vraag gaf de heer Van Tienhoven nogmaals en met grote stelligheid een ontkennend antwoord dat de heer Van Stokkum volkomen bevredigde en gerust stelde ten aanzien van zijn omvangrijke plannen.

De heer Van Dissel haakte hierop nog in door de toepasselijke opmerking: “U behoudt daar de volle bouwvrijheid en U moogt er ook reclame voor maken!” (zie Par. 19.3).

[Kaart] Terreinkaart met indeling tweevoudige bestemming

FOTOs/047-4.png

MITS GOEDKEURING BESTUUR EN RIJK

VERENIGING: “… DE AFSPRAAK DIE WIJ MAAKTEN IS DUS AFHANKELIJK VAN DE ACCOORDBEVINDING VAN HET ALGEMEEN BESTUUR EN DIE VAN DE RIJKSREGEERING DIE TE GROESBEEK ÓÓK PARTIJ IS…”

[Bron V] Op 30.12.1929 schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Eind goed, al goed en Zaterdag kan een zeer belangrijke dag genoemd worden, niet alleen voor onze Vereeniging en voor U, maar ik zou bijna zeggen ook voor het gehele Nederlandsche volk, als perfect wordt hetgeen wij met elkander hebben afgesproken, een afspraak die ik U gaarne schriftelijk wil bevestigen en waarop ik Uw accoordbevinding nog tegemoet zie, opdat ik daarna bij mijn Bestuur machtiging kan vragen om verder te onderhandelen en tevens de goedkeuring der Rijksregeering, die in de kwestie Groesbeek ook party is. De afspraak, die wij maakten, is dus afhankelijk van de accoordbevinding dezer beide corporaties, het Algemeen Bestuur en het Rijk, doch het zou al heel vreemd moeten loopen, indien deze beide zich niet kunnen vereenigen met het door ons en den Heer Van Dissel overeengekomene. Onze overeenkomst is een waardig slot van al de moeilijkheden, die wij in 1929 hebben te overwinnen gehad en ik wil eindigen met U van harte toe te wenschen, dat in 1930 onze pogingen haar beslag krijgen, terwijl ik er den wensch aan toevoeg, dat 1930 ook een zeer gelukkig jaar voor U en Uwe familie moge worden.

MEDEWERKING OVERHEID OM DAAR TE KÚNNEN BOUWEN

VAN STOKKUM: “…OM ZONDER LANGER TRAINEEREN DE GEVRAAGDE TOESTEMMING TE VERKRIJGEN, BEN IK NA LANGE BESPREKINGEN TENSLOTTE ACCOORD GEGAAN MET EEN VOORSTEL WAARVOOR IK ONDER NORMALE OMSTANDIGHEDEN NIET TE VINDEN ZOU ZIJN. – EERST ZAL HET GROOTE VACANTIEHUIS WORDEN GEBOUWD. DAARNA 6 DUBBELE LANDHUISJES LANGS DE WATERLEIDING IN DEN MARTINUSWEG. – AL RAS ZAL TOT VERLENGING DER HOOFDBUIS, OVER DE SANATORIUMWEG IN ZUIDELIJKE RICHTING, MOETEN WORDEN OVERGEGAAN…”

De uitvoering van deze plannen werd uiteraard mogelijk ingevolge het accoord van 28.12.1929 waarbij een tweevoudige bestemming van het landgoed officieel werd geregeld en het spreekt welhaast vanzelf dat dit de heer Van Stokkum een geldelijk offer waard was, immers in ruil voor de gewenste enclave en tegen een veel te lage koopsom verkreeg hij tegelijk en officieel vrijheid van handelen op de hem nog resterende terreinen en tevens de noodzakelijke medewerking van overheidswege.

Een en ander komt duidelijk tot uiting in onderstaande brief van de heer Van Stokkum aan de Waterleiding, in aansluiting aan zijn schrijven dd 14.12.1929, zie Par. 12.7.

Overeenkomstig zijn voornemens alsnog enkele percelen in de noord-westhoek te verkopen met als bestemming recreatie-woongebied, was de heer Van Stokkum al geruime tijd in onderhandeling met de heer Van der Kraan, directeur van de stichting “Ons Kerkelijk Leven”, over een perceel van ca 9,5 hectare. Uit het volgend schrijven blijkt, dat de beslissing ook hierover geheel en al afhing of er een waterleiding kwam.

[Bron W] Op 8.1.1930 schreef Van Stokkum aan de Waterleiding, o.m.:

In vervolg op mijn schrijven van 14en December 1.1. heb ik de eer U hiermede te berichten dat de U aangekondigde bespreking op 28 Dec. 1.1. heeft plaatsgevonden. De Heeren Van Dissel, Perk, Van Tienhoven en Brinksma, hebben dien dag met mij te Groesbeek onderhandeld. Om zonder langer traineeren de gevraagde toestemming te verkrijgen, ben ik na lange besprekingen tenslotte accoord gegaan met een voorstel waarvoor ik onder normale omstandigheden niet te vinden zou zijn. Ik kan U nog melden, dat de verkoop aan den Heer Van der Kraan thans doorgaat. Op zijn verzoek stel ik reeds de voorloopige koopacte op. Eerst zal het groote vacantiehuis worden gebouwd; het ontwerp heb ik reeds gezien en goedgekeurd. Daarna begint hij met 6 dubbele landhuisjes langs de waterleiding in den Martinusweg. Mogelijk bouwt hij dit alles tegelijk. Op ca. 1500 M. afstand van het huis van mijn boschwachter Kersten aan de Stekkenberg, zal echter een aftakking naar het Hoofdgebouw der St. Reinilda Stichting moeten komen. De plannen voor dit gebouw zijn reeds in bewerking en zullen reeds spoedig tot uitvoering komen. Al ras zal tot verlenging der hoofdbuis, over de Sanatoriumweg in Zuidelijke richting, moeten worden overgegaan.

Het in deze brief genoemde in zuidelijke richting verlengen van de hoofdbuis stond uiteraard in verband met de bouw van het vacantie-oord – zie terreinkaart in Par. 10.3.

RECTOR LAMERS: “…ALS U WERKELIJK HET OFFER GAAT BRENGEN…”

[Bron B] Op 10.1.1930 schreef rector Lamers aan Van Stokkum:

Wederkeerig Zalig Nieuwjaar voor U, Mevrouw en al Uw heerlijke kinderen, bijzonder Frans den deugniet! Wat de bewakingskosten betreft, in principe ga ik ermee accoord, hoor later wel hoeveel dit zal bedragen. Verder bewonder ik nogmaals Uw doorzettingsvermogen, maar als U werkelijk het offer gaat brengen, waarom – als ik dit vragen mag – waarom dat contract niet wat vervroegd, of althans waarom niet bedongen, dat Tesser nu reeds z’n waterleiding leggen kan. Ik wacht nog altijd en… we hebben reeds zoo lang gewacht… en bovenal… ik ben nu in gunstige condities, om zelf iets te fabriceeren en werkelijk de ervaring heeft nu geleerd… dat men op eigen beenen het best marcheert. De Heer Van Tienhoven moet wel weten, dat hij de schuld is, dat ik de pompinstallatie voor duur geld heb moeten overnemen, na eerst gehuurd te hebben voor geld. Dit scheelt mij eventjes een kleine duizend. ’t Is een schande!!

ELKANDERS BEDOELINGEN KENNEN

[Bron V] Op 17.1.1930 schreef de Vereniging aan Van Stokkum:

Ingesloten zenden wij U de voorloopige koopovereenkomst in tweevoud toe. Zooals U ziet hebben wij in de redactie enkele veranderingen aangebracht, speciaal wat betreft het vestigen van erfdienstbaarheid; zooals dat in het eerste ontwerp vermeld stond, kwam ons dat minder juist voor. U ziet dat beide partyen verklaren hun volle medewerking voor het vestigen der erfdienstbaarheid te willen verleenen, met welke bewoordingen U zich ook zult kunnen vereenigen. De juiste redactie enz. kunnen wij beter aan den notaris overlaten. Ik begrijp, dat U ook nog enkele wenschen hebt en ik stel U voor dat wij die per brief vastleggen om niet te veel veranderingen in het gezegelde formulier te brengen. Zooals U weet vertrek ik Zondag naar het buitenland. Wat er nog verder noodig mocht zijn kan beter 14 dagen wachten, nu de hoofdpunten zijn vastgelegd en wij beiden elkanders bedoelingen kennen en overeenstemming bereikt wordt.

[Bron B] Eveneens op 17.1.1930 schreef rector Lamers aan Van Stokkum:

Van harte proficiat! Uw doorzettingsvermogen heeft ook ditmaal gezegevierd. We zullen t.g.t. het fuifje niet vergeten. Donderdag ben ik in Rotterdam, indien eenigszins tijd kom ik je groeten. Met Tesser moet ik dan nu spoedig een nieuw contract sluiten, want het vorige was – wat waterlevering betreft – veel te kostbaar.

KWESTIE VAN TE GOEDER TROUW

VAN STOKKUM: “…NEEM IK AAN, DAT DE DOOR U AANGEBRACHTE WIJZIGINGEN NIET ZIJN BEDOELD ALS VERZWAKKING VAN MIJN, VAN U VERKREGEN TOEZEGGING…”

[Bron V] Op 18.1.1930 verzocht de heer Van Stokkum – naar aanleiding van haar schrijven van 17.1.1930 – aan de Vereniging in de definitieve koopakte alsnog enige kleine wijzigingen te willen doen aanbrengen, o.m. over de erfdienstbaarheid van weg tracé waterleiding (in dit schrijven kwam de bovenstaande zinsnede voor).

VERENIGING: “…OVERIGENS STEL IK MIJ NATUURLIJK GEHEEL OP HET STANDPUNT, DAT WIJ BIJ DE DEFINITIEVE OVERDRACHT ONS MEER MOETEN LEIDEN DOOR DEN GEEST DER OVEREENKOMST, DAN NAAR DEN LETTER, INDIEN DIE LAATSTE NIET ALLES VOLDOENDE MOCHT HEBBEN WEERGEGEVEN. – DE WEDERZIJDSCHE ERFDIENSTBAARHEID, BETREKKING HEBBENDE OP DEN SANATORIUMWEG KUNNEN WIJ T.Z.T. MET DEN NOTARIS BESPREKEN; DIT PUNT HAD NATUURLIJK IN HET CONTRACT VERMELD MOETEN WORDEN…” (Zie navolgende brief der Vereniging.)

[Bron V] Nog dezelfde dag, op 18.1.1930, antwoordde de Vereniging aan Van Stokkum en uit dit onderstaand schrijven spreekt het wederzijds vertrouwen waarop genoemd accoord van 28.12.1929 was gebaseerd:

Zoo juist ontving ik Uw expresse-brief van heden, met het eene exemplaar der voorloopige overeenkomst, gesloten tusschen U en onze Vereeniging. U zult gezien hebben, dat de veranderingen, welke wij aangebracht hebben in het eerste ontwerp, hetwelk wij tezamen bespraken, noodig waren, om de bedoelingen duidelijk weer te geven, ook vooral, wat betreft de erfdienstbaarheden. Overigens stel ik mij natuurlijk geheel op het standpunt, dat wij bij de definitieve overdracht ons meer moeten leiden door den geest der overeenkomst, dan naar den letter, indien die laatste niet alles voldoende mocht hebben weergegeven. Of de toestemming aan de waterleiding enz. als erfdienstbaarheid kan worden gevestigd, of wel, of die op andere wijze moet worden vastgelegd, kunnen wij aan den Notaris overlaten. In ieder geval kan op mijn loyale medewerking worden gerekend. De wederzijdsche erfdienstbaarheid, betrekking hebbende op den Sanatoriumweg kunnen wij t.z.t. met den Notaris bespreken; dit punt had natuurlijk in het contract vermeld moeten worden, doch ik twijfel er niet aan, of U zult met deze schriftelijke toezegging genoegen nemen, zooals wij het doen met de Uwe. Ik wilde het een en ander nog te Uwer kennis brengen vóór mijn vertrek. Het is voor mij ook een rustige gedachte, als ik naar het buitenland ga, dat de zaak geheel in het reine is gekomen.

HOOFDSTUK 14

KAMERLID STELDE VRAGEN

[Bron M] Begin januari 1930 werden door het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de heer Hiemstra, inzake de landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg de navolgende schriftelijke vragen gesteld (zie ook onder “Met steun regering”, Par. 8.2:

  1. Kunnen de Ministers mededeelen of heeft plaats gehad en tot welk resultaat heeft geleid het in de vergadering van de Kamer van 29 November 1928 door den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw toegezegd overleg met den Minister van Financiën omtrent de mogelijkheid, de landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg te Groesbeek alsnog van Staatswege aan te koopen?
  2. Indien niet tot aankoop van Staatswege is of zal worden besloten, kunnen de Ministers dan mededeelen, welke voorwaarden door den Staat zijn bedongen ten aanzien van het beheer en de exploitatie der voormelde landgoederen, in verband met de in uitzicht gestelde jaarlijksche Rijksbijdrage aan de Vereeniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland, ter betaling van een deel der annuïteiten voor een, door voornoemde vereeniging aangegane leening?

ANTWOORD MINISTERS

  1. Aanvankelijk is aankoop van Staatswege van de landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg onder Groesbeek overwogen doch daarvan moest worden afgezien, omdat het bedrag voor den aankoop, (bedrag) niet kon worden toegestaan boven de vele gelden, die reeds uit anderen hoofde ter bevrediging van landbouwbehoeften noodig waren. Wijl het behoud van groot belang was te achten, is naar een anderen weg gezocht om deze landgoederen voor verkaveling te behoeden, zonder dat onmiddellijk aan de schatkist te zware offers werden gesteld. Dank zij de welwillende medewerking der Vereeniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland is toen de bekende oplossing gevonden, waardoor het gestelde doel, bewaring van natuurschoon, evenzeer verzekerd is als bij aankoop door den Staat.
  2. De buitengewone omstandigheden, waaronder de overeenkomst met genoemde Vereeniging is gesloten, waren oorzaak dat niet de gebruikelijke voorwaarden ten aanzien van het voortdurend Staatstoezicht zijn gesteld. Ondergeteekenden, hoewel erkennende, dat als regel de gebruikelijke voorwaarden dienen te worden gehandhaafd, vertrouwen evenwel ten volle, dat het beheer van de Vereeniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland tot geen moeilijkheden of klachten aanleiding zal geven.
  3. Inderdaad is het mogelijk, dat de Staat zich groote financieele offers moet getroosten, wanneer hij nà afloop van den termijn van 40 jaren van zijn recht tot overname van de landgoederen gebruik wil maken. Neemt men echter in aanmerking, dat de belangrijke financieele steun die de Vereeniging heeft genoten, moet worden gerestitueerd, dan komt het niet onbillijk voor, dat de verkoopswaarde betaald wordt, die ten tijde der overname aan deze landgoederen moet worden toegekend.
    DE MINISTER VAN STAAT, MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN EN LANDBOUW.
    DE MINISTER VAN FINANCIEN,

KAMERLID STELDE NADERE VRAGEN

  1. Kunnen de Ministers mededeelen, welke overwegingen hebben geleid tot de slotsom, dat het geen voorkeur verdient, dat de landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg te Groesbeek in het bezit van den Staat overgaan?
  2. Zijn de Ministers bereid mede te deelen waarom in de met de Vereeniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland gesloten akte, in verband met de aan deze vereeniging te verleenen Rijkssteun ten behoeve van den aankoop van in vraag l genoemde landgoederen, geen voorwaarden zijn gesteld ten aanzien van de exploitatie van deze landgoederen?
  3. Zijn de Ministers niet van oordeel, dat de bepaling in art. 6 van de hierboven genoemde akte, houdende, dat de Vereeniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland na den afloop van den termijn van 40 jaren de landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg aan de Staat moet aanbieden en deze, bij overneming, daarvoor de getaxeerde verkoopwaarde zal moeten betalen, groote kans schept, dat de Staat, indien deze na 40 jaren overneming van genoemde landgoederen wenschelijk acht, zich daarvoor zware financieele offers zal moeten getroosten?

NADER ANTWOORD MINISTERS

[Bron M] Op 23 januari 1930, nr. 136. Afd. 2 Dom., schreef de minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, inzake de hierboven op 16.1. 1930, no. 299, nader gestelde vragen door het genoemde lid van deze Kamer:

Wij hebben de eer U H.E.G. hiernevens te doen toekomen eene beantwoording der nader door het lid van de Tweede Kamer der Staton-Goneraal, den heer Hiemstra gestelde vragen, inzake de Landgoederen de Wolfsberg en de Muntberg onder Groesbeek.
DE MINISTER VAN STAAT, MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN EN LANDBOUW,

1. De overweging, die hierbij gegolden heeft, is dat deze landgoederen, die niet uitsluitend productiebosschen, maar ook natuurmonumenten zijn, even veilig in handen van de Vereeniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland zijn als b.v. Hagenau en dergelijke bosschen.
2. Ten aanzien van de exploitatie van de landgoederen zijn wel degelijk voorwaarden gesteld. In artikel 2 van de overeenkomst wordt gezegd, dat de bijdrage verleend wordt in het belang van de bewaring van natuurschoon. En de aanhef van artikel 7 luidt: indien de vereeniging binnen bovenbedoelden termijn van 40 jaren ter zake dezer landgoederen niet aan de voorwaarden tot behoud van het natuurschoon heeft voldaan is zij verplicht de landgoederen aan de Staat aan te bieden tegen een prijs enz. Blijkens artikel 8 zullen alle geschillen, welke maar aanleiding ook hiervan mochten rijzen, worden beslist door arbiters. Een doeltreffende exploitatie, waardoor het behoud van de bosschen naar hun tegenwoordige bestemming wordt verzekerd, is derhalve gewaarborgd.
3. Bij de beoordeeling van artikel 6 behoort niet te worden vergeten dat na 40 jaren het aanbod van de landgoederen verplicht is, de aanvaarding van het aanbod niet. In een dergeLijke situatie is het niet onredelijk, dat, nadat de Vereeniging alles aan den Staat zal hebben terugbetaald wat haar in die 40 jaren ter bestrijding van jaarlijksche kosten is uitgekeerd en zij dus weer geheel vrij tegenover den Staat komt te staan, maar bij aanvaarding van het aanbod de getaxeerde waarde van de landgoederen wordt uitgekeerd. Komt de taxatie aan den Staat te hoog voor, of wenscht hij om andere redenen de goederen niet te aanvaarden, dan kan hij bedanken. De goederen blijven dan eigendom van de Vereeniging, die slechts doeleinden van openbaar nut nastreeft en in wier statuten staat dat, als zij te eeniger tijd mocht liquideeren, al haar onroerend goed vervalt aan den Staat.

Intusschen kunnen de ondergeteekenden aan het voorafgaande nog toevoegen, dat dezer dagen de Vereeniging tot behoud van Nabuurmonumenten in Nederland in de gelegenheid gesteld is, het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte van den Hoogen Hoenderberg aan te koopen, welk gedeelte als een enclave tusschen de goederen Muntberg en Wolfsberg is gelegen en zoo het als bouwterrein in exploitatie werd gebracht, de ongereptheid ook van de reeds in handen der Vereeniging zijnde goederen zou bedreigen. Aangezien de aankoop van dit gedeelte de financieele krachten van de Vereeniging te boven gaat, heeft zij zich tot het Rijk gewend om financieelen steun, daaraan toevoegende het verzoek, of het Rijk in dezen loop van zaken niet aanleiding zou kunnen vinden te overwegen, – zulks in overeenstemming met het reeds vroeger door de Vereeniging opgeworpen denkbeeld – gebruik te maken van art. 7, tweede lid, der gesloten overeenkomst en derhalve het geheele bezit, ingesloten het nieuw aan te koopen landgoed, tot Staatseigendom te maken. De ondergeteekenden hebben zich bereid verklaard, dit verzoek in ernstige overweging te nemen.
DE MINISTER VAN STAAT, MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN EN LANDBOUW, DE MINISTER VAN FINANCIEN.

OPNIEUW BESPREKINGEN TE GROESBEEK

Ingevolge het bereikte accoord tussen partijen op 28.12.1929 inzake de definitieve tweevoudige bestemming van de terreinen van het gehele landgoed De Hooge Hoenderberg te Groesbeek, genoemd o.m. onder A, B en C in Par. 13.7, vonden op genoemde terreinen opnieuw besprekingen plaats op de 19e en de 21e januari 1930, tussen de heren J. Drijver (Vereniging), de directeur van de Waterleiding, J.M. Tesser en Van Stokkum.

Overeenkomstig de genoemde afspraken werd ter plaatse o.m. de afbakening vastgesteld van het tracé der te leggen leidingen naar het als bouwterrein bestemde resterende gedeelte, dat liep zowel door het bezit van de Vereniging als het gedeelte van genoemd landgoed dat bij genoemd accoord werd bestemd tot natuurreservaat en welk laatst genoemd gedeelte zou worden overgedragen aan de Vereniging of de Staat.

Tevens werden de wegen bezichtigd welke de heer Van Stokkum had aangegeven op een kaartje en die de toegangswegen vormden tot het als bouwterrein bestemde resterende gedeelte van zijn bezit en als zodanig van vitaal belang waren. Hierom was overeengekomen dat deze voor autoverkeer geschikt gemaakt en tot openbare wegen verklaard werden.

[Bron B] Na deze rondgang en besprekingen toonde de heer Van Stokkum aan de voornoemde heren in hotel “Gelria” o.a. ook het door hem eerder voorgelegde verkavelingsplan van genoemd bouwterrein dat hij inmiddels verder had uitgewerkt. (Tijdens de eerstvolgende ontmoeting besprak de heer Van Stokkum dit verkavelingsplan eveneens met de heren Van Dissel en Van Tienhoven, welke daaraan hun goedkeuring verleenden. En op zijn verzoek zond de heer Van Stokkum dit verkavelingsplan later met een begeleidend schrijven aan de heer Van Dissel.) Dit destijds door de heer Van Stokkum uitgewerkte en getoonde verkavelingsplan is – verkleind – hierna afgebeeld.

[Kaart] Verkavelingsplan “resterende gedeelte”

FOTOs/055-1.png

Ook deed de heer Van Stokkum genoemde heren mededeling van zijn overeenkomst met de heer Van der Kraan van de stichting “Ons Kerkelijk Leven” inzake de verkoop van een perceel gelegen in de noordwesthoek, groot ca 9,5 ha, welke verkoop uitsluitend tot stand kwam door het bereikte accoord van 28.12.1929 als gevolg waarvan de waterleidingkwestie eindelijk geregeld was (zie brief Van Stokkum aan de Waterleiding dd 8.1.1930, Par. 13.10).

Over de voorgenomen bouwplannen en het bovenstaande verkavelingsplan van de heer Van Stokkum, werden door de heren over en weer ideeën naar voren gebracht.

De heer Drijver gaf daarbij o.m. te kennen, dat hij het met de heren Van Tienhoven en Van Dissel eens was dat het resterende gedeelte van het landgoed bijzonder gunstig was gelegen als vacantieoord en dat de bewoners ervan inderdaad ten volle konden gaan genieten van het grote stuk ongerept bos dat met die bestemming door de heer Van Stokkum was afgestaan (zie de brief van de Vereniging aan Van Stokkum, dd 23.11.1929, einde van Par. 12.12).

Bij het uiteengaan verklaarde de heer Drijver aan de heer Van Stokkum dat hij thans namens de Vereniging toestemming mocht geven voor het leggen van bedoelde buizen en dat hij dit ook spoedig schriftelijk zou doen, nu het fiat van het Rijk er was.

TOESTEMMING LEGGEN BUIZEN WATERLEIDING

[Bron V] Op 23.1.1930 schreef de Vereniging aan Van Stokkum:

Voor de goede orde willen wij U mededeelen dat wij overeenkomstig onze belofte van 21 dezer heden hebben geschreven aan den Heer Tesser over den aanleg der waterleiding door het terrein onzer Vereeniging. Wij hebben daarin natuurlijk ook genoemd het gedeelte van den Hoogen Hoenderberg, over welks overdracht overeenstemming verkregen werd, doch hebben eraan toegevoegd, dat ook met U overleg moet worden gepleegd. Voor de goede orde zouden wij het op prijs stellen te mogen ontvangen een opgave van de kadastrale nummers van het terrein, bedoeld in onze overeenkomst van 17 Januari j.1.

[Bron W] Eveneens op 23.1.1930 schreef de Vereniging aan de Waterleiding, o.m.:

Ter bevestiging van onze besprekingen dd. 21 Januari op den Muntberg en den Hoogen Hoenderberg onder Groesbeek, deelen wij U mede, dat onze Vereeniging aan Uwe Stichting vergunning verleent tot het leggen, hebben, houden, herstellen, verzwaren en wegnemen van waterleidingbuizen in het bezit onzer Vereeniging en wel volgens het tracé, zooals dat ter plaatse werd besproken. Deze vergunning geldt in de eerste plaats voor het terrein onzer Vereeniging, doch doordien wij thans met den Heer Van Stokkum tot principieele overeenstemming zijn gekomen omtrent overname van een gedeelte van den Hoogen Hoenderberg, geldt deze vergunning ook voor dat terrein, nadat de definitieve overdracht zal hebben plaatsgevonden. Voorloopig moet daaromtrent natuurlijk ook met den Heer Van Stokkum een regeling worden getroffen.

MINISTER TOONDE BELANGSTELLING

Nadat de Tweede Kamer der Staten-Generaal door de ministers van Binnenlandse Zaken en Landbouw en van Financiën in kennis was gesteld van de aankoop door de Vereniging, van “het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg”, sprak de heer Van Stokkum minister Ruijs de Beerenbrouck.

De minister informeerde belangstellend hoe een en ander stond en vroeg of met het leggen der waterleidingbuizen inmiddels was begonnen.

Ook het dorp Groesbeek en omgeving kwam daarbij ter sprake, in verband waarmee de heer Van Stokkum aan de minister toezegde hem daarvan een gids te zullen zenden.

[Bron B] Op 25.2.1930 schreef minister jhr. mr. Ch. Ruijs de Beerenbrouck aan Van Stokkum:

Geachte Heer, Voor Uwe interessante zending, betreffende Mooi Groesbeek, betuig ik U mijn besten dank. Hoogachtend en groetend,

HOOFDSTUK 15

“WAT WILT U, OVERDRACHT DIRECT AAN RIJK OF VIA ONS?”

[Bron V] Op 22.2.1930 schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Zoo langzamerhand nadert l Maart en die datum is belangrijk, in verband met de onlangs gesloten overeenkomst tusschen U en onze Vereeniging. U zult vernomen hebben, dat er zich in dien tusschentijd zeer belangrijke gezichtspunten hebben voorgedaan, n.l., dat de Regeering wellicht alsnog bereid zal worden gevonden de landgoederen Muntberg en Wolfsberg over te nemen van onze Vereeniging en onder die overdracht zal, gaat zij door, natuurlijk ook vallen het gedeelte van den Hoogen Hoenderberg, bedoeld in onze overeenkomst van 17 Jan. j.l. Natuurlijk zouden wij vooraf Uwe terreinen aan onze Vereeniging kunnen overdragen, doch dan zullen zij wellicht zeer spoedig daarna andermaal getransporteerd moeten worden. Wij vragen ons daarom af, of het onder de gegeven omstandigheden geen aanbeveling verdient de overdracht uit te stellen, totdat de beslissing van de Regeering bekend zal zijn.

VAN STOKKUM: “…OVERDRACHT VIA U AAN DE STAAT…”

[Bron V] Op 25.2.1930 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging, o.m.:

In antwoord op Uw geacht schrijven van 22 dezer heb ik de eer U te berichten, er de voorkeur aan te geven de tusschen Uwe Vereeniging en mij gesloten overeenkomst aan te houden. Teneinde het U gemakkelijker te maken deze tot uitvoering te kunnen brengen stemde ik bereids toen in een uitstel van de eventueele overdracht van 1 April tot 1 Mei a.s. Het komt mij voor, dat er tot eind April nog tijd is tot bespreking.

HOOFDSTUK 16

VERZOEK TOT GRENSWIJZIGING IN CONTRACT MET WATERLEIDING

In de periode dat de heer Van Stokkum overleg pleegde inzake de aanleg van een waterleiding naar zijn bezit, het landgoed De Hooge Hoenderberg, in verband met zijn daarop voorgenomen omvangrijke bouwplannen, verliepen de onderhandelingen met de Vereniging en het Staatsbosbeheer, over een definitieve tweevoudige bestemming van genoemde terreinen nog zeer stroef en voorzag hij ten aanzien hiervan geen officiële regeling.

Hierom handhaafde de heer Van Stokkum bij het opmaken van een contract met de Waterleiding zijn aanvankelijke (bouw) plannen (zie onder “Dit waren zijn plannen in 1926”, Par. 8.12).

[Bron W] In het op 1.6.1929 gesloten contract werd derhalve o.a. als b e g r e n z i n g waarbinnen alle te bouwen opstallen zou den worden aangesloten op de te leggen leiding, HET GEHELE LANDGOED “DE HOOGE HOENDERBERG” ter oorspronkelijke grootte van ca 130 hectare opgenomen (zie onder “Contract waterleiding met Van Stokkum”, Par. 9.10).

Aangezien het inmiddels zeker was dat de overdracht, van het als natuurreservaat bestemde gedeelte, ter grootte van ca 75 ha, via de Vereniging aan de Staat, door zou gaan, wilde de heer Van Stokkum genoemde omschreven begrenzing in dat contract met de Waterleiding, dienovereenkomstig wijzigen èn TEGELIJKERTIJD!

Deze, als gevolg van het accoord van 28.12.1929 definitief gewijzigde grenzen, werden op 14.8.1929 ter plaatse door de heren Van Tienhoven en Van Dissel reeds officieel vastgesteld, in bijzijn van de heer Tesser (zie onder “Sanatoriumweg grens te bebouwen gedeelte”, Par. 11.5).

[Bron W] Op 29.4.1930 schreef Van Stokkum hieromtrent aan de Waterleiding, o.m.:

Door den event. verkoop aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland of den Staat, is tegelijkertijd nog eene voorziening te treffen. Het concept van dit revisiecontract heb ik bereids opgesteld en doe U dit hierbij toekomen. Ik vertrouw dat Uw Bestuur zich hiermede zal kunnen vereenigen. Wilt U het dan in duplo (één op zegel is voldoende), laten overtikken en na onderteekening mij toezenden.

[Bron W] De tekst van dit revisie-contract luidde:

ONDERHANDSCHE OVEREENKOMST. De Stichting “De Waterleiding Berg en Dal” te Ubbergen, in den vervolge kortheidshalve “De Stichting” genoemd en P.J.M. van Stokkum, wonende te Rotterdam, in den vervolge kortheidshalve Van Stokkum genoemd, zijn heden het navolgende overeengekomen.
Par. 1. Van Stokkum betaalt binnen 10 dagen na heden aan De Stichting het, in Par. 7 van de op 1 Juni 1900 negen en twintig tusschen hen beiden afgesloten overeenkomst, bepaalde bedrag van (bedrag), ofschoon de in Par. 1. van voornoemde overeenkomst omschreven waterleidingbuis nog niet geheel overeenkomstig de bepalingen van artikelen 1 en 2 der voornoemde overeenkomst is gelegd en geleverd.
Par. 2. De Stichting verbindt zich onvoorwaardelijk om, zonder hiervoor nog eenigerlei betaling te vorderen, de door haar gelegde waterleiding, ter overeengekomen inwendige dikte van 80 mM., door middel van zoogenaamde stadsbuizen, door den Martinusweg (bedoeld werd de tegenwoordige Oost-Westlaan – vSt.) tot aan den Kronkelweg – dat is tot op ca. 90 Meter afstand van uit het midden van de Biesseltsche straat – te verlengen en tot daar bedrijfsvaardig op te leveren binnen twee, hoogstens drie, weken nadat Van Stokkum haar heeft kennis gegeven dat deze verlenging voor een of meer verdere bouwwerken noodig is.
Par. 3. Na verkoop van het ten Oosten van den Sanatoriumweg gelegen deel van het landgoed De Hooge Hoenderberg aan de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland of den Nederlandsche Staat, vervallen uit Art. 4 der voornoemde overeenkomst de woorden: Begrensd door de Bruglaan, de spoorlijn Groesbeek-Nijmegen, de Biesseltsche straat en de Maldensche Baan, en komt hiervoor in de plaats: Begrensd door de spoorlijn Groesbeek-Nijmegen, de Biesselsche straat, de Maldensche Baan, de Kuilenweg, de Emileweg en den Sanatoriumweg. (zie terreinkaart in Par. 13.8– vSt.)
Par. 4. Indien de in Par. 1. aangehaalde overeenkomst tusschen de Stichting en Van Stokkum niet was tot stand gekomen, dan zou de onderwerpelijke waterleidingbuis ter dikte van 50 mM. gelegd zijn. Uitsluitend het Rusthuis van het BergmannCollege had hierop kunnen worden aangesloten. Aansluitingen op het gedeelte dezer buisleiding tusschen de groote weg Nijmegen-Groesbeek en het in Art.4. der voornoemde overeenkomst (zie ook Art. 3 dezer overeenkomst) omschreven terrein, zijn dus door Van Stokkum’s bijbetaling mogelijk gemaakt. De Stichting verbindt zich tegenover Van Stokkum om op dit gedeelte der buisleiding geen aansluiting(en) tot stand te brengen zonder eerst in overleg met Van Stokkum het bedrag (de bedragen) te hebben vastgesteld welke voor deze aansluiting(en) aan Van Stokkum naar billijkheid moeten worden vergoed en door de Stichting vóór het maken der betreffende aansluiting(en) aan Van Stokkum moet(en) worden uitgekeerd. Het totaal bedrag dezer vergoeding(en) mag niet hooger komen dan (bedrag) plus gestaffelde rente ad 5%. Aldus opgemaakt en geteekend te Rotterdam den eersten Mei 1900 en dertig.

WATERLEIDING: “…CONTRACT-WIJZIGING NIET NODIG…”

DE WATERLEIDING: “…ZOODRA DUS DE BOUWPLANNEN VOORLIGGEN, KAN DUS DOOR ONS, IN OVERLEG MET U, WORDEN BEPAALD, WELKE BUIZEN EN WELKE RICHTINGEN NOODIG ZIJN…”

Zie in dit verband ook onder “Dikte waterleiding geen 5 maar 8 cm”, Par. 9.7.

[Bron W] Op 2.5.1930 antwoordde de Waterleiding aan Van Stokkum:

In het bezit van Uw schrijven dd. 29.4.1930, hebben wij de eer U het volgende te berichten. Het lijkt ons onjuist, thans een nieuwe overeenkomst met U te gaan maken, wijl ons Bestuur prijs stelt op geheele afwerking van het eerst overeengekomene, voor zoverre dit mogelijk is. Onzerzijds bestaat echter geen bezwaar, en in vervolg en als aanvulling van die overeenkomst eenige nadere toelichtingen te geven, of mondelinge afspraken te bevestigen. Het is ons bekend en het blijkt uit onze overeenkomst, dat deze toevoerleiding op Uw verzoek voor Uwe rekening en ten behoeve van Uwe terreinen verzwaard is. U gelieve er echter wel rekening mede te houden, dat Uwe betaling ongeveer 1/3 bedraagt van de totale kosten van aanleg en dat een eventueele terugontvangst van gelden, te betalen door derden, dus niet geheel en uitsluitend aan U kan komen, doch aan de gezamenlijke betalers. Het lijkt ons onjuist, reeds nu te gaan vastleggen, hoe of een dergelijke, in de toekomst voorkomende betaling, geregeld zal worden. Veel juister lijkt ons, dat wij ons houden aan onze mondelinge afspraak, waarbij overeengekomen, dat bijaldien bij ons een aanvraag tot aansluiting van eenig perceel, onze Stichting zich verbindt, om in gezamenlijk overleg met U, de bijdrage in de aanlegkosten te bepalen en naar billijkheid te verdeelen. Wij zijn het met U eens, dat het niet op gaat, dat eventueel andere zonder meer van onze betalingen komen profiteeren en zullen ons, ook in den toekomst strikt aan deze afspraak houden. Regel is, dat geen vergoeding hooger kan zijn dan het oorspronkelijk betaalde bedrag, terwijl dit maximum bedrag bovendien verlaagd wordt met 5% voor elk jaar, dat de leiding in de grond aanwezig is geweest. Waar de betaling is geschied door U persoonlijk, geldt het hier persoonlijk recht en geen zakelijk recht, hetwelk aan eenig terrein verbonden is. Alleen wanneer U aan een eventueele opvolger, eigenaar van Uw gronden, schriftelijk ditzelfde recht verleend, zooals bijv. aan de “Reinilda Stichting”, kunnen wij zelfstandig en zonder meer met de nieuwe aanvragers afdoen en hen eventueel naar onze verkiezing aansluiten. Geeft U bij een eventueele verkoop van terreinen dit recht niet af, dan moeten deze nieuwe eigenaren met ons komen onderhandelen, doch het lijkt ons wel noodig, dat U te allen tijde in een eventueel verkoopcontract uitdrukkelijk melding maakt, of al dan niet van de waterleidingsbuis in het terrein gebruik zal worden gemaakt. Zooals U weet, wordt meestal verkocht met “Lusten en lasten, erfdienstbaarheden en in den toestand, waarin het terrein zich bevindt”. In een zoodanig geval zou de opvolgende kooper op grond van goeder trouw en op grond van de feitelijke toestand, zeer zeker kunnen vorderen, dat het recht van aansluiting voor zooverre dat recht van U afhankelijk is, ook aan den nieuwen kooper toebehoort, op grond van geen verdere vermelding van het tegenovergestelde in het betreffende koopcontract. Het is ons bekend, dat de leiding korter is dan aanvankelijk overeengekomen, deze inkorting is geschied ter voorkoming van waterbedref in het doode gedeelte, hetwelk anders zou zijn ontstaan. U hebt het recht, van ons te verlangen, dat de bestaande leiding wordt doorgetrokken naar de z.g. Kronkelweg, indien bebouwing ter plaatse deze doortrekking noodig maakt. Maat en hoedanigheid van de te gebruiken materialen zijn afhankelijk van den aard en de behoeften van te plaatsen gebouwen. Voor een goede watervoorziening wordt als norm gesteld, dat de gezamenlijke aftakleidingen evenveel doorlaatprofiel krijgen als de hoofdleiding, zoodat een behoorlijke bedrijfsdruk verzekerd is. Zoodra dus bouwplannen voorliggen, kan dus door ons, in overleg met U, worden bepaald, welke buizen en welke richtingen noodig zijn. Met hetgeen, waarop U alsnog recht hebt, houden wij dan volkomen rekening. Het is niet mogelijk, reeds tevoren alle mogelijke details te gaan beschrijven en zulks is ook niet noodig, omdat deze overeenkomsten uitsluitend worden beheerst door de goede trouw. Vertrouwende U hiermede naar genoegen te hebben ingelicht.

HOOFDSTUK 17

OPNIEUW MENINGSVERSCHIL OMTRENT OPPERVLAKTE

VERENIGING: “…NU DE STAAT BIJ DE ZAAK BETROKKEN IS…”

In verband met de overdracht via de Vereniging aan de Staat, achtte de notaris van de Vereniging het gewenst bedoeld gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg te doen opmeten, ook al zou dit enige vertraging geven.

[Bron V] Op 1.5.1930 schreef de Vereniging hierover aan Van Stokkum, o.m.:

…doch U zult begrijpen, dat nu de Staat bij de zaak betrokken is en de notaris op een opmeting voor de overdracht prijs stelde de definitieve afdoening eenige vertraging ondervond.

Door deze opmeting kwam evenwel aan het licht, dat de Vereniging zowel als het Staatsbosbeheer, maar ook de heer Van Stokkum, zich ten aanzien van de oppervlakte van genoemd gedeelte hadden vergist.

Het bedoelde gedeelte bleek namelijk geen ca 75 ha, doch ruim 80 ha groot te zijn, waardoor de Vereniging of de Staat feitelijk ruim 10 hectare voordeel had.
Want bij het bepalen van de koopsom was de Vereniging uitgegaan van een oppervlakte van 70 ha, met welk bedrag de heer Van Stokkum tenslotte genoegen nam bij het accoord van 28.12.1929.

Het laat zich denken, dat de heer Van Stokkum met een bedrag dat werd vastgesteld voor 70 ha, daarna was overeengekomen voor ca 75 ha, géén genoegen meer kon nemen toen bleek dat bedoeld gedeelte ruim 80 hectare groot was.

Hierom achtte de heer Van Stokkum zich gerechtigd verrekening te vragen. Een klein verschil vond hij redelijk en daarom verlangde de heer Van Stokkum bijbetaling voor ongeveer 2,5 ha.

(Zie ook onder “Meningsverschil omtrent oppervlakte”, Par. 12.14)

[Bron V] Op 2.6.1930 besloot Van Stokkum zijn brief hierover aan de Vereniging aldus:

Uwe Vereeniging zal ten mijnen nadeele geen voordeel willen trekken uit het feit, dat Uwerzijds onvrijwillig en mijnerzijds te goeder trouw aan de onderhandelingen een veel kleiner oppervlak dan het werkelijke is ten grondslag gelegd, weshalve ik U beleefd verzoek de meerdere 2 H.A. 440 cA. berekend tegen ca. (bedrag) per H.A., derhalve rond (bedrag) aan den koopsom toe te voegen. Voor mij blijft dan nog een groot nadeel bestaan, dat U zonder meer wel zult begrijpen.

“ONZE VEREENIGING SLECHTS TUSSCHENPERSOON”

VERENIGING: “…BOVENDIEN IS ONZE VEREENIGING THANS SLECHTS TUSSCHENPERSOON EN ZAL, ZOODRA DE OVEREENKOMST GETEEKEND IS, DE BEZITTING OVERGENOMEN WORDEN DOOR HET RIJK; U ZULT ZEKER WEL GEZIEN HEBBEN, DAT EEN WETSONTWERP IN DEZEN ZIN AAN DE STATEN-GENERAAL IS AANGEBODEN…”

[Bron V] Op 4.6.1930 antwoordde de Vereniging aan Van Stokkum:

Wij ontvingen Uw schrijven van 2 Juni, waarvan de inhoud door ons zal worden medegedeeld aan het Rijk. Wij moeten U echter berichten, dat het onmogelijk is voor onze Vereeniging om thans verandering in onze overeenkomst te brengen. Zoowel door U als door onze Vereeniging is onder oogen gezien de kwestie van de nieuwe opmeting en er is nimmer sprake van geweest, dat mocht de grootte van het terrein ten voordeele van onze Vereeniging uitvallen, dit wijziging zou kunnen brengen in den koopprijs. Bovendien is onze Vereeniging thans slechts tusschenpersoon en zal, zoodra de overeenkomst geteekend is, de bezitting overgenomen worden door het Rijk; U zult zeker wel gezien hebben, dat een wetsontwerp in dezen zin aan de Staten-Generaal is aangeboden. In dit stadium is het natuurlijk moeilijk eenige verandering in onze afspraak te brengen, want hierop zijn de onderhandelingen van ons met het Rijk gebaseerd.

VAN STOKKUM: “IK KENDE DE OPPERVLAKTE NIET”

VAN STOKKUM: “…IK STA VOLLEDIG IN VOOR DE WAARHEID VAN AL HETGEEN MIJN AAN U GERICHT SCHRIJVEN VAN DEN 2en DEZER INHOUD”

[Bron V] Op 14.6.1930 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging, o.m.:

Ik mag van U zoowel als van de Heeren van Dissel en Perk erkenning der feiten en rechtdoening verwachten. Ik sta volledig in voor de waarheid van al hetgeen mijn aan U gericht schrijven van den 2en dezer inhoudt Uw groot doorzettingsvermogen, lang aanhouden, deed mij ten slotte ook zwichten ten opzichte van het vasthouden aan verrekening, waarvan ik niet wilde afzien omdat ik de oppervlakte van het onderwerpelijke deel van ’t landgoed niet kende. Het gaat er in hoofdzaak om, dat mij een veel kleiner gedeelte zou overblijven dan 116 H.A. min + 75 H.A. = 41 H.A. In verband hiermee zie s.v.p. Uw schrijven dato 23.11.’29 en mijn schrijven van 25.11.1929 (zie resp. Par. 12.12 en Par. 12.13 – vSt.). De oplossing lijkt mij, de Emileweg een weinig om te leggen. Ik meen te mogen aannemen dat U Uwe medewerking hiertoe wel zult willen verleenen. Het conceptcontract heb ik ook ontvangen.

VERENIGING: “WIJ ZIJN ALLERMINST VRIJ”

VERENIGING: “…DAN ZOUDT U ZICH IN DIT STADIUM DAARTOE MOETEN WENDEN TOT DEN MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN EN LANDBOUW…”

[Bron V] Op 21.6.1930 schreef de Vereniging aan Van Stokkum:

Wat het over te dragen gedeelte van den Hoogen Hoenderberg betreft, wij hebben dit punt bij ons onderhoud in Januari uitvoerig besproken en zooals U weet is in het voorloopig koopcontract de bepaling opgenomen dat onder- of overmaat niet zou leiden tot verhooging of verlaging van de koopsom, noch tot vernietiging der overeenkomst. Sinds geruimen tijd zijn wij met den Staat bezig om alle terreinen onder Groesbeek met inbegrip van het gedeelte van den Hoogen Hoenderberg over te doen en de overeenkomst met U getroffen werd daartoe reeds aan den Staat ter kennisneming gezonden. Onder deze omstandigheden zijn wij natuurlijk allerminst vrij om van de overeenkomst af te wijken en indien U pogingen wilt aanwenden alsnog een wijziging der overeenkomst te bereiken, dan zoudt U zich in dit stadium daartoe moeten wenden tot den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw. Wij vestigen er nog Uw aandacht op, dat U zelf indertijd van oordeel waart, dat opmeting voor de overdracht niet noodig was, doch dat die opmeting geschiedde omdat onze notaris dit aanbevelenswaardig vond. Gaarne zal ik van U vernemen of U zich met het ontwerp der koopacte kunt vereenigen, waarna wij verdere stappen bij den notaris kunnen doen.

VAN STOKKUM: “GEEN NORMAAL GEVAL”

VAN STOKKUM: “…DAT HET HIER NIET GAAT OM EEN NORMAAL GEVAL – DAT U DEZE BEPALING HEBT GEWILD EN ONDANKS MIJN STERK TEGENSTREVEN EN OORSPRONKELIJKE AFSPRAAK TOCH HEBT DOORGEKREGEN…”

[Bron V] Op 30.6.1930 antwoordde Van Stokkum aan de Vereniging, o.m.:

Alhoewel het mij genoegen doet dat Uw schrijven de erkenning inhoudt van de feiten vermeld in mijn brief van 2 dezer, stelt Uw antwoord mij toch teleur. U wijst mij op de in het voorloopig koopcontract voorkomende bepaling betreffende onder- of overmaat. Mijn brieven van 2 dezer en 14 dezer toonen aan: 1. dat het hier niet gaat om een normaal geval, 2. dat U deze bepaling hebt gewild en ondanks mijn sterk tegenstreven en oorspronkelijke afspraak toch hebt doorgekregen. Ziet U in deze bepaling thans een moeilijkheid om mij recht te doen wedervaren? Deze is m.i. gemakkelijk te overwinnen gezien de ondeugdelijke basis. Ik meen van de zijde van Uwe Vereeniging spoedig een rechtvaardige regeling te mogen verwachten. Mijn antwoord van 12 April 1.1. inzake opmeting vóór de overdracht en eindbetaling (welke volgens onze overeenkomst hadden moeten plaatsvinden vóór 1 April, uiterlijk vóór 1 Mei 1930), sluit bij de door mij naar voren gebrachte feiten volkomen aan. Bovendien: ik had verwacht het ontwerp defin. koopcontract in de eerste helft van Febr. te zullen ontvangen. Een nieuw uitstel kwam mij bijzonder ongelegen. Zoolang deze zaak niet geregeld was, moest ik er mijn aandacht op gevestigd houden en was ik ook niet vrij in het vaststellen mijner buitenlandsche reizen. Thans heb ik het bijzonder druk op kantoor, moet den 4en en 5en Juli naar België en van 15 tot 26 Juli naar Zuid-Frankrijk. Den 28en Juli hoop ik met mijne familie in vacantie te gaan. Ik stel dus voor de defin. akte te laten passeeren tusschen 6 en 13 Juli a.s. en verzoek beleefd eerst nog even het veranderd ontwerp contract ter inzage. Behoudens de oppervlakte van het over te dragen deel mijner betreffende bezitting, kan ik mij met het door Uwen Notaris opgestelde ontwerpcontract vereenigen, met dien verstande, dat art. 3, als door mij aangegeven, wordt aangevuld en nog verwezen wordt naar de acte van rectificatie. Verschillende vragen heb ik voorts beantwoord en namen, datums enz. ingevuld. De door U voor den Notaris ter inzage gevraagde acte van rectificatie sluit ik hierbij in en verzoek U mij deze binnen enkele dagen terug te willen zenden. Het U vroeger toegezonden afschrift der koopacte van 17.8.1918 ontvang ik gaarne p.o. van U terug.

AANKOOP DOOR TWEEDE KAMER AANGENOMEN

VERENIGING: “…ALLE STUKKEN, OP DEZE AANGELEGENHEID BETREKKING HEBBENDE, ZIJN DOOR ONS AAN HET DEPARTEMENT TOEGEZONDEN EN ALLEEN DE STAAT ZOU THANS VERANDERING MOGELIJK KUNNEN MAKEN”

[Bron V] Op 2.7.1930 antwoordde de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

U zult vernomen hebben, dat de aankoop van de terreinen onzer Vereeniging bij Groesbeek met inbegrip van den Hoogen Hoenderberg reeds door de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd aangenomen en U zult begrijpen, dat onzerzijds onder deze omstandigheden onmogelijk van de indertijd getroffen overeenkomst kan worden afgeweken. Alle stukken, op deze aangelegenheid betrekking hebbende, zijn door ons aan het Departement toegezonden en alleen de Staat zou thans verandering mogelijk kunnen maken.

AUDIËNTIE BIJ DEN MINISTER

[Bron B] Op 1.7.1930 antwoordde de Kamerbewaarder van de minister, naar aanleiding van het desbetreffende verzoek, aan Van Stokkum:

In opdracht van Zijne Excellentie den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw, heb ik de eer U te berichten dat Zijne Excellentie U Woensdag 9 Juli a.s. te 3 uur n.m. zal ontvangen aan het Departement.

Minister jhr. mr. Ch. Ruijs de Beerenbrouck ontving de heer Van Stokkum op genoemd tijdstip in zijn werkkamer, in “het Torentje”, ingang Binnenhof.
Nadat de heer Van Stokkum het verloop van de onderhandelingen met de Vereniging en het Staatsbosbeheer had mogen uiteenzetten, vertelde hij hoe naar zijn mening het genoemde meningsverschil omtrent de oppervlakte en daardoor van de koopsom was ontstaan alsmede waarom hij voor slechts ongeveer 2,5 ha verrekening vroeg.

Tevens vroeg de heer Van Stokkum aandacht voor het offer dat hij reeds bracht in het algemeen belang door bedoeld grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte van zijn bezit met als bestemming natuurreservaat af te staan tegen zulk een uiterst lage koopsom en dat daartoe de verklaringen voor de minister, inzake de gelijktijdige en definitieve bestemming van het resterende gedeelte tot bouwterrein, voor hem de doorslag hadden gegeven, zodat hij zijn denkbeeld, het stichten van een vacantiedorpje, kon verwezenlijken (zie onder “Accoord van 28.12.1929”, Par. 13.7).

Hierop informeerde de minister o.m. of de waterleiding intussen was aangelegd en of het Tusculum van rector Lamers daarop was aangesloten.
De heer Van Stokkum dankte de minister voor zijn bemiddeling ook in deze langdurige kwestie en vertelde dat het leggen der buizen gereed was gekomen op 26 maart 1930 en dat het rusthuis, als eerste waterafnemer, was aangesloten in tegenwoordigheid van de voorzitter van de Stichting De Waterleiding Berg en Dal, mr. E.H.J. baron van Voorst tot Voorst alsmede de directeur der stichting, die zoveel had bijgedragen deze regeling tot stand te brengen, de heer J.M. Tesser.

Na dit alles met grote belangstelling te hebben aangehoord, verzocht de minister aan de heer Van Stokkum om hetgeen hij vernam, inzake de verrekening van het gebleken oppervlakteverschil ook nog te willen mededelen aan zijn referendaris, de heer A. Koudijs, welke hiervan ook ernstig kennis nam en deze zaak verder in behandeling kreeg.

[Bron V] Op 9.7.1930 schreef Van Stokkum aan de Vereniging, o.m.:

Ik heb de eer U hiermede te berichten, dat de Minister van Staat, Binnenl. Zaken en Landbouw mij heden een onderhoud toestond, waarbij het mij vergund was Z.Ex. de aangelegenheid, welke nog niet geregeld is, uiteen te zetten. De Weled. Gestr. Heer Referendaris A. Koudijs, heeft van Z.Ex. de zaak in behandeling gekregen en zal U vermoedelijk morgen telefoneren. Ik hoop dat de regeling onmiddellijk getroffen kan worden, zodat het transport nog deze week kan geschieden.

[Bron V] Op 11.7.1930 antwoordde de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Van het Departement ontvingen wij ook mededeeling omtrent Uwe bespreking; wij vertrouwen, dat deze aangelegenheid niet tot eenigszins belangrijke vertraging zal leiden.

In het navolgende schrijven liet de minister weten dat aan de koopsom de helft van het door de heer Van Stokkum gevraagde bedrag zou worden toegevoegd. Hierdoor behield de Vereniging of de Staat een voordeel van ruim 8,5 ha (zie Par. 17.1).

BESLISSING MINISTER INZAKE OPPERVLAKTEVERSCHIL

[Bron V] Op 14.7.1930 maakte de minister van Staat, minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, zijn beslissing bekend aan Van Stokkum:

Naar aanleiding van het onderhoud dat U op 9 dezer aan mijn Departement mocht hebben, heeft overleg plaats gehad met den Voorzitter der Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Bij dat overleg is, evenals uit de hierbij teruggaande stukken, gebleken dat het steeds de bedoeling is geweest een bepaald stuk grond te verkoopen en dat nimmer sprake is geweest van aankoop tegen een bepaalden prijs per H.A. Recht op verhooging van den koopprijs kunt U niet doen gelden, terwijl m i. de verplichting tot levering van het aangeduide deel van het landgoed “De Hooge Hoenderberg” vaststaat. Ik ben echter bereid op billijkheidsgronden aan de Vereeniging voornoemd voor te stellen den koopprijs met (bedrag) te verhoogen in de verwachting dat de overdracht dan door U zooveel mogelijk bespoedigd wordt. Gaarne verneem ik per omgaande of U hiermede accoord gaat.

STUKKEN DIE VAN STOKKUM NIET KÓN OVERLEGGEN

Indien de heer Van Stokkum indertijd had kunnen beschikken over de navolgende bescheiden, dan was zijn verzoek voornoemd door de minister stellig volledig ingewilligd:

  1. de brief van de Stichting “De Waterleiding Berg en Dal”, aan de Vereniging dd 22.8.1929, zie Par. 11.6;
  2. de brief van het Staatsbosbeheer aan de Vereniging dd 24.9. 1929, No 3706, zie einde van Par. 12.1

VAN STOKKUM: “TEVREDEN EN DANKBAAR DOCH NIET VOLDAAN”

[Bron V] Op 15.7.1930 schreef Van Stokkum aan de minister van Staat, minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw:

Juist voor mijn vertrek naar Zuid-Frankrijk mocht ik reeds Uw Excellentie’s beslissing inzake den aankoop van een gedeelte der “Hooge Hoenderberg” ontvangen. Alhoewel dezelve niet aan mijne wenschen beantwoordt, ga ik hiermede accoord, onder beleefde dankbetuiging in het bijzonder voor Uw Excellentie’s spoedige beslissing. Ik veroorloof mij U bijgesloten een afschrift te doen toekomen van een heden door mij aan den Weled. Gestr. Heer Mr.P.G. van Tienhoven verzonden schrijven.

Na de minister aldus schriftelijk te hebben bedankt, herhaalde de heer Van Stokkum zijn dank bij de eerstvolgende ontmoeting nog mondeling.

De minister vroeg bij die gelegenheid: “En, is U tevreden?”, waarop de heer Van Stokkum antwoordde: “Ja, Excellentie, tevreden en dankbaar, alhoewel zoals U begrijpt niet geheel voldaan.”

OVERDRACHT VAN RUIM 80 H.A. AAN VERENIGING

[Bron V] Op 25.7.1930 vond de overdracht plaats van het onderwerpelijke gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg aan de Vereniging, n.l. 80.0440 hectaren.

VERENIGING: “… ONS NAGESLACHT ONS DANKBAAR…”

[Bron V] Op 28.7.1930 schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Het heeft mij verheugd, dat thans onze moeilijke onderhandelingen tot een resultaat hebben geleid. Ik meen, dat wij tezamen een goed werk hebben gedaan en dat ons nageslacht ons dankbaar zal zijn voor de overeenstemming, die wij tezamen dankbaar zal zijn voor de overeenstemming, die wij tezamen hebben bereikt. Al gingen onze besprekingen dikwijls over bergen en dalen, doch blijkt hier wederom, dat Eind goed, al goed is. Ik hoop dat U van Uwe beslissing veel genoegen zal mogen beleven.

CONTRACT VERENIGING MET WATERLEIDING

[Bron W] Op 5.7.1930 schreef de Vereniging intussen aan de Waterleiding:

Onze notaris is thans bezig de laatste hand te leggen aan de overeenkomst tusschen onze Vereeniging en den Heer Van Stokkum en heeft noodig opgave van de kadastrale nummers van het terrein onzer Vereeniging, waar doorheen de waterleidingsbuizen gelegd zijn vanaf den straatweg Nijmegen-Groesbeek tot aan de grens van de percelen van den Heer Van Stokkum, welke door onze Vereeniging zijn aangekocht. Op onze kaarten komen de kadastrale nummers niet voor, doch alleen vaknummers en ik vermoed, dat U wel over de noodige gegevens zult beschikken, Wij zullen het ten zeerste op prijs stellen, indien U ons wilt zenden een kaartje van de definitieve ligging der buizen, met opgave van de kadastrale nummers, waarin zij gelegen zijn. Tevens vragen wij ons af, of het geen aanbeveling verdient dat een overeenkomst wordt opgemaakt tusschen onze Vereeniging en de Waterleiding, waaruit de toestemming tot het leggen en hebben der buizen blijkt. Intusschen wordt van deze toestemming natuurlijk ook melding gemaakt in de overeenkomst met den Heer Van Stokkum.

[Bron W] Op 11.7.1930 antwoordde de Waterleiding aan de Vereniging, o. m.:

In beleefd antwoord op Uw schrijven dd. 5 dezer hebben wij de eer U to adviseeren, le een terreinschets van het geheele terrein tusschen den weg Nijmegen-Groesbeek en de Biesseltsche Straat op schaal 1:5000, welke schets is overgenomen van de bestaande kadastrale kaarten te Groesbeek en waarop alle perceelnummers zijn aangegeven, zoomede de ligging der waterleidingbuizen. 2e een conceptcontract tusschen onze Stichting De Waterleiding Berg en Dal, zooals wij dat gaarne zouden hebben.

DEPARTEMENT ACCOORD MET OVEREENKOMST

[Bron W] Op 25.8.1930 schreef de Vereniging in antwoord aan de Waterleiding:

Naar aanleiding van Uw brief van 11 Juli j.1. No 1578, pleegden wij overleg met het Departement van Binnenlandsche Zaken en Landbouw, welk Departement, zooals U bekend zal zijn, binnenkort de bezittingen onzer Vereeniging in de Gemeente Groesbeek zal overnemen. Thans kunnen wij U een ontwerp der overeenkomst, aan te gaan tusschen onze Vereeniging en Uw Maatschappij, toezenden, waarmede het Departement zich kan vereenigen. Gaarne zullen wij vernemen, of ook U met de inhoud accoord gaat, waarna een definitieve overeenkomst, hetzij door U, hetzij door ons, kan worden opgemaakt. Voor het maken der kaart, te hechten aan de overeenkomst, wilt U wel zorgdragen.

[Bron W] Op 29.8.1930 schreef de Vereniging aan de Waterleiding, o.m.:

Voor de goede orde zullen wij gaarne ook voor ons archief een op zegel gesteld exemplaar der overeenkomst met een aangehechte kaart ontvangen, eveneens door Uwe Stichting en onze Vereeniging te onderteekenen. Wij kunnen dan deze overeenkomst t.z.t. aan den Staat uitreiken.

[Bron W] In de op 4.9.1930 ondertekende overeenkomst tussen de Vereeniging en de Waterleiding staat o.m.:

Op grond van artikel 3 der koopacte dd. 25 Juli 1930 gesloten tusschen de Vereeniging en den Heer P.J.M. Van Stokkum te Rotterdam, bij welke acte aan de Vereeniging werd overgedragen een gedeelte van het landgoed “Den Hoogen Hoenderberg” bij Groesbeek, verleent de Vereeniging aan de Stichting het recht tot het hebben, houden, herstellen, verzwaren en wegnemen van waterleidingsbuizen en al wat daartoe redelijkerwijze behoort in de aan de Vereeniging toebehoorende terreinen, Gemeente Groesbeek Sectie F Nos. 171, 170, 36, 151, 152, 153, 154, 150, 248, alsmede de kadastrale nummers van percelen, welke hier niet uitdrukkelijk zijn vermeld, doch waarin de bedoelde waterleidingbuizen op heden reeds gelegd zijn, een en ander zooals op de aan deze overeenkomst gehechte en door partijen voor echt erkende kaart is aangegeven.

[Bron W] (zowel van genoemd contract als van bedoelde kaart bevinden zich thans fotocopiën in het familiearchief Van Stokkum-Vogels)

HOOFDSTUK 18

VAN STOKKUM VROEG OM BEHOUD NATUURSCHOON

Van Stokkum vroeg aan de Vereniging om daadwerkelijk behoud van het natuurschoon in het door hem met die bestemming afgestane grootste gedeelte van zijn oorspronkelijke bezit…

[Bron V] Op 24.8.1930 schreef Van Stokkum aan de Vereniging, o.m.:

Zonder twijfel zult U zich herinneren hetgeen U en ik bespraken betreffende ruiters. Ik vertelde U welke hinder, schade en ergernis deze mij berokkenden. Zij stapten zelfs diepe gaten in pas aangelegde smalle wandelpaden. Mijn boschwachter betrapte een paar dat door pas geplant (of 1 jarig) dennenbosch reed enz. U antwoordde mij geruststellend op mijne vragen betreffend deze aangelegenheid. Door een vergissing van mijn boschwachter zijn de afsluitstangen die alleen wandelaars, en wielrijders toegang tot het landgoed De Hooge Hoenderberg geven, geopend, weggedraaid. Ruiters welke toestemming hadden voor het berijden van de landgoederen Wolfsberg, Inginaheuvel en Muntberg hebben hieruit blijkbaar de conclusie getrokken dat ruiters nu ook dáár vrijen toegang hebben. Waren ze nu maar midden op de Hoofdlaan, Vogelslaan enz. gebleven, dan was het zoo erg niet. Maar het is weer gelijk vroeger!! Zij stapten diepe gaten in de als fietswegen door mij gebaande kanten der wegen. De wielrijders en wandelaars klaagden er al over. U heeft niet alleen Uwe instemming met mijne ideeën, deze betreffend, geuit, maar daarbij nog opgemerkt dat U ook geen auto’s in de bosschen wenscht toe te laten. Alleen op enkele daarvoor aangewezen onontbeerlijke wegen. Ook hiermede ben ik het met U weer eens, ofschoon auto’s, gelijk ruiters, alleen het rustig wandelen verhinderen. Maar auto’s bederven de wegen zèlf niet voor wandelaars en wielrijders! Zoodra mij bij onderzoek gebleken was dat het niet Uwe Vereeniging doch mijn eigen boschwachter geweest was die de wegen algeheel openstelde, stelde ik den boschwachter Schoonenberg Uwer Vereeniging met de feiten in kennis, gaf order de stangen weer te draaiën en Uw boschwachter een sleutel voor het openen en sluiten der stangsloten te doen overhandigen. Door deze maatregel is tevens bereikt dat het sprokkelen gekeerd kan worden totdat het Staatsboschbeheer besloten heeft of het takbemestingssysteem, door mij sedert 15.10.1921 toegepast, in dit onderwerpelijke deel van den Hoogen Hoenderberg ook verder zal worden voorgezet. In het mij overgebleven deel zet ik dit systeem voort; door eigen ervaring weet ik nu nog beter de noodzakelijkheid hiervan, op gronden als deze. De prachtresultaten van den Houtvester van Schermbeck en Kammerherr Von Kalitz deden mij in 1921 hiertoe besluiten.

[Zie ook zijn brief die hierna volgt.]

Zie in verband met de voorstaande en de navolgende brief onder “Bescherming voor moedwil”, Par. 5.1.

[Bron V] Eerder, n.1. op 22.8.1930 had Van Stokkum geschreven aan de boswachter der Vereniging, de heer Schoonenberg, te Groesbeek:

Tot mijn leedwezen moest ik vaststellen dat er een paar malen ruiters op het landgoed De Hooge Hoenderberg geweest zijn. Vóór 1918 waren daar zooals U weet geen wandelwegen. Het waren alle boschwegen vol gaten en kuilen, wortels, hei en gras. Wielrijden was daar heelemaal onmogelijk. U weet dat ik ten koste van duizenden guldens met veel geduld nieuwe wandelwegen en fietswegen aanlegde en opplantte en verschillende bestaande wegen grondig verbeterde. De Hoofdlaan, Vogelslaan en Anthoniuslaan heeft mijn boschwachter Piet Kersten regelmatig en met veel moeite en zorg vrij van boschgras en heidestruiken gemaakt en gehouden en heeft hij, overeenkomstig mijne aanwijzingen, het op verschillende plaatsen van deze en andere wegen zich vormende mosbedekking zorgzaam gespaard enz. Vooral in den bloeitijd zijn deze mosbedekkingen, hier en daar onderbroken door laag blijvende heide, prachtig. Het is heerlijk wandelen over zoo’n mosbed. En langs de bermen werden deze wegen langzaamaan harder en harder en mooi vlak. Niet alleen kon de boschwachter zich nu snel en gemakkelijk overal door het landgoed bewegen ter controle maar ook mijne familie en de vele wandelaars en fietsrijders genoten nu volop van het natuurschoon, de prachtige vergezichten enz., waar men vroeger niet kwam. Toen ruiters die wegen (zelfs de smalle wandelpaadjes langs het spoor in hooge Park) vol gaten kwamen stappen, hier en daar zelfs galoppeerden, verbood ik den toegang voor ruiters. Maar deze stoorden zich niet aan mijn verbod en … toen ik afsluithekken aan de ingangen had laten aanbrengen hierbij juist genoeg gelegenheid latend voor wandelaars, wielrijders en moeders met kinderwagens, om ongestoord het landgoed te kunnen betreden – kwamen er ruiters buiten de wegen om en sprongen zelfs over de door mij gegraven diepe breede en hooge wal! Mijn boschwachter en ik hebben den laatsten ruiter die buiten de stangen om binnen gekomen was en zich ook niet stoorde aan het haltgeroep van den boschwachter Bons, zelfs niet na 2 revolverschoten, langs de Holle weg zien vluchten. Sedert dien bleef ik van zulke bezoeken verschoond. Maar nu zijn er weer verschenen. En wat ik van een eenvoudigen karrevoerder, een gewonen boer, nog nooit ondervond dat doen zulke menschen. Die ruiters reden warempel langs den kant van de Hoofdlaan daar waar de wielrijders een vlakken weg noodig hebben en ik hen deze voor eigen rekening schonk. Bleven ze nog midden op den weg, maar hiervoor zijn deze ruiters te dom of te baldadig geweest. Hetzelfde deden ze op de door mij moeizaam mooi vlak gemaakte ronde breede wandelweg op de bouwplaats en elders. Ik vroeg nu aan Kersten of de Vereeniging hem verzocht had de wegen open te maken, want dit had ik gedacht omdat ik hem hiertoe geen order gegeven had. Hij antwoordde dit op eigen gezag gedaan te hebben, denkende dat dit zoo moest nu een deel aan de Vereeniging verkocht is. Ik wees er hem nu op dat ook de Heer Van Tienhoven geen ruiters die wegen wil laten bederven en kapot rijden. De Heer Van Tienhoven heeft mij gezegd dat ik nog evenveel vreugde van het verkochte zou hebben. Maar als die wegen met zoveel zorg, liefde en kosten en in zoo’n lange tijd moeizaam in orde gekregen, in de tijd van enkele weken zoo gehavend zouden worden bleef mij slechts ergernis. Ik sprak hierover reeds vroeger met den Heer Van Tiehoven die het geheel met mij eens is en zelfs geen autowegen in het bosch wilde. Alleen die SpoorLaan en Sanatoriumweg. Langs de Oost-Westlaan konden de ruiters de weg ook wel eens grondig gaan bederven. Zonder geld ter beschikking te stellen voor de noodzakelijke herstelling! Ik laat mijn Zoontje de wegen dus weer afsluiten maar wilde dit niet doen zonder er U van in kennis te stellen en U hierbij een sleutel van de sloten te doen overhandigen. U kunt de wegen bij behoefte dan steeds even openen. Weet U dat er gesprokkeld is vooraan op de Hoofdlaan? U weet hoe moeilijk het voor mij was het sprokkelen in mijn bezit uit te roeien teneinde door het takbemestingssysteem de boden te verbeteren. Houdt er s.v.p. na goed don hand aan. Dit gaat gemakkelijk. Iedereen weet hier dat in dit bezit niet gesprokkeld mag worden. En ze zullen het laten als er maar even op gelet wordt. U ziet hoe buitengewone resultaten ik bereikte met de bodemverbetering en hoop op Uwe medewerking te mogen rekenen teneinde mijn arbeid voltooid te zien.

(Zelf ging de heer Van Stokkum altijd te voet; nimmer per rijwiel. In het gedeelte dat hij ongerept afstond aan de Staat kon men hem nog vaak aantreffen, jaren lang; zoals altijd, met het snoeimes in de hand.)

VERENIGING: “U hebt bijgedragen tot SCHOONE EENHEID”

Vereniging: “…het is moeilijk om zulke vrijbuiters te wijzen op hun verplichtingen…..het doet mij een genoegen, dat U ook hebt bijgedragen om het terrein een schoone eenheid te geven…”

[Bron V] Op 26.8.1930 antwoordde de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

Wat de ruiters betreft, zoo ben ik het met Uw opmerkingen eens. Als men te paard zit heeft men weinig zorg voor andere belangen en daarom hebben wij reeds de paardrijders aan een speciale vergunningskaart gebonden om op onze terreinen te mogen rijden en wel op de wegen. Enkele heeren hebben er reeds tegen geprotesteerd, dat zij aan bepalingen waren gebonden. Het is moeilijk zulke vrijbuiters te wijze op hun verplichtingen. Uw opmerkingen zal ik overbrengen aan het Staatsboschbeheer, want binnenkort zullen alle terreinen overgedragen worden aan de Staat en dan moet het Staatsboschbeheer maar beslissen wat gedaan moet worden om de excessen der paardrijders te beperken. Indien men met het paardrijden op de groote wegen blijft, dan acht ik deze sport geen gevaar, doch wel als men de rijwiel- en voetpaden voor paarden gebruikt. Wij hebben de voorwaarden der acte kunnen vaststellen en het Rijk zal spoedig in het bezit komen van een fraai natuurterrein, dat wij met groote moeite en inspanning hebben mogen behouden. Het doet mij genoegen, dat U ook hebt bijgedragen om het terrein een schoone eenheid te geven.

OVERDRACHT “AFGEROND” NATUURRESERVAAT AAN DE STAAT

[Bron S] Op 4.10.1930 vond de overdracht aan de Staat plaats van de beide landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg, alsmede van het, als een enclave daartussen gelegen gedeelte van het landgoed De Hooge Hoenderberg.

Hierdoor kwam de Staat in het bezit van een prachtig aaneengesloten bosgebied, waarvan de eenheid en de afronding slechts mogelijk werd door het taai volhouden van de betrokken natuurliefhebbers met als resultaat het accoord van 28.12.1929.

VAN STOKKUM LID VAN VERDIENSTE

[Bron V] Op 18.10.1930 schreef de Vereniging aan Van Stokkum, o.m.:

In verband met Uw brief van 14 October zenden wij U ingesloten toe een doorloopend bewijs van lidmaatschap onzer Vereeniging ter vervanging van het lidmaatschap tegen een jaarlijksche bijdrage. Moge dit bewijs van lidmaatschap U een blijvende en aangename herinnering zijn aan de vele besprekingen over den Hoogen Hoenderberg, welke dikwijls moeilijk waren, doch steeds op prettige wijze gevoerd werden.

DIRECTEUR STAATSBOSBEHEER VROEG ADVIES OVER BEHEER

[Bron B] In aansluiting aan hetgeen eerder werd vermeld o.m onder “De noodzaak van vogelstand”, Par. 5.10, richtte de heer E.D. Van Dissel op 5.11.1931 het navolgende schrijven aan Van Stokkum (dit is overigens de enige privé-brief van de heer Van Dissel welke nog leesbaar in de genoemde brandkast van de heer Van Stokkum werd aangetroffen):

Tijdens de excursie der Nederl. Heidemij deed U mij eenige mededeelingen i.z. het beheer der Staatsgronden te Groesbeek en beloofde U mij deze in telegramstijl aan mijn persoonlijk adres, Nassaustraat 15, toe te zenden. Ik zou het bijzonder waardeeren, indien U gelegenheid zoudt kunnen vinden zulks – kan het zijn binnenkort – te doen. Bij voorbaat betuig ik U gaarne mijn dank voor Uwe te nemen moeite en verblijf enz.
P.S. Ik bied U mijne verontschuldigingen aan voor dit in haast geschreven briefje! Tevens veroorloof ik mij U een jaarverslag van het Staatsboschbeheer aan te bieden.

HOOFDSTUK 19

REDENEN UITSTEL BOUW VACANTIEDORPJE

Mede als gevolg van de in de dertiger jaren heersende algemene crisis, maar stellig ook door, zoals ir. Meischke het reeds aanduidde, “het onbegrip van het nieuwe”, was het de heer Van Stokkum indertijd onmogelijk de benodigde credieten te verkrijgen voor het realiseren van zijn vacantiehuisjes project in een aantal als hij zich dat voorstelde.

Evenmin was het hem in die periode mogelijk een daartoe nodig bedrag aan zijn Rotterdamse zaken te onttrekken.

Wel overwoog hij te starten met de bouw van enkele villa’s en dit aantal geleidelijk aan uit te breiden, doch hem bleek na onderzoek dat een dergelijke exploitatie toen onrendabel was.

Het bouwterrein lag te geïsoleerd: de aanlegkosten van een electriciteitskabel was toen slechts verantwoord indien dat vacantieoord in zijn geheel, of voor een groot deel b.v. 100 villa’s zou worden gebouwd.

Ook het vervoer van en naar Nijmegen of Groesbeek vormde nog een probleem, dat men zich thans niet meer kan voorstellen, dit was toen slechts lonend bij voldoende deelname, dus van een groot aantal vacantiegangers en vaste bewoners.

Zo weigerde de spoorwegen indertijd op de lijn Nijmegen-Groesbeek, ter hoogte van het te stichten dorpje een zgn stopplaats “op verzoek” in te voeren (hoewel daarop later, in de jaren 1935– 1937, werd teruggekomen; zelfs een extra trein werd ingelegd om een grote groep jeugdige vacantiegangers te brengen en te halen).

VACANTIEHUIS EN BOSHUIS

Toen het omstreeks 1932 vrijwel zeker was, dat hij zijn grootse bouwplannen tot later moest uitstellen, misschien zelfs aan zijn kinderen moest overlaten, besloot de heer Van Stokkum aan zijn zoon Antoon financiële steun te verlenen voor de bouw van een vacantiehuis voor een M.T.S.-vereniging.

Dit vacantiehuis, genaamd “De Kamphut” met een capaciteit van ca 60 bedden, werd in 1933 gebouwd.

Daarna liet hij deze zoon als architect voor zijn grote gezin een vacantievilla bouwen op het meer westelijk geprojecteerde punt waar aanvankelijk het hoofdgebouw zou komen (zie Par. 11.2). Deze villa, genaamd het “Boshuis”, kwam in 1934 gereed en is thans bekend onder de naam “Jeugdhotel Die Hooghe Hoenderbergh” en eigendom van zijn zoon Martien, die deze villa in de loop der jaren uitbreidde tot een groot modern jeugdhotel (niet te verwarren met een zg “jeugdherberg”!), met een capaciteit van ruim 150 bedden. Voor het hotel ligt een – als een bergmeertje aangelegde – vijver. Van uit het hotel heeft men een zeldzaam mooi uitzicht, waarover Bertus Aafjes op 24.11.1963 in het gastenboek schreef: “Dit gezicht over boom en heester lijkt wel op een Oude Meester!”

Duizenden jongeren brengen hier de vacantie door en genieten van het mede door toedoen van de heer Van Stokkum rondom vermeerderde natuurschoon.

[Toevoeging dd 2007: het jeugdhotel is in 2005 afgebroken.]

VAN DISSEL: “U BEHOUDT DAAR DE VOLLE BOUWVRIJHEID…”

Hieronder iets over hetgeen tot nu toe tot stand kwam op het zgn “resterende gedeelte” van het landgoed “De Hooge Hoenderberg”, waarvoor ingevolge het accoord van 28.12.1929 de volle bouwvrijheid werd toegezegd voor de minister alsmede royale medewerking van overheidswege (zie Par. 13.7).

[Kaart] Kaart “resterende gedeelte”, bestemd tot bouwterrein

FOTOs/075-1.png

(De eerder afgebeelde terreinkaartjes treft U aan in Par. 4.17, Par. 8.13, Par. 10.3, Par. 13.8 en Par. 14.6.)

(De perceelletters staan aangegeven op de voorgaande terreinkaart.)

J.H. PERK: “FEITEN ZIJN OVEREENKOMSTIG DE WAARHEID”

Ongerust geworden over het gemis aan bescheiden omtrent de afspraken die doorslaggevend waren en op grond waarvan het accoord van 28.12.1929 tot stand kwam, stelde de heer Van Stokkum eind 1942 een kort verslag op betreffende deze aangelegenheid (zie onder “Onderhandelingen en doorslag tot accoord” in Par. 13.6).

Op 21.6.1948 bezocht de heer P.J.M. van Stokkum, vergezeld van de heer J.H. Perk, de heer E.D. van Dissel te Ellecom.

In bijzijn van de heer Van Dissel schreef de heer Perk onder genoemd opstel over die besprekingen, doorslaggevende en officieel voor de minister afgelegde verklaringen door de heren Van Tienhoven en Van Dissel, genoemd in Par. 13.7:

feiten zijn overeenkomstig de waarheid

Op 26.6.1948 schreef Van Dissel aan Van Stokkum, o.m.:

Tot mijn spijt kon ik U nog niets van mij laten horen; ik heb mij n.l. onwel gevoeld, waarschijnlijk tengevolge van een kwaadaardig stuk wortel van een kies, dit is er nu vanmiddag uit verwijderd. Ik gevoel me nu prettiger en hoop morgen weer normaal te zijn en hoop dan dadelijk a.h. bestudeeren der stukken te gaan, hetgeen mij tot nu toe niet mogelijk was.

Op 1.7.1948 schreef Van Stokkum aan Van Dissel, o.m.:

U weet dat ook de Heer Perk, zich deze antwoorden en verklaringen nog zeer goed herinnert, en dat hij dit in Uw bijzijn ook schriftelijk bekrachtigde. Mag ik zoo vrij zijn U ten slotte nog te verzoeken, mij te schrijven, of U de vooromschreven erkenning van feiten door den Heer J.H. Perk als alleszins betrouwbaar acht?

Op 2.7.1948 schreef Van Dissel aan Van Stokkum, o.m.:

In antwoord of Uw brief van l Juli j.l., deel ik U gaarne mede, dat ik indertijd den Heer Perk gedurende de lange jaren, dat hij onder mij werkzaam was, heb leeren kennen als absoluut betrouwbaar en als iemand met een uitstekend geheugen.

Op 1.7.1948 schreef Van Stokkum aan Perk, o.m.:

Ik twijfel er absoluut niet aan, dat de Heer Van Dissel het stukje dat U zoo hulpvaardig van een korte verklaring en handteekening voorzag, óók bekrachtigd zou hebben, indien hij zich die antwoorden en verklaringen nog even goed kon herinneren als U. Zijn ernstige ziekte heeft zijn geheugen ernstig benadeeld, verzekerde de Heer Van Dissel mij, en U verheugt zich nog in een buitengewoon goed geheugen, voegde hij hieraan toe.

HERZIENING LIJST NATUURGEBIEDEN

Op 24.4.1962 schreven burgemeester en wethouders der gemeente Groesbeek aan Van Stokkum:

Hierbij delen wij U mede, dat de Rijksdienst voor het Nationale Plan te ’s Gravenhage voornemens is de thans geldende zgn “voorlopige lijst van natuurgebieden”, zoals die is vastgelegd bij Besluit van 20/21 juli 1942, voorzover gelegen binnen de provincie Gelderland, te herzien. Het is ons gebleken, dat ook gronden, welke aan U in eigendom toebehoren, zijn opgenomen in het ontwerpplan tot herziening van bovenvermelde lijst. In verband hiermede, berichten wij U, dat voormeld ontwerpplan met kaarten en toelichting vanaf 27 april 1962 voor belanghebbende gedurende veertien dagen ter inzage zal liggen ter secretarie, kamer 16. Tot en met 14 mei a.s. kunnen door U eventuele opmerkingen en/of bezwaren schriftelijk kenbaar gemaakt worden aan het gemeentebestuur.

OP EEN VERKEERD PAD

Wie uit voorstaand verslag NIET kan opmaken dat genoemde afspraken en verklaringen op 28.12.1929 werden gemaakt en officieel afgelegd voor de minister is een genie!

Het hierop terugkomen zou het afglijden zijn naar een situatie, waarin een voor de minister gegeven woord niet ernstig wordt genomen.

Blijkens bovenstaande brief moet daarom wel worden aangenomen, dat de Rijksdienst voor het Nationale Plan, van genoemd accoord van 28.12.1929 niet formeel in kennis is gesteld. Eenzelfde vermoeden bestaat ten aanzien van andere overheidsinstanties waarmee men tegenwoordig te maken heeft bij het realiseren van genoemd en eertijds van overheidswege definitief goedgekeurd vacantiedorpje op het “resterende gedeelte” van het landgoed De Hooge Hoenderberg.

Het terugkomen op genoemde officiële verklaringen zou tegenover de heer P.J.M. van Stokkum bovendien een schrijnend onrecht betekenen:
Omdat, geen der vele overheidsorganen, noch een vereniging tot behoud of verkrijging van natuurschoon, respectievelijk ter bevordering van het vreemdelingenverkeer, indertijd in 1918 enige belangstelling toonde voor het aanvankelijke zg “Maldensche Vak”, toen dat in de vooromschreven staat en in het grootst denkbare gevaar van algehele verwoesting verkeerde, maar dit aan zijn lot overlieten;

omdat, door de heer Van Stokkum genoemde voortsnellende verwoesting daar in 1918 niet alléén ogenblikkelijk werd gestuit, maar hij het weinige natuurschoon zorgvuldig spaarde en binnen tien jaar, maar óók daarna, in rijke mate vermeerderde zonder enige overheidssteun of zelfs maar belangstelling van wie ook;

omdat, het, door hem gecreëerde landgoed De Hooge Hoenderberg door de overheid pas werd o n t d e k t, nadat zijn tienjarenplan voor herbebossing en wegenaanleg gereed was; hij aan het dorp Groesbeek en deze gehele, mooie streek de grootst mogelijke bekendheid had gegeven; hij zich had ingezet betere verbindingen daarheen tot stand te brengen en hij de plannen tot het stichten van een groots toeristencentrum, een vacantiedorpje, het stichten van de Lusthof De Hooge Hoenderberg, op dat uniek gelegen terrein gereed had;

omdat, genoemd accoord van 28.12.1929 zonder twijfel ZOWEL de bestemming van het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte van het landgoed tot natuurreservaat inhield, ALS WEL de bestemming van het gehele resterende gedeelte tot recreatiewoongebied, m.a.w. tot bouwterrein (het was met recht een regeling van gelijk oversteken!);

omdat, genoemd accoord de goedkeuring verkreeg van de minister, ten gevolge waarvan genoemd grootste gedeelte natuurreservaat wérd, precies zoals het resterende gedeelte op dát tijdstip bouwterrein wás geworden.

In het jaarboek 1929/1935 van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, betoogt mr. H. Westerman, aan het slot van een uitvoerig artikel inzake “de noodzakelijkheid van een Natuurbeschermingswet”:

“INDIEN MEN DE NATUUR ZOU WILLEN BESCHERMEN TEN KOSTE VAN HET RECHT, DAN IS MEN OP EEN VERKEERD PAD, HETWELK TOCH EENS DOODLOOPT. – DE WETGEVER ZIJ HIER VOORZICHTIG!”

HET OORDEEL VAN DE BURGEMEESTER

Ter gelegenheid van de 25e verjaardag van de aankoop van de oorspronkelijke terreinen maakte de heer P.J.M. van Stokkum een overzicht der vele werkzaamheden in die afgelopen 25 jaar.

Aan zijn zoon Antoon verzocht hij al die gegevens te vermelden op een grote terreinkaart van dit gebied van ca 130 hectare.

Dat overzicht alsmede die grote terreinkaart zond de heer Van Stokkum vervolgens o.m. aan de burgemeester van Groesbeek, jhr. R.M.J.F.L. Van Grotenhuis (deze grote terreinkaart is ook in dit gedenkboek bijgevoegd).

Op 24.9.1943 schreef de burgemeester van Groesbeek aan Van Stokkum:

Hiermede betuig ik U mijn beleefden dank voor de toezending van de zeer interessante kaart, welke ik van U mocht ontvangen bij gelegenheid van den 25en verjaardag van den aankoop Uwer terreinen. Ik moge U mijn gelukwenschen aanbieden, niet zoozeer terwille van dit feit op zich, dan wel vanwege de resultaten, welke U heeft weten te behalen. Moge het U gegeven zijn nog langen tijd verder te werken aan dezen schoonen arbeid en dat deze strekken moge niet alleen tot Uw eigen voldoening, doch tevens tot leering, genot en geluk van vele anderen, die verrijking van kennis en/of ontspanning komen zoeken in Uwe mooie boschbezitting. Met groote belangstelling nam ik er vervolgens kennis van, dat U werkzaam is aan een Gids. Het zal mij zeer aangenaam zijn t.z.t. van Uwe gegevens inzage te mogen verkrijgen. In verband met de goede voornemens om tot een restauratie van het oude kerkje in het dorp Groesbeek te komen, zijn historische gegevens noodzakelijk en daarbij blijkt mij o.a. weer, dat zoo weinig betrouwbare gegevens voorhanden zijn. Onder herhaalde betuiging van mijn dank verblijf ik in oprechte hoogachting en met beleefden groet, Uw dw.,

HOOFDSTUK 20

EEN SOCIAALVOELEND MENS

Wanneer het waar is, dat men in het algemeen geen sociaalvoelend mens wordt, doch dat men dit is – als het ware bij overerving – dan is de heer P.J.M. van Stokkum zich dit sociale gevoel op zeer jeugdige leeftijd gewaar geworden.

Op zijn vierentwintig jarige leeftijd (in 1905) zocht en vond hij een praktische verwezenlijking van zijn idealen. Het werk o.a. in de St. Vincentiusvereniging, het Kruisverbond en de Knapenbond, werd zijn eerste praktische leerschool en hij prijst zich nog altijd gelukkig, uit eigen aanschouwing, de eenvoud en de nooddruft van het arbeidersleven te hebben leren kennen.

Deze ervaring was het, die hem zo gemakkelijk deed omgaan met en zo bemind maakte bij de Groesbeekse Stekkenberg- en Siepbewoners. Een Stekkenberger, Piet Kersten, die jaren lang zijn boswachter was, vertrouwde hem spontaan eens toe: “voor mijnheer ga ik door het vuur”.

Reeds één jaar nadat hij “Het Maldensche Vak” in 1918 aankocht, in die toen nog onbekende en door een grote werkloosheid geteisterde streek, verzocht de heer Van Stokkum de toenmalige burgemeester, jhr. Van Nispen tot Pannerden, en de wethouder, baron Van Lamsweerde, in bijzijn van de heer D. Montenberg, de rentmeester van de meeste Groesbeekse landgoederen, een aantal der vele en zo mogelijk alle werkloze Groesbeekse arbeiders niet langer aan de gevolgen van ledigheid prijs te geven, doch gelegenheid te schenken enige der vele Groesbeekse mulle zandwegen in behoorlijke staat te brengen, o.a. de Zevenheuvelenweg en de Maldensebaan.

Deze werkverschaffing zou gepaard moeten gaan met slechts enkele guldens meer weekloon, dan toen voor het “nietsdoen” gegeven uiterst lage steungeld, maar dat zou, aldus de heer Van Stokkum, voor de gezinnen dezer arbeiders een w e l d a a d en voor de gemeenschap, in het bijzonder de Groesbeekse, van groot meervoudig voordeel zijn.

Burgemeester en wethouder antwoordden evenwel, dat de bestaande overheidsbepalingen de uitvoering van dit reële voorstel beletten.

Deze toestand, het instand houden van zoveel armoede terwijl er werk te over was, kwam de heer Van Stokkum toen hoogst onsociaal, onverstandig en daarom ergerlijk voor.

Jaren lang, winter en zomer, verschafte de heer Van Stokkum op De Hooge Hoenderberg aan tientallen mensen werk en hij was er destijds van overtuigd, dat de gemeente de overigen met een lager weekloon, dan hij deze arbeiders betaalde, tevreden kon stellen.

Het door de heer Van Stokkum in 1919 voorgestelde, werd eerst vele jaren later door betere wettelijke bepalingen mogelijk gemaakt en deels in werkverschaffing uitgevoerd.

Door en langs de ca 600 hectare Groesbeekse Staatsbossen werden toen door het Staatsbosbeheer zeer omvangrijke en doeltreffende verbeteringen van wegen tot stand gebracht, o.a. de Maldensebaan, de Heumensehaan en de Biesseltsebaan terwijl er nog enige zeer nuttige wegen werden aangelegd.

In die periode in 1931, verbeterde de heer Van Stokkum met toestemming van b. en w., waarvan hij de hulp van twee gemeente werklieden kreeg aangeboden, doch overigens uit eigen middelen en tijdens zijn vacantie, enkele in uitzonderlijk slechte staat verkerende gedeelten van gemeentewegen in het dorp. Er kwam zelfs nog een ploeg met paard aan te pas om de “overakkerde” wegkanten vrij te maken. Om herhaling van deze overakkering te voorkomen liet de heer Van Stokkum de betreffende stukken land opmeten en langs bedoelde wegen grenspalen plaatsen. Dit betrof het sterk hellend laatste gedeelte van de Zevenheuvelenweg (met watergeul) en een zijweg daarvan, lopende in de richting van de Cranenburgseweg.

De door de heer Van Stokkum sedert 1926, ten aanzien van zijn terreinen De Hooge Hoenderberg en de “Panoramaberg” genomen initiatieven van het daar stichten van vacantiecentra’s sproten dan ook deels voort uit zijn sociaal gevoel.

Het stichten van een groot toeristencentrum, een vacantiedorpje, een voor onze begrippen uniek gelegen “Lusthof De Hooge Hoenderberg”, een vacantieoord zoals hij die kende van het buitenland, maar waarvan slechts bevoorrechten konden gaan genieten.

Een dergelijk project, hoewel van veel bescheidener omvang, op de Panoramaberg voor wie de vacantie dichter bij het dorp wilde doorbrengen.

Het uiteindelijk ingaan op het desbetreffende verzoek om de plannen ten aanzien van De Hooge Hoenderberg te wijzigen, door aan zijn bezit een tweevoudige bestemming te geven, een definitieve splitsing van deze terreinen, in de geest als door de heren Van Tienhoven en Van Dissel hem was voorgesteld, waardoor het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte ongerept behouden bleef, maar zijn bouwplannen konden worden verwezenlijkt op het daartoe bestemde resterende gedeelte van zijn bezit. Met hartzeer deed hij afstand van dat mooiste gedeelte.

Deze sociaalvoelende bracht dit offer in het algemeen belang.

“Edele mensen begrijpen elkaar spoedig, onedele mensen moeten elkander bestuderen”
en
“Niet zijn woord is de waarborg van de man, maar de man de waarborg van zijn woord”.

Dit waren begrippen voor hem. Hij ging in op dat verzoek tot afstand, hoewel hij die beslissing met tegenzin nam!

De Kamphut; in harmonie met het landschapFOTOs/083-10.png

Zijn grootse voornemens werden in de dertiger jaren onmogelijk gemaakt door de toen algemeen heersende crisis, maar toch liet hij dit afgebeelde vacantiehuis “De Kamphut” bouwen voor de jeugd.

Zijn voortdurend en op alle mogelijke manieren de aandacht van de Nederlandse bevolking vestigen op Groesbeek. Zijn herhaalde pogingen tot verkeersverbetering. Ja, zijn gehele streven daar kwam voor een belangrijk deel ten goede aan deze streek, de bevolking van de gemeente Groesbeek! Immers, door zijn werk ontstonden de vooral in die tijd zo dringend noodzakelijke meerdere bronnen van inkomsten, niet alleen van tijdelijke, maar ook en bovenal van b l i j v e n d e aard.

Zijn activiteiten op het sociale vlak, in het bijzonder op dat ter leniging van de daar heersende werkloosheid, deden de heer Van Stokkum in 1932 zelfs verschillende instanties benaderen om in deze mooie streek te komen tot de aanleg van een v l i e g v e l d.

Het zou evenwel nog 27 jaar duren voordat dit er kwam en hieraan wijdde de redactie van De Gelderlander, in haar editie van 20 mei 1959, het onderstaande artikel:

VLIEGVELD KOMT ER NA 27 JAAR.
Zaterdag 30 mei wordt het nieuwe vliegveld te Malden, op het zgn Maldense Vlak, ingebruik genomen. Ter gelegenheid hiervan wordt een vliegfeest georganiseerd. Dan zullen de burgemeesters van Nijmegen en Heumen, komende van verschillende richtingen, met een zweefvliegtuig op het nieuwe terrein landen. Er is jaren geleden ook al sprake geweest voor de aanleg van een terrein onder de gemeente Elst. Dat was in 1932, toen de werkloosheid groot was en men naar objecten zocht om de mensen aan het werk te zetten. Deze plannen zijn echter nimmer gerealiseerd. Het terrein was ongeveer 70 ha groot, maar uit een bekendmaking eind 1932 van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Arnhem blijkt, dat de kosten zo hoog waren dat verwezenlijking van het plan vrijwel niet mogelijk zou zijn.
Op 30 december 1932 plaatsten wij een ingezonden schrijven van de heer P.J.M. van Stokkum, toen nog wonende in Rotterdam, die in 1918 een 130 H.A. groot deel van het landgoed de Wolfsberg had gekocht, dat door hem De Hooge Hoenderberg werd genoemd, zoals het ook op de stafkaarten stond aangegeven. In dit ingezonden schrijven deed de heer Van Stokkum de suggestie een vliegterrein ten zuiden van Nijmegen aan te leggen. Hij schreef:

“Immers: Bij Malden, tussen de prachtige autoweg Nijmegen-Venlo en de splitsing van de spoorlijn Nijmegen-Kleef-Venlo, is een meer dan groot genoeg terrein beschikbaar, dat vrij zeker geen grote geldelijke offers voor aankoop en aanleg zal vragen. En waar wellicht direct begonnen zou kunnen worden. Deze heidevelden zijn, naar mij werd medegedeeld deels eigendom van de gemeente Nijmegen en overigens van de Staat. Blijkt het plan Elst moeilijk of niet uitvoerbaar ofwel te kostbaar, dan zou Nijmegen geen tijd nutteloos verloren hebben en zich gemakkelijk en vlugger van de vereiste medewerking kunnen verzekeren. Uitstel van uitvoerbare plannen verlengt de ellende der werkloosheid van velen, noodzaakt de gemeenschap tot nutteloze uitgaven en kan Nijmegen e.o. het verzekeren van een vliegterrein voor lange tijd onmogelijk maken.”

Nu, na welgeteld 27 jaren, is er precies op de door de heer Van Stokkum voorgestelde plaats toch een vliegveld in het Maldensevlak gekomen. Vele instanties hebben er hun medewerking aan verleend. Veel moeilijkheden moesten ook ditmaal overwonnen worden, maar de volhouders hebben overwonnen en ook de heer Van Stokkum zal er zonder twijfel verheugd over zijn, dat – zij het na 27 jaren – het door hem geopperde plan werkelijkheid is geworden.

TOERISTENCENTRUM KRIJGT GESTALTE

Op 13.9.1963 schreef De Gelderlander o.m. het navolgende over Groesbeek:

De Nijmegenaar, die voor de oorlog “Groesbeek” zei, dacht in negen van de tien gevallen tegelijk aan de van oudsher meest typische buurt van het dorp: de Stekkenberg.
Wie nu, twintig jaar na de oorlog, op de Stekkenberg komt, mag er dan nog wel, als hij tenminste zijn ogen goed de kost geeft, sporen van de vroegere beroemde buurtbewoners terugvinden, het milieu zelf is volledig veranderd. De Stekkenberg is het “nieuwe wereldtje” geworden. De armoe van vroeger is er niet meer bij! En dan staat er een belangrijke gebeurtenis op kerkelijk gebied voor de deur van Groesbeek. Naar verluidt heeft het bisdom belangstelling om in het toeristisch gebied, waarschijnlijk in de omgeving van de Biesseltsebaan, een toeristenkerk te laten bouwen. Dat zou de betekenis van het “lief dorp in de bossen” nog meer relief geven als toeristencentrum.

Deze toeristenkerk of liever kapel, wordt inderdaad gebouwd en wel op een perceel gelegen op het “resterende gedeelte” van het landgoed De Hooge Hoenderberg, welk perceel door de heer Van Stokkum met die bestemming werd geschonken aan het bisdom (zie onderdeel R aan het eind van Par. 19.3).

Zo zal het denkbeeld van de heer P.J.M. van Stokkum daterende uit 1926 om hier een vacantiedorpje te stichten geleidelijk aan gestalte kunnen krijgen indien de betreffende overheidsinstanties voortgaan met daaraan hun medewerking te verlenen zoals werd toegezegd, maar daar tegenover blijft “het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte” van het oorspronkelijke landgoed De Hooge Hoenderberg ingevolge het accoord van 28.12.1929 tot in lengte van dagen ongerept behouden.

Daarom had genoemde officiële regeling niet uitsluitend een splitsing van die oorspronkelijke terreinen tot gevolg, maar kregen de b e i d e delen gelijktijdig een definitieve bestemming: een tweevoudige bestemming van het landgoed welke getuigt van de vooruitziende blik der betrokken partijen, van deze natuurbeschermers van het eerste uur, een bestemming bovendien in de geest zoals de heren Van Tienhoven en Van Dissel zich dat vanaf de aanvang der onderhandelingen voorstelden (zie o.m. brief Vereniging aan Staatsbosbeheer, dd 28.11.1929, Par. 12.15), n.1.: “Wij moeten trachten datgene te volbrengen wat later door iedereen zal worden toegejuicht”.

En over welk accoord de Vereniging dd 30.12.1929 (Par. 13.9) schreef aan Van Stokkum: “Eind goed, al goed en Zaterdag kan een zeer belangrijke dag genoemd worden, niet alleen voor onze Vereeniging en voor U, maar ik zou bijna zeggen ook voor het gehele Nederlandsche Volk, als perfect wordt hetgeen wij met elkander hebben afgesproken…”



BIJLAGE: Reacties op het gedenkboek


STICHTING DE WATERLEIDING BERG EN DAL

24 februari 1964

De heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112bv, Amsterdam.

Zeergeachte heer van Stokkum,

Het is mij een genoegen U mede te kunnen delen, dat ik het boek “Van Steen tot Hoenderberg” dat U mij de vorige week ter hand stelde, met veel interesse en waardering voor het werk dat U hebt verzet, heb gelezen. Het samenstellen van ons jubileumboek heeft ons wel heel goed geleerd, hoeveel tijd er mee gemoeid is om de gegevens uit het verleden te verzamelen. In het bijzonder hebben mij uiteraard de gedeelten waar de waterleiding bij betrokken is zeer geïnteresseerd. Ik heb nimmer geweten, dat de Stichting De Waterleiding Berg en Dal zo’n belangrijke rol in het leven van Uw vader heeft gespeeld. Dat deze rol juist is weergegeven valt niet te twijfelen, gezien de stukken welke wij daaromtrent in ons bezit hebben en die U geheel conform het daar vermelde hebt weergegeven.

Hoogachtend,
de Directeur van de Stichting De Waterleiding Berg en Dal
ir B. Zandveld


MINISTERIE VAN LANDBOUW EN VISSERIJ STAATSBOSBEHEER

Aan de heer A.M.M. van Stokkum, AAN De Lairessestrast 112, AMSTERDAM.
onderwerp: van Steen tot Hoenderberg
dagtekening: Utrecht, 28 februari 1964

Bij uw bezoek op 20 februari j.l. was u zo vriendelijk mij 2 exemplaren te overhandigen van het door u samengestelde gedenkboek getiteld: ” Van Steen tot Hoenderberg”. Het is een waardevol werk geworden, waarvoor ik bijzonder voel waardering heb.

Ongetwijfeld hebt u aan dit goed gedocumenteerde werk, waarvoor u vele stukken uit het archief van het Staatsbosbeheer hebt geraadpleegd veel tijd besteed, dat voor de toekomst van grote waarde zal zijn.

Het Staatsbosbeheer zal de activiteiten van nu voller voor wat betreft het beschermen en verfraaien van de bossen tot nut van het gehele volk met meer veel genoegen voortzetten.

It stel het weer op prijs u hierbij bijzonder te bedanken voor het waardevolle boek.

Ware de heer Van Dissel nog in Leven hij zou u en uw vader ongetwijfeld persoonlijk hebben bedankt voor het vele opbouwende werk.

Mag ik in mijn functie als directeur van het Staatsbosbeheer uw vader hartelijk gelukwensen op zijn 83e verjaardag als geste voor de waardering voor zijn en uw werk.

Do Directeur van het Staatsbosbeheer,
(A. Stolfels).


VEREENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND

AMSTERDAM-C, 5 maart 1964.

De Weledelgeboren Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv, Amsterdam - Z.

Zeer geachte heer Van Stokkum,

Hiermede zeg ik U bijzonder dank voor het door U samengestelde gedenkboek getiteld: “Van Steen tot Hoenderberg”, dat mij via de heer Eshuis bereikte.

Gaarne wil ik U zeggen dat ons is gebleken met hoeveel zorg en toewijding U uit de verschillende archieven, waaronder dat onzer Vereniging de gegevens voor de samenstelling van uw geschrift hebt geput.

Ongetwijfeld zal het doen herleven van de zo belangrijke periode in zijn leven uw Vader op zijn 83ste verjaardag met vreugde vervullen en zal hem in enkele ogenblikken zijn tegenspeler maar tevens medewerker Van Tienhoven weer voor de geest komen.

Ondergetekende, die de zo uiterst belangrijke beslissingen, die bijkans veertig jaar geleden werden genomen om het behoud van de landgoederen de Muntberg, de Wolfsberg en “het grootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelte” van het oorspronkelijke bezit van uw Vader “De Hooge Hoenderberg” te verzekeren, slechts uit overlevering kende, beseft nu ten volle in welk licht deze toen soms “felle” strijd daarvoor werd gestreden.

Namens het Dagelijks Bestuur verzoek ik U uw Vader op 23 maart onze gelukwensen te willen aanbieden, niet alleen met zijn 83ste verjaardag, doch ook met het prachtige cadeau dat gij hem alsdan aanbiedt, van nog meer waarde daar zijn eigen archief over deze episode in mei 1940 door de oorlogshandelingen werd vernietigd.

Met vriendelijke groeten, verblijf ik,
(Mr. H.P. Gorter)
Directeur


Burgemeester van Rotterdam

12 maart 1964

Aan de heer A.M.M..van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv., AMSTERDAM.

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de privégedenkbundel “Van Steen tot Hoenderberg”, die u uw vader, de heer P.J.M. van Stokkum, ter gelegenheid van zijn 83ste verjaardag op maandag 23 maart a.s. zult aanbieden.

Het is een gedocumenteerd eerbetoon geworden aan de aktiviteiten en idealen van de oud-Rotterdammer, die meer dan dertig jaar de leiding heeft gehad van een bekende handel in natuursteen hier ter stede. De heer Van Stokkum sr. genoot de bijzondere reputatie van de zakenman, die van zijn beroep een bijkans wetenschappelijk gefundeerd specialisme had gemaakt. Natuursteen was voor hem bepaald meer dan een bron van inkomsten - het was een bron van kennis die hij in lezingen en artikelen gaarne overdroeg aan anderen.

De Gemeente Rotterdam bewaart een bijzondere en wel zeer concrete herinnering aan uw vader; ik doel hierbij niet op het zogenaamde “Van Stokkumstraatje”, dat hij in 1940 direct na het bombardement dwars door de ruïnes op zijn terreinen tussen Stationsweg en Delftsestraat liet aanleggen, maar op het feit dat de bouwmeester van het Stadhuis van Rotterdam op advies van uw vader de witte Rackwitzer zandsteen en de Ettringer tufsteen heeft toegepast.

Uitvoerig zijn in deze bundel de verrichtingen van de landgoedeigenaar, bosbouwer en natuurliefhebber Van Stokkum behandeld. Het zijn andere facetten van een leven, dat gekenmerkt wordt door veelzijdige belangstelling en creativiteit.

De Burgemeester van Rotterdam,
(Mr. G.E. van Walsum).


KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJ

VERENIGING TEN ALGEMENE NUTTE
Onder hoge bescherming van H.M. de Koningin en Z.K.H. de Prins der Nederlanden

ARNHEM, 12 maart 1964

Weledelgeboren Heer,

Met groot genoegen las ik Uw studie en pennevrucht van “Steen tot Hoenderberg”, waarin U zo nauwgezet en met veel oog voor details een levensschets van Uw vader hebt gegeven en de lezer inzicht geeft in de ontwikkelingen rondom het landgoed “De Hoge Hoenderberg”.

Uw goed doorwrochte werk heeft op mij de indruk gemaakt van een zeer betrouwbaar verslag. Die onderdelen van Uw verslag, die ik meer in het bijzonder zelf kan beoordelen, onderschrijf ik geheel.

Het is mijn overtuiging dat U Uw vader met de aanbieding van deze studie ter gelegenheid van zijn 83e verjaardag een groot genoegen zult doen.

Het was voor mij als ingewijd toeschouwer in deze in ieder geval interessante lectuur.

Met vriendelijke groeten en gevoelens van hoogachting.
C.G.C. Quarles van Ufford


MINISTERIE VAN LANDBOUW EN VISSERIJ

DIRECTIE VAN DE LANDBOUW, Directie Algemene Zaken

AAN de Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv., A M S T E R D A M.
13 maart 1964
Onderwerp gedenkboek “Van steen tot Hoenderberg”.

In antwoord op Uw schrijven van 5 maart j.1. moge ik U berichten, dat van het daarbij gevoegde gedenkboek “Van steen tot Hoenderberg”, hetwelk door U werd samengesteld ter gelegenheid van de 83ste verjaardag van Uw vader op 23 maart a.s., mijnerzijds met belangstelling werd kennis genomen.

Dit omvangrijke en waardevolle werk legt wel op bijzondere wijze getuigenis af van de liefde voor de natuur van Uw vader en van zijn voortdurend streven tot het behoud van waardevolle bossen en natuurgebieden, welke zo noodzakelijk zijn voor de bevrediging van de steeds toenemende recreatiebehoefte hier te lande.

Gaarne verzoek ik U Uw vader op 23 maart a.s. mijn welgemeende gelukwensen te willen aanbieden.

DE MINISTER VAN LANDBOUW EN VISSERIJ, Voor deze:
DE DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE LANDBOUW,
(ir. J.W. Wellen).


Gemeente Groesbeek, de Burgemeester

19 maart 1964

Bij mijn terugkeer vanuit mijn vakantie vond ik maandag j.l. tussen de vele ambtelijke stukken het gedenkboek, hetwelk door U is samengesteld ter gelegenheid van de a.s. 83e verjaardag van Uw vader.

Ik betuig U voor de toezending van dit keurige boekwerk mijn bijzondere dank.

Gelet op de veelheid van werk, welke na mijn vakantie op afdoening wacht, is het mij volkomen onmogelijk in de eerste weken aan het gedenkboek meer dan oppervlakkige aandacht te schenken. Het spijt mij dan ook ten zeerste, dat ik niet in staat ben U “in een kort briefje een recensie te geven”, zoals door U werd gevraagd.

Niettemin wil ik U gaarne verzoeken Uw vader en Uw familie mijn hartelijke felicitaties over te brengen bij deze uitzonderlijke verjaardag. Moge het hem gegeven zijn nog menig jaar in de beste condities in Uw midden te vertoeven en met voldoening te mogen terugzien op zijn welbesteed leven.

De Burgemeester van Groesbeek,


RIJKSDIENST VOOR HET NATIONALE PLAN

Aan de Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112, bv, AMSTERDAM
Uw kenmerk: Uw brief d.d. 16 maart 1964
’s-Gravenhage, 19 maart 1964
Onderwerp: “De Hoenderberg” te Groesbeek

Bij bovengenoemde brief bood U mij aan het gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg” dat uitvoerig weergeeft wat zich heeft afgespeeld rondom “Het Maldensche Vak” te Groesbeek vanaf 1918, het jaar waarin Uw Vader dit gebied aankocht.

Het is een interessant en waardevol familiedocument geworden, waaraan heel veel werk verbonden is geweest.

Het behoeft wel geen betoog, dat de Rijksdienst voor het Nationale Plan, die geen rol heeft kunnen spelen bij de totstandkoming van het akkoord in 1929 omdat hij toen nog niet bestond, met belangstelling en instemming heeft kennis genomen van de ontwikkeling van deze aangelegenheid.

Gaarne dank ik U voor de aanbieding van het boekwerk en bied ik U goede wensen aan voor de verdere levensjaren van Uw Vader.

DE DIRECTEUR,
(Mr. J. Vink)


PROVINCIALE PLANOLOGISCHE DIENST VAN GELDERLAND

PROVINCIEHUIS - ARNHEM - TELEFOON (08300) 30041 - GIRO 821944

Onderwerp: Gedenkboek.

Aan de Weledele Heer A.M.M. van Stokkum,
De Lairessestraat 112 bv.
Uw brief van: 16 maart 1964
Arnhem, 20 maart 1964.

Hiermede moge ik U mijn dank betuigen voor de toezending van het gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg”.

De inhoud van het boek bevat vele en interessante gegevens over de historie van het landgoed “De Hooge Hoenderberg”.

Van deze gegevens heb ik met veel belangstelling kennis genomen.

De grote waarde van de ten bate van de natuur en landschapsbescherming verrichte arbeid zal ongetwijfeld in betekenis blijven toenemen naarmate de ruimte in Nederland schaarser wordt.

Ik moge de heer P.J.M. van Stokkum geluk wensen bij gelegenheid van zijn 83e verjaardag en met de behaalde resultaten.

Met het overbrengen van deze wensen zoudt U mij zeer verplichten.

De directeur,
(Ir R.A. Tjalkens)


MINISTERIE VAN LANDBOUW EN VISSERIJ STAATSBOSBEHEER

Aan de Weledele Heer
P.J.M. van Stokkum,
Huize “Mariëndaal”,
Stationsweg 3,
GROESBEEK.

UTRECHT, 20 maart 1964.

In mijn brief van 28 februari 1964 gericht aan uw zoon A.M.M. van Stokkum heb ik mijn bijzondere waardering uitgesproken voor het goed gedocumenteerde en waardevolle gedenkboek getiteld “Van Steen tot Hoenderberg”. De titel van het boek is een weerspiegeling van uw leven. U hebt de natuursteen niet alleen gebruikt voor gebouwen door mensenhand opgetrokken maar u hebt ook de natuur weten te gebruiken voor het opbouwen van een aantrekkelijk en blijvend natuurterrein “de Hoge Hoenderberg”.

Met uw vooruitziende blik is de Hoge Hoenderberg mede een uniek recreatiegebied geworden.

Ten onrechte wordt voor het lagere gedeelte van de “Hoge Hoenderberg” de naam “Lage Hoenderberg” gebruikt. Ook het Staatsbosbeheer heeft deze fout gemaakt, die inmiddels is hersteld door de naam “Lage Hoenderberg” op de bedrijfskaart te schrappen en het geheel “Hoge Hoenderberg” te noemen.

Het toerisme vraagt nog vele voorzieningen. Er zal bijzondere aandacht worden besteed aan parkeerruimte voor auto’s.

Uw wens om een klein paadje aan te leggen door de vakken 81a, 81b en 82 zal worden vervuld.

Het Staatsbosbeheer zal uw opbouwende werk, dat in het gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg” zo duidelijk is aangegeven ongetwijfeld voortzetten.

Ik wens u en uw familie van harte geluk met uw verdienstelijk leven en werken, dat op uw 83e verjaardag zo duidelijk wordt weerspiegeld.

De Directeur van het Staatsbosbeheer,
(A. Stoffels).


W.M. Bekkers, Bisschop van ’s Hertogenbosch

20 maart 1964
Aan de Weled. Gestr. Heer P.J.M. v. Stokkum, te Groesbeek.

Zeergeachte Heer van Stokkum,

Gaarne zend ik U mijn hartelyke gelukwensen bij gelegenheid van Uw 83e verjaardag. Ik weet dat U op Uw feestdag een gedenkboek aangeboden krijgt. Over de inhoud kan ik weinig steekhoudends zeggen - ik hoop gelegenheid te hebben het wat intensiever te leren kennen dan tot dusverre mij mogelyk was! - maar dat is ook niet nodig om U toch mijn hartelyke dank te kunnen betuigen voor alles wat U in katholiek sociale zin voor Groesbeek heeft gedaan.

Met herhaalde felicitatie en hartelyke groet,
(W.M. Bekkers)


mr. E.H.J. baron van Voorst tot Voorst

9 april 1964

Zeer Geachte Heer van Stokkum,

Met de toezending van het imponerende boekwerk “Van Steen Tot Hoenderberg” hebt U mij ten zeerste verheugd. Aan de gevoelens welke reeds bij het doorbladeren van de vrucht van uw arbeid bij mij opkwamen, kan ik afleiden hoezeer het voor uw vader een werkelijk genot moet zijn geweest een goed deel van zijn werk,dat is van zijn leven, aldus te zien beschreven, zodat ook het nageslacht daarvan kan kennis nemen.

Als vertraagde gelukwens met zijn 83e verjaardag, die blijkbaar op bijzondere wijze werd gevierd, mag ik wel opmerken, dat er misschien in de twintiger jaren onder de natuurliefhebbers wel beduchtheid kan zijn ontstaan over wat de toekomst aan het onvolprezen Groesbeekse landschap brengen zou. De ontluistering, die ook in die gemeente grote schade heeft gedaan, nam een aanvang. De strijd, die eindigde met het geven van wettelijke bestemmingen aan de grond, waardoor zowel huisvesting als recreatie en natuurbescherming werden mogelijk gemaakt, was nauwelijks begonnen. De overheid zocht tastend haar weg.

In die omstandigheden heeft van Stokkum bijgedragen tot het scheppen van een evenwicht ter plaatse, waarbij Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer zijn partners waren. Meer nog dan toen is nu duidelijk van welk belang de beslissingen, in die jaren gevallen, voor de streek zelve, haar bewoners en talloze anderen zijn geweest.

Persoonlijk kwam ik destijds als burgemeester van een naburige gemeente met de Hoenderberg nauwelijks rechtstreeks in aanraking. Maar dat neemt niet weg,dat toen ik betrokken werd bij de oprichting van de Stichting “De Waterleiding Berg en Dal ook de voorziening van de terreinen van de heer van Stokkum aan de orde kwam.

Die waterleiding zou vier gemeenten bedienen, maar twee vielen af voor het werk kon beginnen. Groesbeek en Ubbergen zouden toen samen nog een bedrijf kunnen exploiteren als alle inwoners zich aan zouden sluiten. Maar de behoefte aan goed drinkwater bleek verre van algemeen te wollen, gevoeld, zodat de verplichte aansluiting moest worden gehanteerd en bedrijfsuitkomsten niettemin hoogst zorgelijk bleven. De Hoge Hoenderberg evenwel kon worden bediend, dank zij het juiste inzicht(hetwelk nu, na 35 jaren trouwens algemeen is aanvaard) van de pionier van Stokkum. Wie weet of misschien juist de voorziening van zijn terreinen de doorslag heeft gegeven om vol te houden en het reeds zo; beperkte plan niet op te bergen tot betere tijden een beter bedrijfsvoering zouden mogelijk maken!

Nu wij beiden, uw vader en ik, in onze levensavond terug mogen zien op veel werk, dat word verzet, en waarvan de contouren in het zachte licht zich op het vriendelijkst aftekenen, mogen wij dankbaar zeggen: “Het is goed geweest”. En het boek is daar om onze herinnering te schragen.

Wil met mijn gelukwens mijn gevoelens van sympathie aan uw Vader doen kennen, terwijl ik hoogachtend verblijve
uw dw.
(mr. E.H.J. baron van Voorst tot Voorst)


VEREENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND

AMSTERDAM-C, 13 april 1965

De Weledele Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv., A m s t e r d a m.

Weledele heer,

Naar aanleiding van Uw schrijven d.d. 4 dezer heb ik het gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg” over het leven van wijlen Uw vader, de heer P.J.M. van Stokkum, nogmaals bestudeerd, waarbij het ons opnieuw is gebleken met hoeveel zorg en toewijding U het verslag inzake het “accoord van 28-12-1929” heeft samengesteld.

Het is een duidelijk en goed gedocumenteerd verslag van de onderhandelingen tussen Uw vader enerzijds en onze Vereniging en het Staatsbosbeheer anderzijds over de vraag: onder welke voorwaarden Uw vader destijds bereid was - van zijn bosbezit te Groesbeek, het landgoed “De Hooge Hoenderberg” - ruim 80 hectaren af te staan als afronding van het tot natuurreservaat bestemde gebied.

Voor deze terreinen van ca. 130 ha. had Uw veder in 1926 een omvangrijk recreatie-plan en met die bestemming word in 1927 een deel van ca. 10 ha verkocht. De gevraagde ruim 80 ha. kon hij in 1929 daarop slechts afstaan wanneer dat bouwplan werd beperkt tot het dan nog resterende gedeelte van ca. 40 ha. Hiertoe was Uw vader ter slotte bereid mits zijn voornoemd recreatie-idee op dat resterende terrein kon korden gerealiseerd. In dit verband stelde hij als voorwaarde dat voormeld resterende terrein – na het afstaan van de ruim 80 ha. – van overheidswege geheel werd bestemd voor de bouw van een vakantie-centrum naar het in overleg gemaakte verkavelingsplan (gedenkboek, blz. 100) - welke plannen door de gemeente Groesbeek waren goedgekeurd - en het terrein nimmer als natuurreservaat of der dergelijke zou worden aangemerkt.

Bij voormeld akkoord werd genoemd resterende terrein dienovereenkomstig bestemd tot bouwterrein – ook door de regering die in deze aangelegenheid destijds partij was – waarna Uw vader de ruin 8O ha afstond.

Deze overeenkomst – in het gedenkboek nader omschreven op de bladzijde 90 e.v. – kan ik namens het Dagelijks Bestuur derhalve als geheel juist onderschrijven en dit hadden wij Uw vader in 1942 trouwens al toegezegd – nadat hij de betreffende schriftelijke verklaringen miste door het bombardement van Rotterdam in mei 1940 - meer daarvan in helaas niets gekomen.

Met de meeste hoogachting,
(Mr. H.r. Gorter)
Directeur


VERENIGING VOOR VREEMDELINGENVERKEER BREDA

20 april 1964

Weledelgeboren heer,

Gaarne zeg ik U dank voor het feit, dat U mij het boekwerk “Van Steen tot Hoenderberg”, opgedragen aan Uw vader, heeft willen toezenden.

Door drukke werkzaamheden heb ik eerst dit weekend gelegenheid gehad het boek door te nemen en ben bepaaldelijk onder de indruk gekomen over de energie en de daadkracht van Uw vader. Het moet voor hem een grote voldoening zijn dat i bij gelegenheid van zijn 55e verjaardag e.e.a. op schrift heeft willen stellen.

Alhoewel het feit met betrekking tot Uw vaders gedachtengang over de invoering van kuuroorden mijn bijzondere aandacht had is het toch wel het geheel van zijn visie geweest, wat indruk op me heeft gemaakt.

Ik heb niet het voorrecht U of Uw vader te kennen, doch U zoudt mij ten zeerste verplichten indien U hen namens mij, mogelijk door het inzage geven van deze brief, mijn grote waardering kenbaar wilt maken.

Gaarne maak ik gebruik van úw aanbod het gedenkboek te mogen behouden waardoor het een plaatsje krijgt in mijn bibliotheek.

Voor de door U betoonde vriendelijkheid zeg ik U gaarne dank.

Hoogachtend,
De directeur VVV Brede,en West-Brabant.
G.L.S.Bliepen.

Krantenknipsel:
V.V.V.-directeur wil kuuroorden stichten

BREDA, dinsdag
De directeur van de V.V.V. te Breda heeft het idee geopperd een aantal plaatsen in Nederland, die, omdat de lucht er gezond is of omdat de bodem er bepaalde mineralen bevat, te gaan exploiteren als kuuroord. Het idee van de Bredase V.V.V.-directeur zal worden voorgelegd aan de jaarvergadering van A.N.V.V., die op 4 en 5 juni in Den Bosch zal worden gehouden. — (ANP) 24.3.64


CENTRALE DIRECTIE VAN DE VOLKSHUISVESTING EN DE BOUWNIJVERHEID

DIRECTIE VAN DE VOLKSHUISVESTING EN DE BOUWNIJVERHEID IN DE PROVINCIE GELDERLAND

De Heer A.M.M.van Stokkum De Lairessestraat 112 bv A m s t e r d a m
Onderwerp: Gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg”
5 MEI 1964

Met Uw brief dd. 25 maart 1964 zond U mij het Gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg”. Ik acht dit gedenkboek een waardevol document. Nu de ruimtelijke ordening in Nederland een vanzelfsprekende zaak is en aan streekplannen en uitbreidingsplannen veel aandacht wordt geschonken, is het interessant er kennis van te nemen op welke wijze een vorige generatie op dit gebied pioniersarbeid heeft verricht. De opvattingen welke ten grondslag liggen aan het facetstreekplan voor de recreatie op de Veluwe, zullen zeker afwijken van die welke in de twintiger jaren van deze eeuw golden. Dat er op het onderhavige gebied sprake is van een duidelijke evolutie kan ons ook de inhoud leren van de structuurschets voor de ruimtelijke ontwikkeling van de openluchtrecreatie in Nederland welke onlangs door de Raad voor de Ruimtelijke ordening uit de Ministerraad werd aanvaard. Ook hier geldt de bekende versregel van Bilderdijk: “In ’t verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal”.

Na kennisneming van de inhoud van vorenvermeld gedenkboek ben ik mij nog meer bewust geworden van de verantwoordelijkheid welke er rust op de schouders van allen die bij de ruimtelijke ordening van Nederland in het algemeen en bij die van de provincie Gelderland in het bijzonder betrokken zijn.

Met de samenstelling van dit gedenkboek complimenteer ik U gaarne. Voor de toezending van een exemplaar ervan ben ik U zeer erkentelijk.

De Hoofdingenieur-Directeur,
(E.Doorn)


VEREENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND

AMSTERDAM-C, 15 mei 1964

De Weledelgeboren Heer P.J.M. van Stokkum, Huize “Mariëndaal”, Groesbeek.

Zeer geachte heer Van Stokkum.

Nadat ik kennis had genomen van het belangwekkende gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg” dat mij via de heer Eshuis bereikte, heb ik in mijn brief van 5 maart gericht aan Uw zoon A.M.M. van Stokkum verzocht U namens het Dagelijks Bestuur onze bijzondere gelukwensen te willen aanbieden met Uw 83ste verjaardag.

Uw zoon heb ik toen medegedeeld dat ons is gebleken met hoeveel zorg en toewijding hij uit de verschillende archieven waaronder dat onzer Vereniging, dde gegevens heeft geput voor de samenstelling van zijn geschrift, over welke episode Uw eigen archief te Rotterdam in mei 1940 door oorlogshandelingen werd vernietigd.

Deze studie legt nauwgezet getuigenis af van Uw liefde voor de natuur en Uw energie en daadkracht het “Maldensche Vak”, dat U de naam gaf “De Hooge Hoenderberg”, vanaf Uw aankoop in 1918 als bosgebied te behouden, het aanmerkelijk te verfraaien en vrij toegankelijk te stellen voor het publiek, alsook van Uw denkbeeld uit 1926 daarop een Luchtkuuroord te stichten, zoals U die toeristencentra’s kende van het buitenland.

Voor onze Vereniging is het bijzonder boeiend te zien waarom Van Tienhoven van Uw tegenspeler Uw medewerker werd en hoe deze met Van Dissel U wist te bewegen Uw bezit grotendeels af te staan - als afronding van het met de Muntberg en de Wolfsberg te stichten natuurreservaat - door in te stemmen met de voorgestelde splitsing Uwer terreinen en slechts het resterende gedeelte ervan te bebouwen.

Nu de ruimtelijke ordening in ons land een vanzelfsprekende zaak is zou het wellicht interessant zijn eens na te gaan of het accoord van 28.12.1929, dat uiteraard de instemming had van de gemeente Groesbeek en waarbij de Regering ook partij was, niet als een der eerste beslissingen in die zin moet worden gezien op het gebied der recreatie en de natuurbescherming.

Het herlezen van deze belangrijke periode in Uw leven, waarin zo duidelijk Uw pioniersgeest opvalt, bracht mij er toe U alsnog geluk te wensen met Uw bijzonder werkzaam leven.

Met een variant op hetgeen Van Tienhoven U in 1929 schreef en waarmee het gedenkboek eindigt zou ook ik hier willen besluiten: Eind goed, al goed en die zaterdag kan een zeer belangrijke dag worden genoemd, niet alleen voor Groesbeek en voor U, maar ook voor het gehele Nederlandse volk, nu perfect wordt hetgeen destijds werd afgesproken.

Met de meeste hoogachting.
(Mr. H.P. Gorter)
Directeur


VERENIGING VOOR VREEMDELINGENVERKEER NIJMEGEN

Nijmegen, 20 mei 1964
Familie van Stokkum, Cantecleer/Die hooghe Hoenderbergh, te Groesbeek.

Zeer geachte familie van Stokkum,

Met leedwezen heb ik kennis genomen van het overlijden van Uw vader en schoonvader, zo betrekkelijk kort na zijn 83ste verjaardag.

Ofschoon ik niet het genoegen heb gehad, vader persoonlijk te leren kennen neemt dit niet weg dat ik altijd een diep respect heb gehad voor zijn vooruitziende blik en doorzettingsvermogen, waaraan in feite Nederland een der fraaiste recreatiegebieden te danken heeft.

Ik ben er van overtuigd, dat pas in komende tijden, nu de roep om recreatiegebieden in ons overbevolkte land steeds luider zal gaan klinken, de betekenis van zijn werken en streven naar waarde geschat zal worden en dat men tot het besef zal komen dat in de heer van Stokkum Sr. een figuur van nationale allure is heengegaan.

Hoewel het voor U een troost zal zijn, dat hij de groei en ontwikkeling van zijn schepping nog voor een groot deel heeft mogen meebeleven, een troost ook dat hij de leeftijd der zeer sterken heeft bereikt, wil ik niet nalaten, U mijn welgemeende deelneming met dit verlies te betuigen.

Hoogachtend,
J.C.Quint


KONINKLIJKE NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJ

Aan de Familie van Stokkum, Biesseltsebaan 2, GROESBEEK.
20 mei 1964

Zeer geachte Familie van Stokkum.

Met groot leedwezen hebben wij kennis genomen van het overlijden van Uw man en vader, de Heer P.J.M. van Stokkum.

Weinig vermoedden wij, toen wij hem nog slechts korte tijd geleden met zijn verjaardag mochten gelukwensen, dat reeds zo spoedig een eind aan dit werkzame leven zou komen.

Met dankbaarheid gedenken wij het feit, dat de heer van Stokkum een mensenleeftijd lang lid van onze maatschappij is geweest en daarvoor steeds grote belangstelling heeft getoond.

Vele jaren was hij een trouw bezoeker van onze algemene vergadering en slechts de laatste tijd ontbrak hij als gevolg van zijn hoge leeftijd.

Voor U allen betekent zijn heengaan een groot verlies, maar uit Uw geloof zult U zeker de kracht putten dit te dragen. Daarnaast is er de herinnering aan een man, die zich in zijn leven vele vrienden heeft verworven, die met U zijn heengaan betreuren.

Met beleefde groeten en hoogachting,
(Ir.J.A. Eshuis)


G.A. Luijben, Gemeentesecretaris Groesbeek

AAN De Weledele Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv., Amsterdam.
17 mei 1965

Zeer geachte heer Van Stokkum,

Gaarne voldoe ik aan Uw verzoek door hiermede te bevestigen, dat ik gedurende mijn ambtsperiode als secretaris van de gemeente Groesbeek heb ervaren dat Uw vader, de heer P.J.M. van Stokkum, regelmatig overleg pleegde met burgemeester en wethouders waarmee hij destijds bevriend was en al zijn bouwplannen zowel voor De Panoramaberg als voor De Hooge Hoenderberg in overleg en met de volledige goedkeuring van het gemeentebestuur van Groesbeek heeft ontworpen en uitgevoerd en, wat de plannen voor het toeristencentrum op De Hooge Hoenderberg betreft, eerst na de goedkeuring van het verkavelingsplan - afgebeeld in Uw boek “Van Steen tot Hoenderberg” op de bladzijde 100 - ook daarvoor de goedkeuring verkreeg van Natuurmonumenten en het Staatsbosbeheer bij het in genoemd gedenkboek blz. 90 e.v. omschreven akkoord van 28.12.1929.


A.G. Companjen, Gemeenteraadslid, Bestuurslid “De Waterleiding”

De Weledelgeboren Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv., A M S T E R D A M
7 juni 1965

Weledelgeboren heer,

Naar aanleiding van Uw verzoek wil ik U graag hierdoor bevestigen aat ik indertijd als lid van de gemeenteraad van Groesbeek en tevens als lid van het Bestuur van de Stichting De Waterleiding Berg en Dal te Ubbergen, van de bouwplannen van Uw vader, de heer P.J.M. van Stokkum, omschreven in Uw boek “Van Steen tot Hoenderberg” op de hoogte was. In de twintiger jaren vooral werd door Uw vader met burgemeester en wethouders veel overleg gepleegd en hadden zijn genoemde bouwplannen de volledige instemming van het gemeentebestuur van Groesbeek.

De bouwplannen voor het toeristencentrum op De Hooge Hoenderberg omvatte aanvankelijk een veel grotere oppervlakte maar werden tenslotte beperkt tot het zgn. resterende gedeelte waarvoor het verkavelingsplan afgebeeld in Uw boek op bladzijde 100 de basis vormde. Deze bouwplannen werden eerst door de gemeenteraad van Groesbeek goedgekeurd en daarna bij het akkoord van 28.12.1929 in Uw boek de bladzijde 90 e.v. door Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer.

Genoemd verkavelingsplan vormde de basis ook voor de aanleg van de toevoerleiding van de waterleiding zoals Ir. B. Zandveld U bevestigde in zijn brief van 10 augustus 1964 no 4421.

Met gevoelens van hoogachting,


STICHTING DE WATERLEIDING BERG EN DAL

10 augustus 1964

De heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112bv, Amsterdam.

Zeergeachte heer van Stokkum,

In aansluiting aan mijn schrijven van 24 februari 1964, naar aanleiding van het door U mij ter hand gestelde gedenkboek “Van Steen tot Hoenderberg”, dat - eigenlijk nog zo geheel onverwacht - zo’n fraaie nagedachtenis aan de vele activiteiten van Uw vader vormt, wil ik U nog graag enkele bijzonderheden over de oprichting en de beginperiode van onze Stichting laten volgen.

In de twintiger jaren lag het in de bedoeling van de gemeenten Ubbergen, Groesbeek, Heumen en Millingen, om gezamenlijk te komen tot een eigen drinkwater-voorziening. Over dit door het Rijksinstituut voor de Drinkwatervoorziening uitgewerkte voorlopige plan verscheen in de zomer van 1926 het rapport. Doch kort daarop wijzigden Heumen en Millingen plotseling hun standpunt en trokken zich terug. Er bleven dus over Groesbeek en Ubbergen, die het Rijksinstituut voor de Drinkwatervoorziening in maart 1927 opnieuw opdroegen een plan - beperkt tot de beide gemeenten - uit te werken.

In het laatst van augustus 1927 volgde het besluit van de Raden van Groesbeek en Ubbergen om over te gaan tot een gemeenschappelijke oprichting van een waterleidingbedrijf en daarbij de vorm van een “stichting” te kiezen. Deze gemeenschappelijke regeling voor de aanleg en exploitatie van een waterleiding werd door de Raden van die beide gemeenten, resp. op 28- en 31 januari 1928, vastgesteld en bij besluit van 22 februari d.o.v. door Gedeputeerde Staten van Gelderland goedgekeurd.

Voor de eerste maal was het bestuur onzer Stichting als volgt samengesteld: mr. E.H.J. baron van Voorst tot Voorst, burgemeester der gemeente Ubbergen, voorzitter; Jhr. O.J.M. van Nispen tot Pannerden, burgemeester der gemeente Groesbeek, plv. voorzitter; J.B. Gitzels, secretaris der gemeente Ubbergen, secretaris; ir. J.M.A. Dorsemagen, industrieel, plv. secretaris, aangewezen door Gedeputeerde Staten; P.J. Oomen, lid van de gemeenteraad van Groesbeek, lid.

Het is algemeen bekend dat destijds de voortvarende burgemeester van Ubbergen en later het zo mogelijk nog voortvarender lid van Gedeputeerde Staten en, zoals gezegd, tevens de eerste voorzitter onzer Stichting, mr. E.H.J. baron van Voorst tot Voorst, er ontzaglijk veel toe heeft bijgedragen dit eerste streekwaterleidingbedrijf in de provincie Gelderland te doen oprichten. Doch weinigen zal het bekend zijn, dat wijlen Uw vader daarbij destijds ook een rol heeft gespeeld. Zijn voor die tijd revolutionaire bouwplannen op zijn terreinen De Hooge Hoenderberg, zijn onverzettelijk doorzettingsvermogen om daar te komen tot een officiële regeling ten aanzien van de bestemming van zijn oorspronkelijke bezit en het gedeelte bestemd voor de bouw van een vakantiedorp op genoemde streekwaterleiding aan te sluiten, maar ook zijn streven om aan die streek bekendheid te geven als “Luchtkuuroord”, hebben indertijd mede een stimulans gevormd om door te zetten en de vele moeilijkheden te overwinnen.

De aansluiting van het door Uw vader te stichten toeristencentrum op de Hooge Hoenderberg was voor onze Stichting bovendien van belang, omdat de aanlegkosten der toevoerleiding over ruim 2 000 m. naar bedoeld bouwterrein grotendeels door Uw vader zouden worden vergoed.

Het lag daarom voor de hand dat, toen zich aangaande die aanleg moeilijkheden voordeden - zoals in het door U samengestelde gedenkboek is weergegeven - tussen Uw vader enerzijds en Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer anderzijds, ons bestuur een bemiddelingspoging van onze bedrijfsleider uit die jaren, de heer J.M. Tesser, toejuichte en volledig steunde.

De beide gemeenten waren indirekt immers gediend bij het ’akkoord van 28-12-1929” (gedenkboek bladzijde 90 e.v.), waarbij het z.g. “resterende gedeelte” van het oorspronkelijke bezit van Uw vader tot bouwterrein werd bestemd - ook door de regering die in deze kwestie destijds partij was.

De voorziening van de terreinen van De Hooge Hoenderberg zou nl. een verbetering betekenen in de toen nog weinig florisante uitkomsten der exploitatie der eigen watervoorziening van de beide gemeenten. Bovendien zou Groesbeek een uniek gelegen vakantieoord binnen haar grenzen rijk worden. Het in genoemd gedenkboek (bladzijde 100) afgebeelde en indertijd door de gemeente Groesbeek en Staatsbosbeheer goedgekeurde verkavelingsplan van De Hooge Hoenderberg vormde voor onze Stichting daarom de basis bij genoemde watervoorziening van deze terreinen.

Dit oorspronkelijke plan in hoofdzaak - door Uw broer A.A.M. van Stokkum in juni 1960 iets gewijzigd ingediend bij het gemeentebestuur van Groesbeek - werd door onze Stichting eveneens aangehouden bij de in 1961 doorgevoerde vernieuwing, uitbreiding en verzwaring van de hoofddienstleiding naar dit toeristencentrum.

De bijgewerkte situatie-tekening hiervan nr. D 2337 gelieve U hierbij aan te treffen.

Gaarne vertrouw ik U met bovenstaande van dienst te zijn geweest.

Hoogachtend,
de directeur van de Stichting De Waterleiding Berg en Dal,
(ir B. Zandveld).


J. W. LEENDERS, ARCHITECT

De Weledele Heer A.M.M. van Stokkum, De Lairessestraat 112 bv te Amsterdam-Zuid.
14 september 1966

Geachte Heer Van Stokkum,

Het spijt mij dat door verschillende omstandigheden deze brief langer op zich heeft laten wachten dan mijn bedoeling was. Ik hoop dat U hierin vooral niet een mindere waardering voor Uw vader als persoon, en voor zijn werk zult willen zien. Immers vele jaren heb ik het voorrecht gehad Uw vader te kennen en door mijn functie als Directeur van Gemeentewerken o.m. in de gemeente Groesbeek, welke functie ik ruim 40 jaar aldaar vervuld heb, mocht ik vele malen contact met Uw vader hebben.

Deze contacten waren niet alleen van zakelijke aard in verband met het gebruik van natuursteen voor de bouwwerken die onder onze leiding werden uitgevoerd en waarbij ik meerdere malen van zijn grote kennis en ervaring op dit gebied gebruik heb kunnen maken.

Veel besprekingen heb ik als adviseur van het Gemeentebestuur met Uw vader mogen voeren, als bezitter van een terrein met bouwmogelijkheden, de bekende “Panoramaberg” en als eigenaar van een groot bosbezit de “Hooge Hoenderberg! Op de Panoramaberg zijn meerdere bouwwerken door Uw vader tot stand gebracht, vaak onder moeilijke omstandigheden.

Vooral heb ik Uw vader echter leren kennen als een groot natuurliefhebber, die geen moeite noch kosten heeft gespaard om zijn bosbezit te verfraaien en mogelijkheden te scheppen teneinde zoveel mogelijk mensen hiervan te laten genieten. Uw boekwerk is, naar ik meen terecht, voor een groot gedeelte hieraan gewijd.

Dat Uw vader als geboren zakenman, de zakelijke kant niet geheel verwaarloosde, was begrijpelijk; nooit hen ik echter de indruk gehad dat hij dit voorop stelde. Het tegendeel is zeker waar.

Vaak heb ik, en meerderen met mij, mij erover verwonderd hoe uw vader na vele tegenslagen telkens weer de moed en het doorzettingsvermogen kon opbrengen om met nieuwe ideeën, schetsen en tekeningen te komen.

Deze en nog vele andere gedachten drongen zich aan mij op toen ik Uw boek van Steen tot Hoenderberg doorlas en vele punten als het ware opnieuw weer aan mij voorbij zag gaan.

Zoals ook duidelijk uit Uw boek tot uitdrukking komt heeft Uw vader vele moeilijkheden gehad en verkeerd begrip ondervonden, vooral met zijn bosbezit, maar, en dit spreekt ook uit Uw boek, nooit liet hij, voorzover ik dit heb kunnen beoordelen, de moed zakken, altijd kwam hij met blijmoedigheid weer terug met nieuwe voorstellen zoals hij meende dat het goed en juist was.

U heeft zich ongetwijfeld veel moeite getroost om dit boekwerk, waarin het leven en werken van Uw vader vooral voor meer ingewijden, zo duidelijk spreekt, tot stand te brengen. Naar mijn mening kunt U met voldoening op dit omvangrijke werk terugzien, omdat mede door Uw werk, Uw vader bij velen zal blijven voortleven als een pionier van de bescherming van de natuur, vooral in een tijd toen nog maar weinigen het grote belang hiervan voor de gemeenschap inzagen.

Al heeft Uw vader dan wellicht zijn plannen niet geheel verwezenlijkt mogen zien, toch zal het ongetwijfeld voor hem op zijn hoge leeftijd een voldoening zijn geweest te mogen constateren dat niet alleen zijn kinderen, maar zeel veel anderen, dagelijks konden genieten van hetgeen hij, vaak onder moeilijke omstandigheden, heeft weten te bereiken. De gemeenschap is hem

hiervoor veel dank verschuldigd.

Tot slot moge ik U mijn oprechte dank betuigen voor het ontvangen boekwerk omdat mede hierdoor Üw vader voor mij steeds in aangename herinnering zal blijven voortleven.

Met beleefde groeten,

P.W.J.Leenders.


J. D. G. MONTENBERG

31 juli 1978

Zeer geachte Heer Van Stokkum,

Hartelijk dank voor de toezending van Uw boek “Van Steen tot Hoenderberg”. Toen de heer Driessen te Groesbeek over Uw publicatie sprak had ik geen voorstelling van de uitvoerigheid en grondigheid, waarmee U Uw onderwerp hebt behandeld. En Uw toelichting, dat het ook eigen tik- en stencilwerk is, verhoogde mijn bewondering nog.

Ik kan me goed voorstellen, dat Uw vader dit werk bijzonder gewaardeerd moet hebben. Ik heb hem niet persoonlijk gekend, maar U tekent een aantrekkelijk beeld van een zakenman in de beste betekenis van het woord, met een idealistische inslag. Het verbaasde me dan ook niet, dat U zoveel prettige reacties kreeg op Uw publicatie, zoals de brief van Rotterdams burgemeester, die beslist niet de indruk maakt een routine-brief te zijn.

Zoals ik U reeds per telefoon vertelde, heb ik slechts vroege jeugdherinneringen aan Groesbeek. Ik ben daar weg gegaan, ongeveer in de tijd dat Uw vader er grondbezitter werd. Mijn familie heeft er echter van 1754 af gewoond; vandaar mijn belangstelling voor de geschiedenis. Ik verzamelde wat gegevens, o.a. over grondbezit bij en in Groesbeek. Daaronder neemt de tegenwoordige “Boswachterij Groesbeek” van het Staatsbosbeheer een belangrijke plaats in en maar de geschiedenis van dat terrein heb ik vrij goed kunnen volgen. Deze boswachterij omvat ongeveer het gebied, dat in 1793 door de Staten van Gelderland als heidegrond in erfpacht werd gegeven aan de Fürst von Wied und Neuwied voor in totaal f 225.- per jaar. Na twee eeuwen is het nog (of weer) een geheel en weer in handen van de overheid. U duidt dat ook aan op blz 117.

De geschiedenis van de Hoenderberg was mij onbekend; Uw boek is dus een welkome aanvulling van mijn gegevens. Ik kende alleen de strijd, die er geweest is over de vraag, of de “Vereniging” in staat zou zijn bos te beheren. De NRC publiceerde op 11-1-1929 daarover een artikel van “een medewerker” met als titel “Waarom hebben we dan eigenlijk een Staatsboschbeheer”. Prof A. te Wechel schreef twee artikelen in “de Telegraaf”. Op 11-11-1928 “Tets over den aankoop van den Wolfsberg en den Muntberg. Karakterverandering van bosschen een dwingende eisch, terwijl voor duurzame instandhouding technische kennis onontbeerlijk is. Een woord van protest.” Op 15-1-1929 volgde van zijn hand “Houtvester of Boschwachter”, dat als volgt besloot: “Het valt niet te ontkennen, dat vele boschbezitters in ons land het nog meenen te kunnen stellen zonder een wetenschappelijk opgeleide houtvester, maar het strekt ons land werkelijk niet tot eer, dat wij in dit opzicht in Europa een uitzonderingspositie innemen. Overigens is een kentering merkbaar, een voortdurend groeiend aantal boschbezitters stellen hun bosschen onder deskundige leiding en . . behouden daarbij hun boschwachters. Een uitzondering daarop maakt o.a. de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten, hoewel zij met gelden van de gemeenschap werkt. Het blijft onbegrijpelijk, dat de Regeering deze handelwijze tracht te verdedigen.”

U behandelt deze zaak, voorzover van belang voor de Hoenderberg, in hoofdstuk 14. Ik zou mij kunnen voorstellen, dat de overdracht van Wolfberg, Muntberg en Hoenderberg door de “Vereniging” aan het Staatsbosbeheer (dat toen blijkbaar meer afgestudeerden van de Afdeling Bosbouw van de Landbouwhogeschool te Wageningen in dienst had), Uw vader geen plezier beeft gedaan. Hij had met zijn eigen tienjarenplan zulke goede resultaten bereikt. Aan zijn idealisme werden in die tijd wel heel hoge eisen gesteld.

Inmiddels zijn beide organisaties meer op elkaar gaan lijken. Het Staatsbosbeheer kreeg meer “natuurmonumenten” in beheer; de “Vereniging” meer bossen. Bij beiden worden de exploitatie-verliezen gedragen door de Overheid.

U zult, naar ik hoop, gemerkt hebben, dat ik U boek met veel belangstelling heb gelezen. Dit geldt niet het minst voor Uw beschrijvingen van de ervaringen van Uw vader, kort na 1918, met de Groesbeekse bevolking en van de wijze, waarop hij zich ten opzichte van deze bevolking opstelde.

Graag dus nog eens hartelijk dank voor de toezending
met vriendelijke groeten
J.D.G. Montenberg


Aan Hotel Café “In de Locomotief”, De heer G.G. Driessen. GROESBEEK.

Geachte heer Driessen,

Het is alweer een tijd geleden dat u mij verzocht een artikel over mijn vader, de heer P.J.M. van Stokkum, te willen schrijven ten behoeve van een uitgave van de VVV-Groesbeek.

Over het leven van mijn vader schreef ik een geheel boek, getiteld “Van Steen tot Hoenderberg” en daaraan kan ik weinig toevoegen.

Over uw verzoek heb ik ernstig nagedacht en ik ben tot de overtuiging gekomen dat niet ik maar veeleer uzelf aan de hand van genoemd boek een artikel zou kunnen schrijven dat aansluit aan de opzet van informatie over Groesbeek zoals u wilt geven in uw voormelde uitgave.

Door vele media werd na het verscheiden van vader aandacht aan zijn leven en werken besteed, waarvan ik persoonlijk de artikelen in het Dagblad voor de Bouwwereld “Cobouw” van Maandag 6 juli 1964 en in het officieel orgaan van de algemene Nederlendse bond van steenhouwerspatroons “Natuursteen” van augustus 1964, wel de beste vind. Deze twee uitgaven doe ik u hierbij toekomen voor uw privé archief.

Voorts ontving ik nogal veel schriftelijke reakties op mijn voormelde boek. Ik dacht dat deze brieven voor de geschiedenis van Groesbeek ook belangrijk zijn en doe u hierbij van enkele fotocopieën toekomen.

Het komt mij voor dat u thans beter dan wie ook over mijn vader geïnformeerd bent en in staat over zijn leven met betrekking vooral tot Groesbeek iets te schrijven, waartoe ik mij n.l. niet bevoegd acht in deze vorm.

Ten aanzien van vader’s vooruitziende uitspraken vind ik persoonlijk nog altijd de meest opvallende die uit 1926, zie mijn boek Par. 8.11: “Het genieten van een vakantie kan welhaast geschieden op evenveel manieren als er mensen zijn, doch in de nabije toekomst zullen ontelbaar velen de natuur verkiezen. Er zelfs graag in een eigen huisje willen verblijven, mits dat deel uitmaakt van een soort vakantiedorpje, een kleine gemeenschap, want zij moeten zich ook hier met elkaar verbonden weten: slechts weinigen zullen de omringende, werkelijk ongerepte, vrije natuur opzoeken – te voet verkennen – de meeste blijven of geen waar ook anderen zijn.”

Tijdens mijn vakanties, hoog in de bergen waar ik soms uren niemand tegenkom, moet ik nog vaak aan deze uitspraak denken! Maar ook in de Staatbossen rondom De Hooge Hoenderberg komt men toch nog altijd heel weinig wandelaars tegen, terwijl het bij Martien op “Die Hooghe Hoenderbergh” vrij “vol” is!!

Ik hoop u wat op weg geholpen te hebben en ben zeer nieuwsgierig naar uw pennevrucht, waarvan ik het resultaat dan ook met veel belangstelling tegemoet zie.

Met vriendelijke groet,
Alfons van Stokkum

Bijlagen: [op chronologische volgorde gezet, MF 2026]

Ir 8. Zandveld, dir. Stichting De Waterleiding Berg en Dal, 24.2.1964
A. Stoffels, dir. Staatsbosbeheer Utrecht, 28.2.1964
Mr H.P. Gorter, dir. Ver. tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, 5.3.1964
Mr G.E. van Walsum, burgemeester van Rotterdam, 12.3.1964
Jhr C.G.C. Quarles van Ufford, Kon. Ned. Heide Mij, 12.3.1964
Ir J.W. Wellen, Ministerie van Landbouw en Visserij, 13.3.1964
De burgemeester van Groesbeek, 19.3.1964
Mr J. Vink, dir. Rijksdienst voor het Nationale Plan, 19.3.1964
Ir R.A. Tjalkens, dir. Prov. Planalogische Dienst Gelderland, 20.3.1964
A. Stoffels, dir. Staatsbosbeheer Utrecht, 20.3.1964
Mgr. W.M. Bekkers, bisschop van ’s-Hertogenbosch, 20.3.1964
Mr E.H.J. baron van Voorst tot Voorst, 9.4.1964
Mr H.P. Gorter, dir. Ver. tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, 13.4.1965
Directeur VVV Breda, 20.4.1964
E. Doorn, Hfd. Ing.-dir., Centrale direktie Ministerie Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid, provincie Gelderland, 5.5.1964
Mr H.P. Gorter, dir. Ver. tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, gedateerd op vader’s sterfdag!, 15.5.1964
Directeur VVV Nijmegen, 20.5.1964
Ir J.A. Eshuis, dir. Kon. Ned. Heidemaatschappij, 20.5.1964
C.A. Luijben, gem. secretaris van Groesbeek, 27.5.1965
Dagblad “Cobouw”, maandag 6.7.1964
A.G. Compagien, gemeenteraadslid van Groesbeek, 7.6.1965
Ir 8. Zandveld, dir. Stichting De Waterleiding Berg en Dal, 10.8.1964
In Memoriam, Maandblad “Natuursteen”, augustus 1964
P.J.W, Leenders, dir. gemeentewerken Groesbeek, 14.9.1966