Felicitatieprent
door Piet (circa 16 jaar oud) voor zijn zusje in 1897FOTOs/Felicitatieprent-PietvS-aan-zusje-1897.jpg
Elisabeth doet
de was, 1938FOTOs/1938_EV_was.jpg
26 aug 1956,
Vader en Moeder voor het Hooge Hoenderberg huisjeFOTOs/1956-08-26-Piet-en-Elisabeth.jpg
10 juni
1961FOTOs/1961juni10EV.jpg
Gouden Bruiloft,
10 juni 1961FOTOs/1961juni10gouden_bruiloft_HH.jpg
FOTOs/1961juni10gouden_bruiloft_contouren_nummers.jpg
FOTOs/1961juni10foto_namen_1.jpg
FOTOs/1961juni10foto_namen_2.jpg
Piet 80 jaar,
taart met plattegrond van Die Hooghe Hoenderberg,
23 mrt 1961FOTOs/1961mrt23taartHH_tgv_PvS80.jpg
juli 30 juli
1962FOTOs/1962juli30EV.jpg
Net wakker, 30 juli 1962FOTOs/1962juli30EV_wakker.jpg
30 juli
1962FOTOs/1962juli30lezen.jpg
30 juli
1962FOTOs/1962juli30PvS.jpg
kijkend in een spiegel, 30 juli 1962FOTOs/1962juli30PvS_spiegel.jpg
Verhuizing naar
Mariëndaal, 30 juli 1962FOTOs/1962juli30verhuizing_oversteken.jpg
âVerkeerd
verbondenâ (afscheid van de buren), 30 juli 1962FOTOs/1962juli30verhuizing_verkeerd_verbonden.jpg
Uitzicht vanuit de kamer. Links de Rabo-bank,
midden de Herv. Kerk en Garagebedrijf van BergenFOTOs/mariendaal-uitzicht.jpg
Interieur van de kamer die vader en moeder bewoonden, vanaf 30 juli 1962 tot 15 mei 1964, en moeder alleen tot 6 februari 1968, in Huize âMariĂ«ndaalâ te Groesbeek:
FOTOs/mariendaal-interieur4.jpg
FOTOs/mariendaal-interieur1.jpg
FOTOs/mariendaal-interieur2.jpg
FOTOs/mariendaal-interieur3.jpg
Piet 82 jaar, 23 mrt 1963FOTOs/1963mrt23EV_PvS82.jpg
Piet 83 jaar, 23
mrt 1964FOTOs/1964mrt23AlfonsPvS83_EV.jpg
Piet 83 jaar, 23
mrt 1964FOTOs/1964mrt23PvS83.jpg
Elisabeth 80 jaar, met Emile, 6 nov
1966FOTOs/1966nov6EV80ivoEmile.jpg
Elisabeth 80 jaar, 6 nov 1966FOTOs/1966nov6EV80.jpg
door Moeder, op
81-jarige leeftijd (1967), geborduurd wandkleedFOTOs/1967-wandkleed.jpg
1967FOTOs/1967EV.jpg
Overlijdensbericht PietFOTOs/overlijdensbericht-PJMvanSTOKKUM.jpg
Overlijdensbericht ElisabethFOTOs/Overlijdensbericht-EvS-V.jpg
FOTOs/Instructie-Bidprentje-PJMvanSTOKKUM.jpg
Transcriptie:
Dadelijk na mijn overlijden (niet eerder) te openen door mijn zoon
Antoon.
[getekend: PvanStokkum]
13-3-1960
Groesbeek 13-3-1960
Tekst voor mijn bidprentje indien ik vóór Moeder sterf.
Mag van afgeweken worden.
Dierbare Vrouw en kinderen,
Hartelijk dank ik jelui voor al de mij betoonde liefde.
Vergeef mij het het leed dat ik veroorzaakte, en vergeet mij niet in
gebed.
(Omdat de overige tekst in potlood geschreven is, kan deze niet gecopyeerd worden; vandaar getypt. Antoon van Stokkum, 23-3-1987)
Tot ons weerzien, voor eeuwig, blijf ik voor jullie bidden.
Beste kinderen, neemt niet mijn fouten en tekortkomingen tot voorbeeld, maar het leven en de raadgevingen van je Moeder.
Weest eensgezind en steunpilaren van Kerk en Maatschappij. Naarmate jullie, door levenservaringen, éérst begrijpen en daarna wellicht ook beseffen wat je Moeder in haar huwelijksleven heeft nagelaten (zich heeft ontzegt) en gedaan, zullen jullie, evenals ik, haar steeds meer hoogachten en beminnen.
God gaf haar de wijsheid, moed en kracht om talloze grote en kleine offers te brengen, haar zeer groot gezin bijzonder goed te verzorgen en bovendien nog dagelijks veel tijd en zorg aan mijn zaken te wijden. Zij benutte Gods genade op m.i. voortreffelijke wijze.
Ook jullie ontvangen de genaden om zo te kunnen handelen, naarmate je er God vertrouwvol om vraagt.
Vooral een door velerlei ervaringen steeds groter wordend Godsvertrouwen, hielp ook mij herhaaldelijk schier onoverkomelijke moeilijkheden overwinnen; soms duurde het jaren.
Laat âBid, Werk, Waakâ het richtsnoer van je leven zijn.
Geloofd, gehoopt, bemind, berouwd, en op Gods barmhartigheid vertrouwd; voer nu, Ăłh Moeder van erbarmen, mijn ziel naar God, in Jezusâ armen.
+ + + + + + +
(Deze tekst werd pater Hock, die het z.g. Bidprentje moest verzorgen, overhandigd â onderstaand volgt het resultaat!)
FOTOs/Gedachteniskaartje-PvS-voorkant.jpg
FOTOs/Gedachteniskaartje-PvS.jpg
Tot aandenken aan Petrus Joseph Maria van Stokkum echtgenoot van
Elisabeth Wilhelmina Maria Vogels
geboren te Rotterdam 23 maart 1881, overleden in de Kalorama-Ziekenverpleging te Beek op 15 mei 1964, gesterkt door de genademiddelen der Kerk, en begraven op de katholieke begraafplaats van zijn geliefde Groesbeek op 19 mei d.o.v.
God geeft ons, wat wij nodig hebben voor onze vervolmaking, niet altijd wat wij wensen voor ons genoegen. Als een beeldhouwer zet Hij soms de beitel in ons menselijk graniet, opdat zich zijn beeld in ons kan openbaren.
Zo was hij, die nu van ons is heengegaan, en zo is hij bewust willen
zijn: graniet onder de hand van God; en de Heer heeft hem niet gespaard,
bizonder in de lasten van de levensavond, totdat hij geworden was een
mens en een christen naar Gods gelijkenis gebeeldhouwd met de beitel van
zijn geloof en zijn intellect. âDierbare Vrouw en kinderen,
hartelijkst dank ik jelui voor al de mij betoonde liefde; vergeeft mij
het leed, dat ik veroorzaakte en vergeet mij niet in je gebed; tot ons
weerzien voor eeuwig blijf ik voor je bidden.
Beste kinderen, neemt niet mijn fouten en tekortkomingen tot voorbeeld
maar het leven en de raadgevingen van je Moeder. Weest eensgezind onder
elkander en blijft steunpilaren van Kerk en Maatschappijâ.
Uit het afscheid van de overledene d.d. 13-3-1960
GEDACHTENIS, door de oudste zoon, op de begraafplaats te Groesbeek.
Namens moeder dank ik de aanwezigen voor hun medeleven en aanwezigheid bij de uitvaart. Gelegenheid om haar te condoleren is âŠ.
Tot mijn broers en zusters zou ik willen zeggen:
Vader had veel goede en unieke eigenschappen, maar ook fouten en tekortkomingen. Wie niet?
Ik denk: indien wij, tijdens de rest van ons leven, trachten om zijn goede daden na te volgen en zijn vele wijze raadgevingen in praktijk te brengen, hebben wij nog handen vol werk â komen wij tijd te kort, ook al bereiken wij de gezegende leeftijd van 83 jaar.
Misschien is het zinvol als wij dezer dagen onze levenshouding â onze stijl van leven â eens ernstig onder de loupe nemen en (zoals bij de ruimtevaart gebruikelijk) overwegen, welke correcties wij zouden moeten aanbrengen om het uiteindelijke doel: de hemel, te bereiken, om daar, met God en allen die ons voorgingen, voor eeuwig gelukkig te zijn.
Laten we ook bidden, dat God vader vergiffenis schenkt voor zijn nalatigheden en fouten, opdat hij spoedig, volledig, deelachtig mag zijn aan het eeuwige geluk, waar hij tijdens zijn leven â vooral de laatste jaren â zo intens naar uitzag.
Moge hij rusten, in vrede.
Antoon
Vader heeft steeds te kennen gegeven, dat hij begraven wilde worden nabij zijn vriend, pastoor J.M. Rovers van Groesbeek, die op 11 juli 1919 het kruisbeeld in de âWoudkapelâ zegende en aan wie hij in 1922 een altaar en communiebanken schonk voor zijn kerk, de H. Cosmas en Damianus.
Dat aan vaders wens voldaan is laat deze foto zien â het familiegraf
(de witte steen) met op de achtergrond de grafheuvel, waaronder o.m.
pastoor Rovers begraven ligt.
FamiliegrafFOTOs/Familiegraf-vanStokkum.jpg
23-3-1987 A.v.S.
FOTOs/VadersLaatsteDagen-foto1.jpg Vader
heeft, voor zover mij bekend, nooit tegen sterven opgezien. Hij geloofde
vast-en-zeker in een hiernamaals en in een vergevende God.
De laatste jaren van zijn leven liep hij erg moeilijk. Soms (steeds vaker) liet hij zich rijden â zie foto van de gouden bruiloft.
Hij kreeg steeds meer last van en pijn aan een wond aan ân been, die verzorgd moest worden. Klagen deed hij niet.
Omdat moeder, en later ook Zr. ThĂ©rĂšse het verplegen van deze zo zware man niet meer aan konden, werd vader op 6 maart 1964 (één week voor zijn sterven) opgenomen in het verpleeghuis âKaloramaâ te Beek, waar hij direkt zichtbaar achteruit ging.
Op 14 mei vond de ziekenbroeder het raadzaam om een priester te vragen voor het toedienen van het sacrament der stervenden. Daarbij waren moeder en iedere broer en zus die daartoe (zo snel) in de gelegenheid was, aanwezig.
Na afloop van deze ontroerende plechtigheid was vader erg moe â mede door de half-zittende houding. Daarom ook gingen allen naar huis; ook moeder (die dat achteraf betreurde, omdat ze de ernst van vaders toestand onderschat had) behalve Ria â zij bleef waken.
Hier volgt haar verhaal:
Ik vroeg aan de hoofd-ziekenbroeder om vader toch gewoon neer te leggen, dan zou hij volgens mij veel beter kunnen slapen en rusten. âk Ben toen in de kamer ernaast wat gaan zitten.
Toen hij klaar gemaakt was voor de nacht en gewoon in bed lag, ben ben ik bij hem gaan zitten â hield zijn hand af-en-toe vast â en zo hebben wij, op momenten dat hij goed wakker was, wat gepraat; doordat hij nu echt rustig lag viel hij telkens in slaap, misschien ook door medicynen. De hoofd-broeder en ook een jongere kwamen af te toe kijken.
Op ân gegeven moment zei vader: âât Loopt zo langzaam-aan ten eindeâ waarop ik vroeg of het moeilijk voor hem was. Hij knikte alleen maar en viel weer in slaap. Toch werd hij daarbij steeds onrustiger en maakte hij wat ongecontroleerde bewegingen met zân handen in de lucht. De broeder noemde dat âsneeuwenâ een teken dat het naar het einde toe ging; maar telkens kwam hij toch weer tot bewustzijn.
Tegen de avond kwam de hoofd-broeder en zei: âZĂł mijnheer van Stokkum, nu gaan we wat slapenâ. Vader kreeg zân slaapmuts op en werd toegedekt. Daarna zei de broeder: âUw dochter gaat hiernaast weer even zitten, dan kan zij u door het raam toch zien.â âk Wenste vader: wel te-rusten en kuste hem.
Toen ik in de kamer ernaast kwam stond daar een gemakkelijke stoel met kussens erin en ân voetenbank â ook werd mij een potje koffie gebracht.
Voordat ik ging zitten deed ik het gordijn open en zag ik vader wakker liggen kijken â hij had kennelijk op mij, voor het raam, gewacht. Hij zwaaide heen en weer met zân hand â ân beetje onzeker â en lachte naar me. Toen ik wat later nog eens keek, sliep hij.
Na mijn koffie ben ik wat in de stoel gaan zitten â benen op bankje; weet niet hoelang, want ook ik ben in slaap gevallen.
FOTOs/VadersLaatsteDagen-foto2.jpg Op een
zeker moment kwam de hoofd-broeder bij me en zei, dat vader aan het
sterven was. Ze hadden alles al klaar staan: een tafeltje met een
kruisbeeld en 2 brandende kaarsen. Toen ik erbij was begonnen de
broeders de gebeden van de stervenden te bidden. Vader ademde enkele
keren héél zwaar, en onder het bidden werd het steeds minder, totdat het
adem-halen ophield.
De broeder vouwde vaders handen en condoleerde mij.
+ + + + + + +
Achteraf heb ik er altijd aan moeten denken dat vader vlak voor zân dood, glimlachend en zwaaiend afscheid van mij heeft genomen. Zo heb ik kunnen meemaken, hoe verschillend vader en moeder gestorven zijn. Vader is gewoon, rustig, ingeslapen.
Maastricht, 16 maart 1987
Ria
Verschenen in
NATUURSTEEN, OFFICIEEL MAANDELIJKS ORGAAN VAN DE A.N.B.S.
AUGUSTUS 1964, No. 208
Op 83-jarige leeftijd is op 15 mei 1964 te Groesbeek bij Nijmegen overleden de heer P. J. M. van Stokkum.
Het goed gedocumenteerde en belangwekkende gedenkboek, getiteld: âVan Steen tot Hoenderbergâ, waaraan het hierna volgende is ontleend, is een weerspiegeling van het leven van de overledene. Het is een gedocumenteerd eerbetoon aan de vele aktiviteiten en idealen van de oud-Rotterdammer, die meer dan dertig jaar de leiding heeft gehad van een alom bekende handel in natuursteen. De heer Van Stokkum genoot de bijzondere reputatie van de zakenman, die van zijn beroep een bijkans wetenschappelijk gefundeerd specialisme had gemaakt. Natuursteen was voor hem bepaald meer dan een bron van inkomsten. Het was een bron van kennis, welke hij in voordrachten en artikelen gaarne overdroeg aan anderen. Hij heeft de natuursteen niet alleen gebruikt voor gebouwen door mensenhand opgetrokken, maar hij heeft ook de NATUUR weten te gebruiken voor een aantrekkelijk en blijvend natuurterrein âDe Hooghe Hoenderbergâ en met zijn vooruitziende blik is dit terrein mede een uniek recreatiegebied geworden.
Het gedenkboek legt nauwgezet getuigenis af van zijn liefde voor de natuur en van zijn energie en daadkracht om âHet Maldensche Vakâ, dat hij de naam gaf âDe Hooge Hoenderbergâ, vanaf zijn aankoop in 1918 als bosgebied te behouden, het aanmerkelijk te verfraaien en vrij toegankelijk te stellen voor het publiek, alsook van zijn revolutionaire denkbeeld uit 1926 daarop een âluchtkuuroordâ te stichten, zoals hij die toeristencentra kende van het buitenland. Hoe hij bij het akkoord van 28 december 1929 zijn bezit grotendeels afstond â als afronding van het met de landgoederen de Muntberg en de Wolfsberg te stichten natuurreservaat â door in te stemmen met de voorgestelde splitsing van zijn terreinen en alleen het resterende gedeelte ervan te bebouwen. Dit akkoord wordt overigens gerekend tot een der eerste overheidsbeslissingen op het gebied van de ruimtelijke ordening: natuurbescherming en recreatie.
Petrus Joseph Maria van Stokkum werd op 23 maart 1881 te Rotterdam geboren. Dat was in de periode van de paardetram en de trekschuit, zoals dit in het gedenkboek even wordt aangestipt. Reeds op zeer jeugdige leeftijd nam hij zich voor later bouwmeester te worden. Na de ambachtsschool en enige praktijkjaren, volgde hij een bouwkundige opleiding aan de academie van beeldende kunsten en technische wetenschappen. Voorts privé-lessen in wiskunde en handtekenen. Daarnaast had hij liefhebberij en aanleg voor schilderen, bij voorkeur van landschappen, hetgeen hij graag deed voor zover de weinige vrije uren hem dit toelieten.
Op twintigjarige leeftijd in 1901 gaf hij gehoor aan het verzoek tekenaar, correspondent en beheerder van de natuursteenopslagplaats te worden bij de firma Natuursteenhandel Gustave Depla te Rotterdam.
Deze functie betekende voor hem tevens de kennismaking met het edele bouwmateriaal aller tijden: natuursteen. Dit materiaal boeide hem bovendien zozeer, dat hij zich van deze branche niet meer kon losmaken.
In 1904 trad hij in dienst bij de Natuursteenhandel De Beer en Gnirrep te Amsterdam en ofschoon hij voor zijn voorgaande werkgever reeds de steenhouwerijen, architekten en aannemers bezocht, werd dit bij de fa. De Beer en Gnirrep zijn belangrijkste taak, naast het maken van werktekeningen.
In 1910, op achtentwintigjarige leeftijd nam hij bij genoemde firma ontslag.
Op 1 februari 1910 richtte hij te Rotterdam op De Nederlandsche Natuursteenhandel P. J. M. van Stokkum. Hij trad in 1911 in het huwelijk en vestigde in 1913 zowel zijn kantoor als woonhuis aan de Stationsweg.
In het verenigingsleven was hij bijzonder aktief en o.m. lid, bestuurslid en/of voorzitter van: Het Kruisverbond St. Bernardus; De Knapenbond St. Tarcisius; Comité van Katholieke Sociale Actie; Vereniging Katholiek Leven; R.K. Propagandaclub Leo XIII; St. Vincentiusvereniging; Nederlandsche Vereniging van Natuursteenhandelaren enz. enz.
In de bouwwereld werd hij niet alleen een geziene figuur, maar gold daar als een expert op het gebied van natuursteen en de toepassingsmogelijkheden ervan. Ontelbaar zijn de bouw- en kunstwerken waarvoor hij de natuursteen leverde, zowel buiten- als binnenwerk, in eigen land en daarbuiten (o.a. Ned. Oost-Indië en Amerika); het materiaal adviseerde en/of de uitvoeringstekeningen maakte.
Zijn monsterzalen waren tot ver over de grenzen vermaard en met zijn tekenzalen, speciaal ingericht om grote groepen belangstellenden â merendeels architekten en leerlingen der hogere klassen der M.T.S. en H.T.S. â te ontvangen. Hij hield namelijk geregeld voordrachten over het ontstaan, de ontginning, de bewerking en de eeuwenlange toepassing van natuursteen als bouwmateriaal, alsmede over het benutten ervan voor bouw- en kunstwerken in onze eeuw.
In 1918 â hetzelfde jaar waarin hij het genoemde Maldensche Vak te Groesbeek aankocht â richtte hij, eveneens aan de Stationsweg te Rotterdam, âVan Stokkumâs Internationale Materialenhandel (Vastima)â op.
In 1920 liet hij voor persoonlijke rekening ten behoeve van het genoemde vakonderwijs dat hij gaf, een film opnemen in het Fichtelgebergte over de ontginning en de bewerking van natuursteen.
In 1930 behaalde hij de âGouden Medailleâ op de Wereldtentoonstelling te Antwerpen met een stand gewijd aan de toepassing van natuursteen óók bij de aanleg van terrassen en tuinen, welke onderscheiding hem werd toegekend op grond van de âkeuze Ăšn aanleg van het plantsoenâ, alsmede de âkeuze Ăšn de toepassing van de soorten natuursteenâ.
In 1936 richtte hij aan de Delftsestraat (achter zijn panden aan de Stationsweg) een steenhouwerij op.
In 1940 gingen al zijn bezittingen verloren bij het bombardement van Rotterdam. Behalve dit grote verlies, verloor de heer Van Stokkum twee van zijn zoons in een concentratiekamp.
Reeds 17 juli 1940 vermeldden verschillende dag- en vakbladen het volgende:
âOver aanpakken gesproken: de natuursteenhandel P. J. M. van Stokkum heeft temidden van de puinhopen het eerste Rotterdamse dubbelwandige met pannen gedekte noodkantoor in gebruik genomen, dat bovendien is aangesloten op de waterleiding en op het telefoonnet.â
Er werd toen al weer een begin gemaakt met het verzamelen van de verschillende soorten natuursteen voor het inrichten van een monsterkamer.
In 1941 richtte hij op âVan Stokkumâs Exploitatie Maatschappij (Vastomij)â en begon hij met de vervaardiging van synthetisch betonemaille en plastiek.
Inmiddels had de heer Van Stokkum zijn zoon Leo (L. C. M.) in zijn zaken opgenomen en hijzelf trok zich daaruit terug in 1946.
Wij vermeldden het reeds: de heer P. J. M. van Stokkum kocht in 1918 te Groesbeek een in verwaarloosde staat verkerend bosterrein van ca. 130 ha. âHet Maldensche Vakâ geheten, dat hij alras de naam gaf âDe Hooge Hoenderbergâ en waarvan hij bij het akkoord van 28 december 1929 ruim 80 hektare aan de Staat overdeed als natuurmonument. In dit verband wijzigde hij destijds zijn eigen bouwplannen en deed met hartzeer afstand van het âgrootste en aan natuurschoon meest rijke gedeelteâ onder de bepaling, dat hij zijn plannen uit 1926 (bouw van zomerhuisjes in de bossen) op het resterende deel geheel mocht verwezenlijken en kreeg daartoe verschillende concessies waaronder een waterleiding.
Hij kocht er in 1922 nog een terrein bij, vlak tegen de kom van het dorp Groesbeek, op een berg, welke hij de âPanoramabergâ noemde en waar in de jaren 1926 en 1927 al direkt vakantiehuisjes werden gebouwd, aangesloten op een eigen waterleidinginstallatie omdat het dorp Groesbeek het toen nog zonder een watervoorziening moest doen.
Ondanks de krisis van de dertiger jaren, die hem weerhielden zijn omvangrijke bouwplannen ten uitvoer te brengen, liet de heer Van Stokkum op De Hooge Hoenderberg een vakantiehuis voor de jeugd bouwen: âDe Kamphutâ. Voor zijn gezin het âBoshuisâ op de plaats waar eigenlijk het hoofdgebouw van zijn vakantiedorp had moeten komen. Het Boshuis werd echter na korte tijd ingericht als jeugdhotel en is door
zijn zoon Martien inmiddels verbouwd en uitgebreid tot een modern âJeugdhotel Die Hooghe Hoenderberghâ, en zijn zoon Antoon bouwde er een heel mooi vakantieoord: âBungalowpark Cantecleerâ.
Het revolutionaire idee van de heer Van Stokkum uit 1926, om in de bossen zomerhuisjes te bouwen, kreeg inmiddels dus wel gestalte maar er zijn nog verschillende percelen, kleine zowel als grote, die â volgens het goedgekeurde plan, bij het genoemde akkoord â met zomerhuisjes bebouwd kunnen worden en waaraan thans zulk een behoefte bestaat.
Sinds zijn 35ste jaar, in 1916, was de heer Van Stokkum lid van de Nederlandsche Heidemaatschappij. In 1930 werd hij voorzitter van de afdeling Zuid-Holland en is dat gebleven tot 1950, toen hij zich voorgoed in zijn geliefde dorp Groesbeek vestigde en voorzitter werd van de afdeling Zuid-Oost-Gelderland, waarvoor hij echter wegens gezondheidsredenen in 1959 moest bedanken.
Met de heer P. J. M. van Stokkum â de vooruitziende zakenman, de geoloog, dendroloog, pedagoog en sociaalvoelend mens â is weer één van onze pioniers heengegaan, maar zijn gedachtenis zullen velen ongetwijfeld in hoge ere houden.
Extra plaatje:
De volledige
transcriptie is elders te vinden (de âdagboekenâ, EV2.pdf)FOTOs/EvSV-laatsteDagenDagboek.jpg
FOTOs/Stervensproces-Moeder.jpg Het
uitgetypte verhaal (24 blz van A4 formaat) staat hier in pdf-formaat: stervensproces
Bij het open graf sprak ik de aanwezigen als volgt toe.
Voor de tweede maal staan wij hier â nĂș om moeder te begraven.
Als oudste zoon heb ik geprobeerd, namens mijn broers en zusters, moeder zo veel mogelijk te begeleiden, bij haar vertrek uit deze wereld naar de hemel.
FOTOs/Kerkhof.jpg Beiden wisten wij, dat
dit ziekbed het einde zou zijn. Alle gesprekken waren een voorbereiding
op dat grootste moment van haar leven. Moeder besprak met mij, haar
angst voor de dood â haar twijfel aan de hemel, juist nu deze zo nabij
kwam; haar zorgen voor haar kinderen, aangetrouwde kinderen en
klein-kinderen, die ze achter moest laten. Ze vertelde mij haar
zwakheden en haar spijt over gemaakte fouten; ze besprak haar zorgen
over wat er zou gebeuren met wat zij voor haar kinderen achter liet. Ze
uitte haar verdriet, dat de verpleging zo veel ging kosten; dat ze zo
zuinig was geweest om de kinderen zo veel mogelijk na te kunnen
laten.
Dat alles hebben moeder en ik uitgepraat, soms tot het pijnlijke toe. Daardoor heb ik moeder leren kennen, zoals zij werkelijk was. Eens zei ze: âJe kent me nu helemaalâ. Tijdens en na haar sterven begreep ik, dat moeder groter was, dan ik had durven vermoeden. Ik hoop, dat dat jullie ook duidelijk is â wordt.
In haar jeugd verpleegde ze drie jaar haar eigen moeder, die net als zij, door een rugkwaal verlamd was.
Zij huwde met een Rottderdammer â menselijkerwijze gesproken â een stel, dat niet goed bij elkaar paste. Ik denk, dat moeder haar volmaaktheid bereikt heeft, juist naast een zĂł aparte man, als vader was.
De zorg voor haar 13 kinderen â het verdriet dat ieder van ons haar op de een of andere manier bezorgde en het verlies van Norbert en Petercanies tijdens de oorlog, ging eigenlijk boven haar krachten. Zij hield vol, in en door gebed.
Ondanks alle verdriet en teleurstellingen had zij een groot Godsvertrouwer en dat werd, tot haar dood, op de proef gesteld. Zij meende vaak, dat God haar niet verstond, omdat veel anders uitpakte, dan zij biddende had gepland. Zelfs haar doodsdag stelde zij, vier weken vooruit, biddend op 15 mei. Haar lijden werd één dag verkort â ze had genoeg geleden.
Nu is moeder niet meer bij ons, maar haar geest zal voorleven. En als op feestdagen de zilveren kandelaars op tafel staan, die zij kinderen en klein-kinderen schonk, ter gelegenheid van haar 80-ste verjaardag, zullen wij, bij kaarslicht herinnerd worden, aan het licht dat van haar uitging.
Samen met vader, heeft zij ons voor-geleefd, hoe mensen met vele fouten en geheel andere karakters, een groots en schoon leven kunnen opbouwen.
Voor de bewoners van Huize Mariëndaal blijkt moeder een grote steun te zijn geweest.
De hoofd-verpleegster, die haar lijden trachtte te verzachten, zei: Ze was een wijze vrouw; alle verpleegsters hebben veel van haar geleerd.
Hoewel zij wist te zullen sterven, zei ze op 3 mei: âIk moet zorgen, dat ik met Pinksteren op ben, dan kunnen de kinderen komen. Zorg je dan, dat er voldoende wijn is.â
Moge op het a.s. Pinksterfeest de Geest over ons nederdalen, die haar en vader bezielden, opdat ook wij, met Ăłnze eigenschappen en in onze omstandigheden, elkaar tot steun zijn, tot ook voor ons het ogenblik is gekomen, om het tijdelijke met het eeuwige leven te verwisselen.
+ + + + + + +
Omdat dezelfde pater, die het bidprentje voor vader maakte, dat ook voor moeder zou moeten doen, vreesde ik, dat het weer een door anderen voorgekauwde tekst zou worden.
Daarom besloot ik, tussen alle bedrijvigheid door, zelf een toepasselijke tekst te schrijven.
FOTOs/Gedachtenskaartje-ELMvSV-voorkant.jpg
FOTOs/Gedachtenskaartje-ELMvSV.jpg
De overledene was ongetwijfeld een van die âsterke vrouwenâ waarvan de Bijbel spreekt. Zij werd geboren te Blerick op 6 november 1886 en leerde haar man kennen tijdens een bedevaart naar Mariaâs genadeoord Lourdes Zij huwde met hem 13 juli 1911 en ging wonen in Rotterdam, waar haar man een bedrijf in natuursteen had. De overgang van het stille dorpsleven naar de grootstad en het drukke zakenleven was moeilijk, maar zij gaf zich geheel aan de zorg voor haar man en het gezin, dat uitgroeide tot 13 kinderen: 10 zonen en 3 dochters. Het hoogtepunt van hun leven was de gouden bruiloft, waar zij jaren naar toe leefden. Het ruwe oorlogsleed werd ook haar niet bespaard. Huis en bedrijf werden bij ân bombardement totaal verwoest en twee van haar zonen stierven in concentratiekampen; ook vele dierbare herinneringen uit haar jeugd gingen verloren. Maar vol moed, het kenmerk van een sterke geest, doch vooral vertrouwend op God en gesteund door de kracht van het geloof, bouwde zij, samen met haar man, alles weer op.
Zij genoot nog een gelukkige levensavond te Groesbeek, bij de zusters op huize MariĂ«ndaal. Twee jaar had zij nodig om aan deze hoog gelegen, niet aan een tuin grenzende, kamer te wennen. NĂș, na 5 jaar, wilde zij er niet meer weg en wenste zij zelfs op MariĂ«ndaal te mogen sterven, doch God vroeg van haar opnieuw een offer. De laatste 3 maanden van haar leven werd zij door een pijnlijke ziekte gekweld en moest zij opgenomen worden in het ziekenhuis. Hier ontving zij met grote godsvrucht de sacramenten der zieken op 27 maart en gaf zij haar schone ziel terug aan God, op 14 mei 1968. Zij bad tot God, om op de sterfdag van haar man, tevens de dag waarop zij haar eerste communie deed, te mogen sterven. Slechts één etmaal eerder werd haar schone leven beĂ«indigd. Haar lichaam werd op 17 mei te rusten gelegd in het familiegraf te Groesbeek.
Allen die haar gekend hebben zullen zich haar blijven herinneren als een zeer gelovende vrouw, ân zorgvolle moeder en ân behulpzaam evenmens.
Mogen allen, maar vooral haar kinderen en kleinkinderen, in haar voorbeeld de kracht vinden om ook hĂșn leven zĂł goed en zĂł bewust-christelijk te beleven.
Enkele dagen later kwamen broers en zuster bij elkaar om kennis te nemen van haar testament (en dat van vader) waarna ik de brief van moeder, met haar âLaatste verlangensâ voorlas.
Antoon
FOTOs/Moeders-LaatsteDagen-foto.jpg In de
eerste week van 1968 kreeg moeder pijn in haar rug waardoor de stoelgang
bemoeilijkt werd. Gevolg: ook pijn in haar buik, aan haar darmen.
Ze kreeg zware pijnstillende middelen en zware slaappillen.
Omdat de kwaal verergerde kwam een specialist eraan te pas. 6 Februari daarop werd ze opgenomen in het Canisius Ziekenhuis, mede, omdat verlammingen in haar benen optraden.
Hoewel ze 2-B verzekerd was, kwam ze, wegens plaatsgebrek, op 3-klas zaal te liggen. De hoofdzuster bleek ân kreng te zijn, zei moeder na ân paar dagen. Daarom deed ik moeite voor spoedige overplaatsing â toen kwam ze met 2 te liggen in plaats met 4 dames. Maar, omdat haar pijnen erger werden, legde men haar kort daarop op ân kamer alleen. Mede, omdat het steeds duidelijker werd dat ze deze kwaal niet zou overleven.
Toen ze dat langzamerhand ook zelf begreep, begon ze daarover met mij te praten. Hoe dichter ze bij de dood kwam, hoe dieper de gesprekken gingen. Eerst over ânuâ â over de âverleden-tijdâ â daarna steeds meer over wat er na de dood zou zijn. Bestaat er wel ân hemel?
De behandelingen die moeder iedere ochtend kreeg (wassen e.d.) duurden ongeveer een uur en waren zeer pijnlijk. Dan huilde ze, en om hard schreeuwen te voorkomen stak ze haar zakdoek in haar mond. Dikwijls riep ze, als de pijn haar te machtig werd: H. Maria, Moedertje lief, help mij toch, ik kan niet meer. Ook riep ze vaak heiligen aan, waarin ze tijdens haar leven veel vertrouwen had. Zo gebeurde het dat de zuster zei: Mevr. van Stokkum, schei toch uit, u heeft de hele litanie al gehad!
Door de vele bezoeken die ik moeder bracht (de laatste weken soms drie maal per dag, als anderen niet in de gelegenheid waren) leerde ik moeder steeds beter kennen. Op het laatst wilde moeder niet dat haar andere kinderen kwamen. âIk ben altijd zo flink geweest en wil niet dat ze mij nu zo zien lijden.â Ook zei ze: âIk heb me altijd zo goed kunnen houden en nu lig ik te huilen van de pijn en wil niet dat de kinderen daarbij zijn.â
Vooral de laatste weken voor haar dood vertelde ze mij veel over vader; dat ze hem zo dikwijls niet begrepen had en hem daardoor verdriet deed. Over haar kinderen en aangetrouwde kinderen; ze was bezorgd voor hun toekomst; hoopte, dat de onderlinge band behouden bleef, tijdens en na de boedelscheiding. Of ik mân best daarvoor zou willen doen.
Ze ging twijfelen aan haar eerlijkheidsgevoel â of de brief met haar laatste wensen over verdeling van haar sieraden en kleine spullen wel juist was. âOok al zou de een of ander voelen dat het niet helemaal goed zit, dan moeten ze het mij maar niet kwalijk nemenâ.
Moeder heeft bewust naar-de-dood-toe geleefd. Telkens bemerkte ik, dat ze weer afstand van een of meer bezittingen genomen had. Ongeveer een week voor ze stierf zei ze: âIk ben nu zĂł ver, dat ik van alles afstand heb gedaan â het was wel een hele toer; al die kleine spulletjes, ik kon er zo met plezier naar zitten kijkenâ. Ik merkte, dat ze in gedachte haar kamer rond ging. Dat bracht mij op de gedachte, om het door haar gemaakte wandkleed (de koets met vier paarden) en de grote foto van het Hoge Hoenderberg-Huisje tegenover haar bed aan de muur te hangen â daarop stond ze naast vaders trotse bezit, in 1956.
Eind april zei ze onverwacht: âIk lig nu op mân dood te wachtenâ en herhaalde ze, wat ze al vaker zei: âZal je zien, Antoon, 15 mei is mân doodsdag, echt waar â dat is de datum waarop vader stierf Ă©n die van mijn eerste H. Communie.â
Begin mei werd moeder steeds slechter. Op 5 mei wist ze met haar handen geen raad â ze lag niet goed â vouwde haar handen en zei: âO.L. Heer, laat me toch dood gaan; God â God ! Moeder Maria, ik kan het niet meer vol houden â Piet, je was altijd zou goed voor me, als je in de hemel bent, waarom help je me nu dan niet; ik kan niet meer â Piet, help me toch.â
De laatste dag/nacht van haar leven bleven Ria en ik waken. Martien en Joop kwamen om 24 uur nog even op bezoek â spreken deed moeder al haast niet meer. Joop en Martien wilden ongemerkt de kamer verlaten. Moeder zag het toch en zei, haast onverstaanbaar: âGaan ze nu weg?â. Voelde ze zich door God en iedereen in de steek gelaten? Ik moest denken aan Jezus in de Hof van Olijven, nadat de apostelen hem in de steek lieten. Ik haastte mij naar moeder toe en zei: Moeder, ik blijf en Ria ook! Toen was ze gerust, kon ik merken.
De gehele nacht lag moeder met half geöpende, niets meer ziende, ogen. Reageren deed ze (kon ze) alleen nog met bewegen van haar lippen of wenkbrauwen. Om de beurt gingen Ria en ik, op de gang, de benen strekken.
Tegen de ochtend waren (ook wij, wel anders) ook wij uitgeput van het wachtende waken en het verwerken van moeders doodsstrijd.
De nacht-zuster bracht ons een ontbijt â we gingen zitten aan een tafeltje, dat tegen de muur aan het voeteneind stond. Beiden hielden we moeder in de gaten. Halverwege het ontbijt keek ik naar haar. âKijk nou eensâ zei ik tegen Ria. We snelden op haar af. Moeder lag met wijd-geöpende ogen (verder open dan wij kunnen). Met haar hoofd diep in haar kussen gedrukt, keek ze recht naar boven. Haar gezicht, dat voor-kort een-en-al uitputting vertoonde, was âplotselingâ veranderd â gaaf â een-en-al verbazing. Haar ogen straalden â priemden als ât ware recht de hemel in, alsof ze op het laatste moment van haar verblijf op aarde, een blik in de hemel mocht werpen en de Glorie van God aanschouwen.
Langzaam zakte haar hoofd naar recht, zochten haar ogen de foto van het Hoge Hoenderberg Huisje, waarop haar ogen gericht bleven.
In deze houding â kijkend naar de foto â blies ze haar laatste adem uit, om, voor altijd, God Ă©n haar Piet, recht in de ogen te kijken.
Haar gezicht, dat de gehele nacht een afgetobde uitdrukking vertoonde, zodat wij tegen elkaar zeiden: âhoe houdt ze het uitâ, was totaal veranderd â van vermoeidheid niets meer te merken â ze was anders; ze wĂĄs ât wel â ik kan ât niet omschrijven.
De 15-de mei heeft moeder niet meer gehaald â God riep haar de 14-de mei; ze had genoeg geleden. (âs-morgens, ca 7,30 uur)
Achteraf gezien, lijkt het, of moeder bij haar sterven óók geen kinderen wilde hebben. Ze ontsnapte ons bijna â toen we aan tafel zaten.
Antoon
23-3-1987
OrigineelFOTOs/VerdelingErfenis-toespraakAntoon-000.jpg
Na het overlijden van moeder op 14 mei 1968 en haar begrafenis op 17 mei
kwamen haar nog in leven zijnde 11 kinderen, uitgezonderd Frans en
Jules, alsmede Hans Rudolf, op 18 mei bij elkaar in de woning van de
oudste zoon, Antoon, die executeur-testamentair was. De verdeling die
plaats moest vinden werd als volgt ingeleid.
Ik heb de band ingesteld, omdat ik Frans en Jules ook op de hoogte wil stellen van wat hier gezegd wordt. Ik heb jullie een boekje gegeven met balpen, hebben jullie straks vragen, stel ze nog niet, noteer ze, dan kunnen die straks beantwoord worden; indien ze in de loop van het gesprek nog niet beantwoord zijn.
Ik heb alles opgeschreven, wat ik nu wil zeggen, want als ik uit mân hoofd ga praten zeg ik iets misschien 2 maal of ik vergeet iets.
Verdelen is altijd erg moeilijk - b.v. als je 2 dingen te verdelen hebt en je gaat het verloten, dan heeft de een wat en de ander is teleurgesteld. Wij zijn met zân twaalven als een wat loot, zijn er 11 teleurgesteld. Vóór dat moeder gestorven was, toen ze nog op MariĂ«ndaal woonde, begon moeder wel eens te praten over de verdeling na haar dood, maar ik vond het altijd heel pijnlijk om daar op in te gaan; achteraf had ik er spijt van, nu moest ik het doen, terwijl ze al ziek was.
In het ziekenhuis begon ze er steeds vaker over, telkens gaf ze mij een tip, en zei dan: âNoteer dat eens evenâ. Dan pakte ik mân agenda en schreef het op. En omdat moeder de laatste tijd meest met haar ogen dicht lag, zag ze niet dat ik de andere dingen die ze zei óók opschreef. Zo kreeg ik een heel verslag over de 4 laatste weken van haar leven, van ongeveer 50 kleine bladzijden. Hoe dichter moeder bij de dood kwam, hoe dieper de gesprekken werden, over nu, over de verleden tijd, en over wat er na de dood zou zijn. Moeder heeft veel gehuild bij me en hardop gebeden. De behandelingen die moeder âs morgens kreeg, duurde een uur. Dan huilde moeder, stak haar zakdoek in haar mond om niet te schreeuwen ze riep dan H.Maria help me, enz. op het laatst zeiden de zusters tegen moeder: Mevrouw van Stokkum schei toch uit, u heeft de hele litanie al gehad.
Ik zeg dit even, om een kleine indruk te geven van de laatste tijd van moeder, in welke periode al die gesprekken met moeder zijn gevoerd. En omdat moeder zoân pijn had, heb ik met Riet gezorgd dat ze 1e klas kwam te liggen. Met 3 op een kamer kon ze haast niet slapen. Tegen één van jullie zei moeder toen: âEn Antoon heeft dat maar gedaan, zonder het mij te vragenâ.
Door al die bezoeken leerde ik moeder steeds beter kennen, en steeds meer kwam naar voren, dat moeder niet wilde hebben, dat de kinderen haar zagen lijden. Dan zei ze o.m. âIk ben altijd zo flink geweest, ik heb me altijd goed gehouden, en nu lig ik hier, lig ik te huilen, heb ik pijn, en ik wil niet hebben, dat de kinderen daar bij zijnâ. En ik weet zeker, dat ik jullie wel eens pijn gedaan heb, door te zeggen: ga niet naar moeder misschien heb ik het wel eens niet takties gezegd, of een verkeerd woord gebruikt; als dat zo is, dan vraag ik daarvoor ekskuus. Ik heb steeds geprobeerd, het zo goed mogelijk voor moeder te doen. Vaak kon er niemand naar moeder, en dan ging ik. Daardoor ben ik ook ontzettend vaak geweest en heb ik een veel beter beeld van moeders sterven gekregen, dan jullie.
Iedere 14 dagen schreef ik een brief naar Frans on Jules, op luchtpostpapier (met carbon) en daar staat dus een heel ziektebeeld in. Schreef eens aan hen, jullie weten eigenlijk nog meer van het sterfbed van moeder, dan alle andere kinderen, omdat die vaak maar om de week of 2 a 3 weken kwamen, en ik iedere dag en dan die aantekeningen maakte. Moeder vertelde mij dus haar angsten en twijfels, zoals ik gisteren al zei, over de hemel, ze vertelde mij hoc vader was, dat ze hem zo dikwijls niet begrepen heeft; hier kan ik niet te ver op ingaan. Ze sprak over de kinderen, de zorg voor haar kinderen en aangetrouwde kinderen; ze sprak over haar laatste wensen en zo dat alles heb ik in dat verslag opgetekend. Ik kan dat natuurlijk niet allemaal vertellen; als moeder geweten had dat ik het optekende, had ze het niet gezegd. Ik moest het allemaal een beetje geheimzinnig doen; maar achteraf heb ik er geen spijt van. Ik zal er dan ook geen misbruik van maken.
De laatste weken kwam steeds meer naar voren dat moeder een heel sterk eerlijkheidsgevoel had; ze ging als maar twijfelen of datgene wat ze in die brief gezet had, wel goed was. (brief met laatste wensen) Ze was als maar bang, dat ze oneerlijk was geweest. Dat ze het ene kind voor getrokken had boven het andere, ze kwam er niet meer uit, het was een jaar geleden, dat ze die brief geschreven had, dat was op 8 februari 1967.
Na weken daar over gesproken te hebben zei ze mij op 3 mei: âBreng die brief maar eens mee, maak hem maar âns open, dan kunnen wij hem samen nog eens helemaal doornemenâ en ze zei nog âWacht maar niet te lang, want anders ben ik misschien gek of zoâ.
Het was 4 mei, de dag dat Leo onverwachts bij moeder was, had ik die brief bij mij. Van een kant vind ik het fijn dat Leo er was; hij weet dat moeder die ochtend ontzettend helder was, anders zouden jullie misschien nog kunnen denken, je hebt het gedaan terwijl ze afwezig was. De avond ervoor heb ik de brief geopend en 3, 4, 5 maal doorgelezen om goed op de hoogte te zijn, wat er in stond, om de eventuele foutjes er uit te halen. En toen heb ik bij moeder, nog eens rustig, die hele brief voor zitten lezen. Ik heb toen gemerkt, dat ze verschillende dingen niet meer wist. Een paar dagen later was Ria bij moeder en een van de eerste dingen die moeder tegen Ria zei was dat ze opgelucht was dat ze die brief met mij doorgenomen had en de wijzigingen ondertekend had. âDat was een pak van mân hartâ interpelleerde Ria.
Ik heb dus geprobeerd het zo goed mogelijk op te lossen. Moeder had vaak angst voor ruzie. Ik zei dan: Moeder ik zal proberen het te voorkomen. Ria maakte de opmerking: âZe zei erbij, ook al zou de een of de ander voelen dat het niet helemaal goed zat, dan moesten ze het maar niet kwalijk nemen.â
Moeder heeft dus ook helemaal bewust naar de dood toe geleefd, telkens heeft ze weer afstand gedaan van de dingen. Als je door een auto-ongeluk sterft, plotseling, is het leven plotseling afgesneden, heb je geen tijd voor een levensonderzoek. Voor haar was het een veel mooiere belevenis, wel erg, al die pijnen, je zat er bij en kon er niets aan doen, het werkt op je zenuwen en huilde soms met moeder mee - maar nu ik het achteraf bekijk, zeg ik, het was toch wel mooi, wel zwaar, maar toch een mooi afsterven. En daarom had moeder ook veel rust nodig, veel stilte, ze zei: âDikwijls lig ik hardop te bidden en te huilen.â Daarom ook moest moeder 1e klas liggen, ook al vond ze dat erg duur.
7 mei, ongeveer een week voor ze stierf, zei moeder: âIk ben nu zo ver, dat ik van alles afstand heb gedaan, het was een hele toer, al die kleine spulletjes, ik kon er zo met plezier naar zitten kijken.â Ik denk dat moeder in gedachte haar kamer rond ging; en na een korte stilte zei ze âIk lig nu op mân dood te wachtenâ en diezelfde dag herhaalde ze, wat ze al meer zei: âZal je zien, Antoon, 15 mei is mân doodsdag, echt waar, 15 meiâ. Dit heb ik letterlijk opgeschreven. Moeder bleef helder; door de pillen gebruikte ze weleens een verkeerd woord.
Die doodstrijd van moeder, dat weet Ria ook, die inwendige belevenissen, kon je echt op haar gezicht zien; vooral rond 12 uur, toen Martien en Joop weg waren, lag ze to woelen, wilde praten - kon geen geluid meer voortbrengen â haar lichaam begon te trillen, ze kreeg het dan warm, dan koud, en dat heeft zo wel een uur of drie geduurd; om beurten gingen wij de kamer uit. Eerder zei ik, moeder wilde geen kinderen bij zich hebben. Nu was het even net andersom. Moeder zag mij niet, ik stond naast haar hoofdeinde (Ria was even op de gang), Joop en Martien gingen weg, moeder keek ze na en zei angstig: âGaan ze nu weg?â. Ze voelde zich intens verlaten. Ik moest denken aan Christus in de Hof van Olijven, toen de apostelen hem in de steek lieten en gingen slapen. Moeder was bang dat de kinderen weg gingen, net op het moment dat ze in doodsstrijd was. Ik zei toen: Moeder, ik blijf nog en Ria ook. Toen was ze gerust.
Jullie hadden misschien gedacht, dat ik bij het begin de brief zou openen, die Moeder naliet. Ik vond het beter een en ander vooraf te zeggen.
Ik zei eerder, dat moeder steeds zei, dat ze geen kinderen bij zich wilde hebben, en ik heb de indruk, dat ze uiteindelijk ook bij haar sterven geen kinderen wilde hebben. Want toen wij uitgeput waren van het wachten en Ria zei âik heb honger, en ik doe even mân ogen dicht in de stoelâ, kwam ât nachtzustertje binnen met een wagentje met een uitgebreid ontbijt. We gingen zitten eten, aan een tafeltje, dat aan het voeteneind tegen de muur stond; beiden konden we moeder zo zien. En op dit moment, dat moeder Ăłns misschien niet meer zag, toen gebeurde het. Ik zat te eten en keek en zei tegen Ria, kijk nou eens! Moeder had de gehele nacht met de armen naast zich gestrekt gelegen en de ogen half geopend, zonder wat te zien â als we haar toespraken en zeiden: âHet valt niet mee, hĂš moederâ of âWe zijn nog bij uâ of âWat bent u toch flink, moedertjeâ, dan veranderde de blik in haar ogen, bewoog ze lippen of wenkbrauwen. Een half uur voor moeders sterven ging de nachtzuster weg en zei hard: âDag mevrouw v. Stokkum, ik ga weg, ik ga nu slapenâ. Ik zag dat moeder reageerde. En nu, plots, had moeder haar hoofd zo ver als ze kon achterover, en haar ogen wijd open, verder dan wij kunnen, zo keek recht naar boven. Haar gezicht, dat een en al uitputting vertoonde, was plotseling veranderd, gaaf, een en al verbazing.
Haar ogen straalden, priemden als ât ware recht de hemel in, alsof ze op het laatste moment van haar leven een blik in de hemel mocht werpen en de glorie van God aanschouwen. Ik weet dus niet of dit waar is. Heel de nacht kon ze haar hoofd amper bewegen. Nu lag het helemaal achterover en terwijl haar ogen bleven stralen, zakte haar hoofd langzaam naar rechts, tot ze gericht waren op de foto van haar met vader voor het hhhhuisje [Hoge Hoenderberg Huisje? MMF]. In deze houding blies ze haar laatste adem uit. Haar gezicht, dat de hele nacht een afgetobde uitdrukking had zodat wij tegen elkaar zeiden: hoe houdt ze het uit; op het moment dat zij haar ogen opende, was van die vermoeidheid niets meer te merken, ât was anders, ât was moeder wel, ik kan het niet omschrijven. Later, als wij zover zijn, zullen we dat misschien snappen. Laten we nu proberen, om de goederen en de gelden, die vader voor ons verdiend heeft, en waarop moeder zo zuinig is geweest, en waarvan zij zo lang heeft mogen genieten, zo goed mogelijk te verdelen.
En dan zou ik voor willen stellen, laten we eerst eens aan onze broers en zusters denken â wat zou een mooie herinnering zijn voor die, of voor die â ât is moeilijk, maar ik geloof toch, dat we daar van uit moeten gaan â niet zitten denken, wat zou ik nu graag hebben, maar wat zou die of die nu graag eens hebben als aandenken aan vader en moeder. Ik geloof, dat we dan dubbel zullen kunnen genieten door te weten dat een ander geniet. En nu hoop ik maar, dat jullie niet zo veel aan een ander zitten te denken, dat alles blijft staan, dan blijf ik met alles zitten; dat is natuurlijk ook niet de bedoeling.
En ik zou ook nog willen zeggen, het zit âm echt niet in de waarde van het ding, maar het zit âm in wat er achter schuilt. Om aan te tonen wat ik bedoel, enkele dagen voor moeder stierf, ât was 9 mei, was Ria bij moeder en na een korte tijd wilde moeder in haar spiegel kijken. Ria wilde dat niet toestaan en vroeg aan moeder, heeft u er dan zo lang niet ingekeken. Nee, zei moeder zo lang als ik hier lig, niet. Ria wilde niet, maar moeder moest beslist in de spiegel kijken. En dat moment is voor Ria heel ontroerend geweest, verder kan ik daar niet op ingaan. En nu wilde ik voorstellen, die spiegel in ieder geval aan Ria te geven. Dat is dus mijn bedoeling. In deze geest, moeten wij proberen onze erfenis te verdelen. Dan genieten we niet alleen van de dingen die we zelf krijgen, maar genieten we ook van de vreugde die een ander beleeft.
Het testament heb ik vluchtig ingezien, dat is gelijk aan dat van vader; het enige dat van toepassing is, is dat ik executeur-testamentair ben. Ik stel voor, dat we onze schriftgeleerde uit de familie, Alfons, het uit laten pluizen.Â
(koffiepauze)
Er is dus te verdelen: A. geld; B. effecten e.d.; C. bos(bouw)grond; D. huis Panoramaberg; E. sieraden; F. goederen; G. familieboeken e.d. (deze blijven in de brandkast). Ik wilde dit punt voor punt even bespreken. Eerst dus het geld. Ik stel voor om het geld, dat nu nog vast staat, vrij te maken en zo spoedig mogelijk te verdelen; voorlopig een rond bedrag. Moeder heeft alleen geld geleend aan kinderen; totaal f 90.000,- waarvan ik het grootste bedrag heb. Dat bedrag heb ik reeds per 1 juni vrijgemaakt. Wat de effecten betreft, daar heb ik weinig verstand van; ik wilde dit met Leo en mogelijk een andere broer die er verstand van heeft, op de bank eens gaan bespreken. Ik heb het totale bedrag opgevraagd en dat is rond f 75.000,â. Dus f 165.000,- bij elkaar. Leo stelde voor om niet direct geld te verdelen, eerst successierechten betalen, schulden (ziekenhuis e.d.) voldoen; anders moeten wij op staande voet effecten opruimen op het moment dat de koers niet gunstig is, om aan onze verplichtingen te kunnen voldoen.
Ik heb maar drie dagen de tijd gehad om het allemaal uit te zoeken, weet er nog weinig van, ât is maar een voorstel, ga het volgende week met de notaris bespreken. Wat het bos betreft het volgende. In overleg met moeder zijn Alfons en ik in contact getreden met de schoonvader van Hans Rudolf, de heer Wittekamp. H.R. wilde graag een zomerhuisje bouwen en toen heeft hij zich met Alfons in verbinding gesteld. Daarna heeft de heer Wittekamp een plan voorgelegd, hoe een en ander met de gemeente Groesbeek gespeeld zou moeten worden.
Intussen is het terrein al opgemeten, in kaart gebracht, met hoogtematen en verkaveld. Verder ontwerpt hij enkele woningen (bungalows) zoals hij die zich denkt te bouwen. Dan gaan we proberen het bouwverbod, dat nu op de grond rust, op te heffen. Of dat lukt weten we natuurlijk niet. Alfons maakte de opmerking: Als Wittekamp zijn plan klaar heeft neemt hij eerst contact op met Antoon en mij, wij spreken dat plan door, daarna wordt de familie bij elkaar geroepen, dan wordt er een soort stichting gemaakt waarbij wij allemaal deelnemers zijn van deze stichting. Wanneer wij het eens zijn met deze opvatting, dan stappen Antoon en Wittekamp en ik naar de gemeente en zien de steun van de gemeente te krijgen (die daar ook belang bij heeft) en dat de gemeente in Den Haag om bouwvergunning gaat vragen. Dus eerst wij akkoord.
Martien vroeg of terugtrekken uit de grond mogelijk was; dan wordt taxatie-waarde uitbetaald, ongeveer 75 ct /m2. Zou dus onverstandig zijn. Later mogelijk f 10,â /m2.
Het is ongeveer 9 ha totaal. Emile vroeg of ook zijn terrein erin betrokken werd. Voorlopig niet, maar als het bovengenoemde plan lukt, kan tegen bouwen op de overige terreintjes weinig bezwaar meer worden gemaakt. Dan het huis op de Panoramaberg. Ik stel voor het te laten taxeren, volgens de wet, en de huurder voorkeur te geven. Zo niet, dan kom ik daar nog eens op terug. Het wordt niet verkocht zonder jullie er in te kennen.Â
Vervolgens krijgen wij de sieraden. Moeders wensen staan in de reeds genoemde brief. Eerst nog even dit. Voordat ik de kamer van moeder uitgeruimd heb, in overleg, (en dat was moeilijk, want ik mocht moeder niet de moed ontnemen dat ze beter kon worden; van de andere kant klaagde ze steeds, dat alles zo duur werd: kamer en ziekenhuis) vond ik de enveloppe met de betreffende brief nog niet dicht geplakt. Dat heb ik toen, zonder inzage, direct gedaan. Op mijn vraag waarom de brief open lag zei moeder, dat ze dit gedaan had om er nog iets aan toe te kunnen voegen als ze ergens aan dacht. Ook heb ik de inboedel en de sieraden laten taxeren (op advies van notaris) toen alles nog intact was.
Opvallend is, dat ik de kamer en de telefoon per 15 mei opzegde, zonder die datum nog van moeder te horen. En de resterende wijn, werd op 15 mei afgeleverd.
Op 2 mei, twee dagen voor de brief besproken werd, vroeg ik moeder, het is toch de bedoeling dat alle kinderen evenveel krijgen. Als iemand een schilderij loot, of een dochter krijgt een ring, dan moet de waarde van dat schilderij of die ring toch afgetrokken worden van het kapitaal. Heb dit twee keer gezegd, zodat ze het goed begreep. Het zou kunnen zijn dat iemand niets aan goederen krijgt, b.v. Jules. Als dat niet zo was, zou de een veel meer krijgen dan een ander. Moeder antwoordde âNee, dat is niet de bedoeling, allemaal even veel, anders zou het onrechtvaardig zijn.â Ik zei: dat dacht ik ook, u heeft alleen maar voorkeur bedoeld; die ring voor die dochter enz. Waarop moeder zei âJa, allemaal evenveel, daar had ik helemaal niet aan gedachtâ! Op 3 mei, stelde ik de vragen anders; toen meende ze dat de waarde niet afgetrokken hoefde te worden. Daarom zei moeder âJe kunt die brief gerust nu al open makenâ, en na een stilte âJe moet niet te lang wachten, moet je doen, voor ik gek wordt of zoâ. âNu kan ik nog schrijven, althans, dat hoop ikâ en toen zag ik dat haar gezicht betrok - ze dacht, denk ik, dat zal ik wel niet meer kunnen. âEn anders moet jij het maar veranderen in mijn geestâ (letterlijk). Daarna belde ik de notaris, en hij zei ook: aftrekken, dus dit houd ik aan, omdat ik meen dat dit het beste met moeders bedoelingen overeenkomt. Want ze had er echt nooit bij stilgestaan, dat daar een onrechtvaardigheid in zat. Dat had ze niet voorzien en daar schrok ze van. En nu de brief. De grote sieraden heeft moeder onder haar eigen dochters willen verdelen. Dit komt zo: toen haar moeder stierf kreeg een schoondochter een gouden sieraad, waar moeder veel waarde aan hechtte; haar schoonzus verkocht het. Dat deed haar veel verdriet. Daarom heeft moeder dit op papier gezet. En ze zei tegen mij, dat haar schoondochters zelf erven van hun moeders. En nu de brief. Deze is gedateerd:
Groesbeek, 8 Februari 1967
Lieve kinderen.
Door dit schrijven laat ik jullie weten âhoeâ ik het liefst alles verdeeld heb.
Ria, Betty en Ena krijgen inhoud van de linnenkast, omdat ik toen ze trouwden geen uitzet kon geven, wegens de oorlog. Mân briljanten ring met 13 steentjes moeten Betty en Ena om loten. Ze zijn me beiden even lief, hebben beiden veel kinderen, maar⊠er is maar één ring. (Moeder zei tijdens het voorlezen: âIk heb die ring gekregen omdat ik zoveel kinderen had en daarom wil ik hem verloten tussen mân dochters die de meeste kinderen hebben.â)
Ria kreeg indertijd al goud kruis met ketting, die ik liet maken van de ketting van mijn moeder. Ze liet deze in gymzaal liggen en werd gestolen! Ze krijgt de trouwring (speld) van Vader en mijn barnsteen rozenkrans. De gele steen ring is van haar. De gouden brede armband, ât gouden kruis en ring met parel+diamant moeten mân drie dochters om loten. Mijn petekinderen Elisabeth van Frans + Bep en Elisabeth van Betty en Bernard krijgen ieder f 1.000,- voor hun uitzet, (Moeder onderbrak: als het er tenminste is). Verder Elisabeth van Fr + B de speld die ik met mijn verjaardag kreeg en Elisabeth van B+ B mijn naaimachine, âalsâ ze dat hebben wil. Riet van Antoon krijgt gouden speld met parel. Zij was zóó lief voor mij! Bij haar sterven is deze speld voor een âvan Stokkumâ. Het horloge met ketting van vader mag niet verkocht worden. Alfons vroeg mij er om, maar dat moeten de jongens, zonder ruzie, onder elkaar regelen. De elektrische klok kregen vader en ik van Alfons. Deze gaat weer naar hem terug. De cristallamp heeft Alfons de voorkeur. De marmeren coupe gaat naar Leo terug. Ook de spulletjes die de kinderen mij (ons) gaven, gaan weer naar hun terug.
Betty heeft servies met goud randje. ât Beste is dat zij de borden krijgt.
Het schilderij van vader is heel moeilijk te verdelen. Emile kreeg indertijd geld ervoor, dus ât is van mij. Ook het schilderij âuitzicht vanuit ât huisjeâ is betaald. De jongens, behalve Leo, kunnen er ât beste om loten. (Ik vroeg, waarom Leo niet? âHij heeft al schilderij van vader en hij heeft al zoveel schilderijenâ.) Antoon on Riet krijgen de zonnebloem. Mân handwerkkleedjes kan om geloot worden. Verder is er niet veel van waarde. Mân bontjas is voor Ena, âalsâ ze deze hebben wil. Er zijn 12 zilveren lepeltjes en 5 andere, 1 is er verloren. Het portret van Norbert mag Nock hebben.
Tot zover de brief.
Toen ik de brief een paar maal doorlas vond ik een klein hiaat. Er stond n.l. die ring wordt verloot tussen Betty en Ena. Ik zei tegen moeder: een van beiden krijgt dus niets; Als Ena de ring loot, krijgt Betty niets, en Ria krijgt de ring-speld. âJa maarâ zei moeder âdat heb je toch altijd in een loterij, de een heeft ân prijs en de ander nietsâ. Ik zei, dat is toch niet leuk, en stelde voor: Betty en Ena loten. Als Betty de ring trok, had Ena de eerste keus uit de overige grote sieraden. Dat vond moeder een prachtig voorstel. Dan hebben ze dus alle drie wat. Ik heb er lang over gedacht en meende: dat is het beste. Twee maal, voor die tijd al, sprak moeder over haar petekinderen, ze meende, de een meer gegeven te hebben dan de ander. En dat was ook inderdaad zo. En toen heb ik daar een kleine verandering in gebracht. Moeder had n.l. aan Elisabeth van B+B niet alleen de naaimachine, maar ook de schakel-armband willen geven. Die heb ik laten vervallen. Dat kwam goed uit, want nu een der dochters kiezen mocht als ze een ânietâ trok, kwam ik één sieraad te kort; nu kreeg ik er dus 6. Dit vond moeder een enig voorstel; zo keek me aan of ze zeggen wou, hoe kom je op het idee.
De kroon krijgt Alfons tegen taxatiewaarde; er bestaat twijfel of de kroon reeds van Alfons was, dit is niet duidelijk omschreven. Alfons gaat echter spontaan met mijn voorstel akkoord. Wat de linnenkast betreft. Ik stel voor, dat iedereen eerst in het bezit komt van een geborduurd tafelkleed. Wie er nog geen heeft, moet het mij dus even laten weten. Verder hoop ik dat Ria, Betty en Ena, datgene wat niet direct tot âuitzetâ behoort, zĂł verdelen, dat iedereen een mooie herinnering houdt aan datgene wat moeder zelf gemaakt heeft. Denk daarbij ook aan Frans en Jules. Praat eens met elkaar en doe mij een voorstel, en dan hoop ik een goede beslissing te nemen. Hebben jullie een bepaalde herinnering aan een kleedje of iets dergelijks, laat het mij dan even weten. Persoonlijke geschenken kunnen jullie straks meenemen. Frans en Jules moeten mij schrijven, wat zij geschonken hebben en graag terug hebben. De grote meubelen gaan we straks ook verloten, daar hebben Frans en Jules toch geen interesse voor. Wat overblijft zet ik op een lijst, die ik vermenigvuldig en aan jullie toe stuur. Dan kunnen jullie een kruisje zetten achter de dingen die je graag hebt.
Ik meen, dat Joop indertijd het gewei, via Alfons, vader leende. Is dat zo. (Joop bevestigde het.) Verder zei moeder mij: Joop ruilde indertijd de wereldbol voor een vaas. Die vaas kan terug, dan wordt de wereldbol op de lijst geplaatst. (Joop maakte enkele bezwaren, maar ik moet mij aan moeders mededeling houden.) Verder leende Joop een rode lamp en een snijapparaat. Ook deze dingen komen op de lijst; zijn er geen liefhebbers, dan kan hij ze houden, tegen verrekening. Ik heb aan moeder voorgesteld, om de dagboeken in de brandkast te laten, ook die die moeder over schreef, voor Betty. Moeder zei, dat er kinderen waren die ze liever zouden hebben willen vernietigen; dat kon ze niet. Ze zei o.m.: âEr staan wel lelijke dingen in, maar ook mooie, die later wel eens heel interessant kunnen zijn, b.v. voor ons nageslacht.â Daarom heb ik gezegd tegen moeder: Ik zal de boeken inpakken en opbergen en de wens van moeder op de verpakking schrijven, voor het geval een ander later het beheer krijgt over de brandkast. Ik maakte moeder er op attent, dat als een van haar kinderen de boeken las, de kleinkinderen er ook wel eens in zouden kunnen kijken; en dat is nu niet plezierig, voor de andere kinderen. Daar had moeder niet aan gedacht. De boeken blijven dus tot wij oud zijn in de kast; of langer. Betty maakte de opmerking dat in de boeken die moeder voor haar over schreef, de persoonlijke dingen weggelaten zijn. Ze ging er mee akkoord ze voorlopig in de brandkast te laten.
Drie a vier weken geleden vroeg ik moeder, wilt u, nĂș, nog iets in uw laatste dagboek schrijven. Ze antwoordde: âDaar heb ik wel eens aan gedacht, ik ben nu te moe, misschien later.â Er is dus niets meer van gekomen.
Terwijl ik vandaag (20 mei) dit stencil typ, wilde ik even in laatste dagboek kijken, om te zien, tot wanneer moeder het bijgehouden heeft. Dat was 26 november 1967. En toen ik een paar regels las, dacht ik ineens, dat schrijf ik hierbij.
26 November 1967 Zondag. Antoon was gisteren even hier. Ze gaan vandaag uit en kunnen me dus niet halen. Op een kant ben ik blij. ât Is zooân dikke mist! Ik denk dat men geen 30 meter zicht heeft. Heb mooi boek, mân handwerk en ât is zóó heerlijk rustig. Wat kan ik meer verlangen?! De kinderen zijn allen gezond, en ât gaat hun goed. âk Dank God dat ik zoover ben dat allen volwassen en getrouwd zijn! Als ik alles hoor en aan T.V. zie, doet de jeugd toch erg raar! ât Is voor hun ook moeilijk. De tijd heeft hun God en Godsvertrouwen ontnomen en niets er voor terug gegeven. Ze hebben geen houvast meer. De vernieuwing in Godsdienst heeft veel voor â maar is af en toe onbegrijpelijk. Ik voor mij kan niet meer gewoon bidden. Soms voel ik in dagen niets en dan praat ik helen dag met 0.L.Heer en Moeder Maria. We denken meer â de hollandse Mis vind ik fijn, maar rustig bidden of nabidden bij de H. Communie is er niet meer bij. Voor de nonnen en de Geestelijken zal ât wel erg moeilijk zijn! âk Ben nu 81! Alle kinderen waren er en hebben me fijn verwend. Toch voel ik, ât contact gaat steeds verder weg. Alles is zoo anders als vroeger, en ze hebben hun eigen zorgen en moeilijkheden. âk Bad God vroeger om âafsterven van allesâ en ât begint er echt op te lijken. ât Liefst zit ik in mân eigen kamer en hoe stiller hoe liever. âk Vind de mensen hier allen wel aardig, maar moet moeite doen om uit mân eigen er heen te gaan.Â
Tot zo ver uit moeders laatste dagboek. Er volgt nog een bladzijde met aantekeningen over enkele kinderen en kleinkinderen. Ik zei reeds dat moeder ook krantenknipsels inplakte. Haar dagboek besluit met een plaatje van Wibo: âZusters willen meer vrijheidâ (Non met tralies voor kap, in ijzerwinkel, en vraagt: âHebt u ân ijzerzaagjeâŠâ. Er boven schreef moeder: âIn kranten staan veel spotprenten over nonnen en paters; de een nog geestiger als de anderâ. (De laatste regels uit haar dagboek.) Verder heb ik het niet in willen zien.
Deze enkele regels overtuigden mij: deze boeken mogen niet vernietigd worden. Nu ga ik weer verder met het verslag, komt mooi uit, met wat ik op de bijeenkomst zei, over moeders aantekeningen.
En nu is mijn gedachte, om de aantekeningen die ik tijdens moeders ziekte gemaakt heb, in het laatste dagboek te leggen (er zijn dingen bij die ik jullie nu echt niet kan laten lezen) en als de tijd rijp is zal blijken of, wat moeder nu, tijdens haar sterven aan mij verteld heeft, een mooie afronding is van hetgeen ze in haar leven opgeschreven heeft. In mijn aantekeningen van drie weken geleden en de laatste dagen zit ook al een mooi verband. Op 3 mei zei moeder mij, geheel onverwachts (ze lag als gewoonlijk met haar ogen gesloten) keek me vragend aan: âWat doen we met de sigaren? Zou ik die nu al uitdelen?â Aan haar gezicht zag ik dat ze twijfelde en zei: hoeft toch nog niet. Ze dacht even na en zei: âWeet je wat, als ik op 15 mei nog niet dood ben, verdeel je ze op die dag. Het is nog iets heel bijzonders, sigaren in kistjes, die worden niet meer verkocht, nu in hoofdzaak in kleine doosjes, de mensen hebben geen geld meer. Ik stel voor, de kistjes te verdelen aan alle kinderen, ook aan de niet-rokers.â Een andere dag zei moeder: âDat sierbord bij de T.V. is van Ria; ik gaf het ze reeds eerder.â âDe glazen moeten jullie maar verdelen.â âBetty gaf mij die bonbonniĂšre, dat had ze niet moeten doen, zoân duur ding, die krijgt ze terug.â
Ik sprak over haar eigen trouwring, die was niet genoemd. Haar gezicht betrok; deze vraag deed haar pijn, ze zei: âWeet ik wel, heb ik expres niet willen omschrijvenâŠ.â Verder kwam ze niet. Ik stel voor, deze aan haar oudste dochter te geven, zij heeft de ring (speld) van vader ook. âDie viewer van Lourdes moet ik maar onder de kleinkinderen verlotenâ zei moeder eens. Ik stel voor dit niet te doen. Er is niet één kleinkind dat wat krijgt; ât heeft geen waarde; uit deze opmerking van moeder blijkt, dat ze ook aan haar kleinkinderen dacht.
Nu nog iets over Nock. Volgens de wet, erft Nock niets, gaat alles naar Hans Rudolf. Vaak is na de dood van een zoon of dochter, de band met de familie ineens verbroken. Dat kunnen wij van Nock niet zeggen. Zij heeft veel voor moeder gedaan, veel voor haar over gehad. Ik stel voor, haar mee te laten loten met de overblijvende sieraden. Ook zou ik graag een voorstel van jullie hebben, wat we nog meer voor Nock kunnen doen; spreek er eens met elkaar over.
Dan zou ik nog iets tegen Hans willen zeggen: Mogelijk kan Hans ook eens denken waar hij zân moeder plezier mee kan doen, b.v. door een deel van zijn erfenis aan zân moeder te geven. Dat je vader zo vroeg gestorven is, heeft haar toch al zo veel leed bezorgd. Denk er eens over.
Op 3 mei zei moeder, nadat ik haar gezegd had: U heeft toch overal goed voor gezorgd en overal aan gedacht: âJa, ik heb geprobeerd het zo eerlijk mogelijk te doen âen na even wachtenâ en ik hoop maar, dat jullie geen ruzie gaan maken.â Ik verzekerde moeder dat ik mijn uiterste best zou doen, dat te voorkomen. Ik hoop dat haar wens in vervulling zal gaan.
Misschien kunnen we nu even pauzeren, intussen alles nog eens overdenken, eventuele vragen noteren en straks nog even napraten.
Na de pauze worden de 6 sieraden onder Ria, Betty en Ena verloot en worden ook de grote meubelen verloot/verdeeld. Alleen die grote stukken, waar Frans en Jules toch niet voor in aanmerking kwamen, door de grote afstand.
OrigineelFOTOs/19700728-verantwoording-financien.jpg
Beste Familieleden,
Volgens afspraak heb ik de administratie bij Antoon gecontroleerd.
Hieronder mijn verslag:
**Geldmiddelen**:
Giro-spaarrekening f 724,79 + interest tot opheffing f 9,37 734,16
Rijkspostspaarbank f 275,81 + interest tot opheffing f 17,07 292,88
Boerenleenbank f 1640,97i + interest tot opheffing f 27,34 1668,31
A.B.N. f 548,59 + interest tot opheffing f 48,60 597,19
-------
3292,54
Te kort in Moeders kas op 14.5.1968 (door Antoon voorgeschoten) - 583,96
-------
2708,58
**Opbrengsten**:
Boedel min taxatiekosten 4079,75
Effecten en Coupons min bewaarloon en bankkosten 81929,72
Panoramaberg min taxatiekosten en belastingen 22465,27
**Ontvanqsten**:
Leningen & Hypotheken f 90000,-- + rente tot aflossing f 1658,40 91658,40
Ontvangen Successierechten f 1879,99 min betaalde f 1826,99 53,--
A.O.W. uitkering 272,50
Huur Panoramaberg tot verkoopdatum 216.--
---------
IN KAS 203383,22
**Uitgaven tot en met 30 juni 1970**:
Kerk (o.a.missen), telegrammen, foto's, porto en diversen 790,33
Bosschap f 19,35 + Onderlinge Bossenverzekering f 46,72 '69+'70 66,07
Executeur-testamentair 1000,--
Begrafenis, drukwerk, kosten grafsteen, advertenties 1585,88
laatste wijnrekening 268, -
transport boedel naar Antoon + idem naar Frans/Jules 258,35
Belastingen f 1935,38 min terugontvangen f 258,-- 1677,38
Accountant 145,--
Ziekenhuis f 1754,62 + Artsen f 1875,40 3630,02
Notaris 852,74
Erven 12x 15500,-=f 186000,-- + 2xlegaat van f 1000.-- 188000,--
Jules' tegoed (toegezegd door Moeder) 25,--
---------
UITGAVEN 198298,77
IN KAS 203383,22
UITGAVEN - 198298,77
---------
Blijft per 1 juli 1970 een voordelig saldo van: 5084,45
Zonder tegenbericht â laten wij zeggen binnen 2 weken â neem ik aan, dat jullie met deze verantwoording accoord gaan en dat ik daarna Antoon (en Riet!) namens jullie en mezelf kan ontheffen van zijn verantwoordelijkheid over het beheer tot en met 30 juni j.l. Ă©n tevens kan bedanken voor het vele werk en al hetgeen hij deed, resp. wil blijven doen.
Ik kan mij voorstellen, dat de vraag gesteld kan worden: âen wat gebeurt er nu met het saldoâ. Geheel los van het bovenstaande verslag geef ik Antoonâs voorstel weer. Hierover kan met mij niet gecorrespondeerd worden, omdat ik daar geen zeggenschap in heb. Goed, Antoon stelt voor, deze f 5084,45 op een aparte spaarrekening te zetten om hieruit (a) komende lopende onkosten te betalen over de onverdeelde grond, (b) een reserve te houden voor event. te maken kosten voor de grondverkoop. Het wachten is nu nog op het antwoord van de overheid. Alfons deed en doet zijn best! In principe werd er trouwens op de laatste familie-reĂŒnie te Garderen afgesproken voorlopig tot 1972 dit resultaat af te wachten. NĂĄ 31 december 1971 (of eerder als het definitieve antwoord binnen is) kunnen de familieleden beslissen over dit saldo en de onverdeelde grond. Het lijkt mij juist Alfons (Ă©n Rita!) te danken voor het vele werk wat hij tot nu toe deed en hem van harte succes toe te wensen voor een spoedig gunstig resultaat.
Vertrouwende jullie voldoende te hebben ingelicht, tekent met
vriendelijke groeten mede namens Trees,
Leo